Home

De tentoonstelling over de Olympische Spelen in het Louvre is een tijdmachine die de contouren van een schitterend idee, een droom, een missie schetst

Naar aanleiding van de Spelen in Parijs heeft het Louvre een tentoonstelling over de origine van de Olympische Spelen − én de 19de-eeuwse herbedenking daarvan.

Van alle plekken die je met sport zou associëren is het Louvre misschien wel een van de laatste. Tot diep in de 20ste eeuw had de sportieve belangstelling onder weldenkende cultuurmensen bepaald een kwade reuk, en het Louvre, dat symbool, dat centrum van cultuurhistorische kennis en wetenschap, is toch geen ordinair stadion?

Toch is het juist de archeologische en filologische kennis, waarvan het Louvre een van de fraaiste uitstalkasten is, die aan het einde van de 19de-eeuw aan de basis staat van de moderne Olympische Spelen. De tentoonstelling L’Olympisme, nu in het Louvre ter ere van de derde Parijse Spelen, laat dat overtuigend zien.

Over de auteur
Henk Pröpper is schrijver en recensent voor de Volkskrant. Hij woont en werkt in Parijs.

Het verhaal van de Spelen, de klassieke en de moderne en hun verband, is fascinerend, evenzeer voor liefhebbers van geschiedenis als minnaars van de kunsten en de sport. Het is een verhaal van historische parallellen en vergissingen, van idealisme, hoop en blinde vlekken, van verlangen naar vooruitgang en een diepgeworteld conservatisme. De tentoonstelling maakt in al haar schoonheid en met grote historische verbeeldingskracht vooral een ding zichtbaar: dat alles wat we maken mensenwerk is, ook de olympische droom.

Vanaf het midden van de 19de eeuw streden Fransen en Duitsers om de toegang tot de archeologische plaatsen in Griekenland. Ze ontdekten dat vermoedelijk sinds 776 voor Christus periodiek Spelen plaatsvonden, niet alleen in Olympia maar ook in verschillende andere steden. Sporters, dansers en musici kwamen daar samen voor wedstrijden als hommage aan de goden die men wilde plezieren en gunstig wilde stemmen.

Sporen van die Spelen werden op allerlei plekken teruggevonden, in de omgeving van heiligdommen. Overblijfselen van het stadion van Olympia en allerlei inscripties werden door Duitse archeologen vanaf ongeveer 1875 aangetroffen in de nabijheid van tempels van Zeus en Hera. Inscripties laten zien hoe verbonden de Spelen waren met het leven van de mensen, onder het oog van de goden. Over roemrijke winnaars bij het hardlopen, discuswerpen of worstelen werd nog jaren gesproken. Alleen de winnaar telde, de namen van de andere mededingers werden snel vergeten. De winnaars kregen dankzij hun prestatie zelfs de eer om het offervuur voor Zeus of Hera te ontsteken. De overwinning bezorgde hen een hogere status, met de fakkel in de hand vervulden ze de rol van bemiddelaar tussen de mensen en de goden.

De geheimzinnige, vervoerende wereld van de sport werd in de 19de eeuw ontdekt als heilzaam voor de jeugd en van grote waarde voor een gezonde samenleving. Met de Griekse Spelen en het Angelsaksische onderwijsmodel als voorbeelden werd letterlijk gesproken over de noodzaak van een ‘atletische renaissance’, conform de filosofieën uit de oudheid die een gezonde geest zien huizen in een gezond lichaam. Internationale, sportieve competitie zou bovendien misschien oorlogen kunnen voorkomen (de ‘gespierdheid van de jeugd’ zou anderzijds ook van pas kunnen komen in geval van oorlog, was de eigenlijk tegengestelde en eerder Spartaanse filosofie).

Sport werd in die jaren idealistisch beschouwd als een speelveld van gelijken, de een meer, de ander minder begiftigd met talent. Die gedachte werd ook leidend voor het amateurisme, de liefhebberij die lang uitgangspunt van de moderne Spelen was. Zo ontstond ook het nog altijd enigszins voortlevende idee dat ‘meedoen belangrijker is dan winnen’, ofschoon het toch beslist verkieslijker is te winnen, gezien alle voordelen die dat biedt.

Het devies bedacht voor de eerste Spelen, uitgesproken in 1896 door een van de invloedrijkste pleitbezorgers Pierre de Coubertin: ‘citius, altius, fortius’ (sneller, hoger, sterker), was vooral bedoeld als leidraad voor de persoonlijke ontwikkeling en training. In de 20ste eeuw kwam echter de medailleranglijst steeds meer centraal te staan, kregen prestaties politiek-maatschappelijk betekenis, stonden ze voor een superieure levenswijze, een geslaagder bestuursvorm, of zelfs een superieur ras (Berlijn, 1936). Het is, leert de tentoonstelling, een van de vele ambivalenties van de moderne Spelen.

Opmerkelijk genoeg waren de sporters uit de oudheid beslist geen amateurs die toevallig in een stadion waren terecht gekomen. Dat sport en amateurisme naadloos met elkaar samenhangen is een aspect van de moderne (pacifistische) mythe van de Olympische Spelen. Sporters bereidden zich juist dagelijks voor in sportscholen en gymnasia, de rivaliteit was groot tussen individuen en stadstaten. Zo vermelden teksten uit Sparta dat ze die gymnasium-jongens (uit Athene) maar watjes vonden, veel te veel bezig met het mooier maken van hun lichaam, dus ongeschikt voor de oorlog. Sport was strijd, geen vriendschappelijke ontmoeting van gelijken, en in de 20ste eeuw is die ook steeds meer een toneel van competitie met alle middelen geworden.

In de voorbeeldige catalogus wordt aansprekend en diepgravend de ontstaansgeschiedenis van de moderne Olympische Spelen ontvouwd: de filosofie van Pierre de Coubertin en andere idealistische lobbyisten, de iconografie die vooral door de tekenaar, ontwerper en commercieel genie Émile Gilliéron werd geschapen (onder meer van de vijf ringen verwijzend naar lauwerkransen), de competitie en disciplines die deels teruggrepen op de oudheid en deels moesten worden bedacht. In uitvoerige internationale correspondentie ontstond zo bijvoorbeeld het idee van de marathon, als ode aan de klassieke oudheid en aan de overwinning van de democratie op de autocratie, een idee van de filoloog en grondlegger van de semantiek Michel Bréal. (Philippides, zo schrijven Herodotus en Plutarchus, zou immers in 490 voor Christus van Marathon naar Athene zijn gerend om de overwinning van de Grieken op de Perzen te melden.)

Van de winnaar van de eerste marathon op de moderne Olympische Spelen in 1896, de waterdrager Spiridon Louis, prijkt de foto op de tentoonstelling. Van hem weten we precies welke doping hij gebruikte tijdens zijn race: melk, bier, paaseieren, sinaasappelsap. In het dorpje Pikermi stopte hij zelfs voor een beker wijn. Desondanks haalde hij op zijn tocht van Marathon naar Athene de zeer respectabele tijd van 2 uur 58 minuten en 50 seconden. Het was zijn laatste wedstrijd. In 1936, voor de Spelen in Berlijn, bood Spiridon, immers een nationale held, Adolf Hitler een olijftak aan uit Olympia, als symbool van de vrede. Hij stierf in 1940, enkele weken voordat de Duitsers zijn geboortedorp binnenvielen.

De catalogus is als een zwaan-kleef-aan van bijzondere figuren, kosmopolitische, internationalistische, pacifistische mannen, gedreven door ideeën van vooruitgang en democratie waarvan Athene de moeder is. Hun ideeën over het onderwijs waren beslist modern, hun conservatisme op andere fronten, zoals de positie van vrouwen, hardnekkig. Liefde voor de oudheid en de sport als basis voor een vredelievende samenleving verbindt hen. Het zijn mannen van de letteren die de moderne Olympische Spelen bedenken, waarvan de eerste editie wel in Athene moest plaatsvinden.

Wonderlijk genoeg werpt de tentoonstelling meer licht op de ontwikkeling van de moderne sport, en werkt die sterker op de verbeelding dan alle kleurige sportbladen in de Parijse kiosken bij elkaar. Terwijl de menigte naar de Mona Lisa rent in de heksenketel van het Louvre bewonderen echter maar een paar mensen de bronzen reproductie van de naakte discuswerper van Myron uit de vijfde eeuw voor Christus. Het beeld drukt uitzonderlijk precies de beweging uit van de atleet, juist op het moment dat de spanning van de spieren voor de worp maximaal is: even uitgebalanceerd als harmonieus als krachtig. De tijd is stil gezet, de symmetrie van het lichaam zo grandioos getroffen dat de toeschouwer zich in een modern kolkend stadion waant, ook al is de techniek van deze atleet in moderne tijden aangepast.

Het zijn dit soort beelden en visioenen die de bezoeker van de tentoonstelling bevangen: voortdurend wordt die heen en weer bewogen van de stadions van het oude Griekenland naar die van de moderne wereldsteden. Het is stil in de tentoonstelling, maar je hoort de geschiedenis spreken. Je hoort het gejuich in de stadions, de oude en de moderne. Keken toen de goden toe en genoten ze van de prestaties van de atleten en de welriekende geuren van geofferd vlees, nu hebben wij hun plaats ingenomen, met bier, cola en chips in het stadion of voor de televisie. Iets van de religieuze koorts, van de geestvervoering van toen wordt overgedragen naar onze tijden. Scherp dringt ook door dat het idee van strijd en competitie en emulatie in de oudheid onlosmakelijk met de sport verbonden is, athlon betekent immers ‘wedstrijd’ en ’prijs’, en eigenlijk weet dat tegenwoordig elke amateur.

Als je de zalen van de tentoonstelling binnenloopt ontdek je aanvankelijk niet veel meer dan een verzameling kunstvoorwerpen, beelden, vazen, lauwerkransen, munten en postzegels. Ook zijn er 130 jaar oude foto’s en vroege filmpjes van sportieve prestaties. Wat onaanzienlijk, is misschien de eerste gedachte. Maar vanaf het moment dat de toeschouwer zich verdiept in de uitstekende begeleidende teksten komt de tentoonstelling tot leven, wordt die een tijdmachine, heen en weer schietend tussen de klassieke oudheid, de aanloopjaren aan het einde van de 19de eeuw tot aan de eerste moderne Spelen, en onze eigen tijd. Langzaam worden de contouren zichtbaar van een schitterend idee, weliswaar verkleurd en aangetast (door kortzichtigheid, politiek, conventie en vooroordeel).

Want veel meer dan de uitstalling van objecten is L’Olympisme de tentoonstelling van een idee, een droom, een missie. Het olympisme is, ver voor de Volkerenbond of de Verenigde Naties, een poging de volkeren te verbinden, en met periodiek internationaal verkeer een duurzame vrede te garanderen.

Tegelijk zit dat fraaie idealistische verhaal, zoals alle mensenwerk, vol tegenstrijdigheden, blinde vlekken en ambivalenties. Zoals het verhaal van de wapenstilstand ten tijde van de Spelen in de oudheid een mythe is gebleken, zo is het idee van de moderne universele Spelen in de begintijd vooral een westerse uitvinding in een door het Westen beheerste wereld, over Afrika of Azië werd eigenlijk niet nagedacht. De sport was ook voorbehouden aan de mannenwereld. De rol van vrouwen bleef lang minimaal, en bij de eerste moderne Spelen in 1896 beperkt tot het uitreiken van kransen aan de glorieuze (mannelijke) winnaars.

Toen vrouwen in 1900, tijdens de eerste Spelen in Parijs, mochten deelnemen aan twee disciplines, golf en tennis, werd dat door de overwegend Franse uitvinders van de Spelen met grote argwaan en weerzin bezien. Pas in 1990 kwam er eindelijk een gelijk speelveld en mochten vrouwen meedoen aan alle disciplines: werd de sport aan het einde van de 19de eeuw voor vrouwen als weinig gracieus en het noodzakelijke sportieve tenue als minder zedig gezien, na de Tweede Wereldoorlog vreesde men juist dat vrouwen een te mannelijke uitstraling en fysiek zouden krijgen. Dat kon niet de bedoeling zijn, en zelfs nu is het vrouwelijk tenue nog geregeld onderwerp van discussie.

Zo is de tentoonstelling behalve een tijdmachine ook een motor van verhalen, rakend aan een veelheid van wetenschappelijke disciplines, alle kunsten en een veelheid van moderne en actuele thema’s. Misschien is het olympisme een droom of een utopie in een wereld van conflicten, maar er zit ook schoonheid en waarheid in. De tentoonstelling laat vooral zien wat mensen ondanks al hun beperkingen voor elkaar kunnen krijgen, als ze tot internationale samenwerking bereid zijn en over hun grenzen stappen. Ongeveer zoals de atleet zich dagelijks tracht te verbeteren, met vernuft en discipline en de lauwerkrans voor ogen.

Aan de voet van de Eiffeltoren staat een elektronisch scorebord, het telt de dagen af voordat de 30ste Olympische Spelen van de moderne tijd beginnen, op 26 juli. Vandaag, de dag dat ik dit schrijf, is de olympische vlam uit Griekenland aangekomen in Marseille. Door een estafette zal die de komende maanden naar Parijs worden gebracht. De tentoonstelling laat ook zien hoezeer de olympische geest met het Franse internationalisme en humanisme verbonden is.

Zoals in de oudheid wordt de stad opgemaakt om de atleten en geestdriftige toeschouwers te ontvangen. Langzaam wordt het decor zichtbaar van wat toen als een heilige periode werd ervaren. Posters, banieren en plakkaten verschijnen met de iconografie van de Spelen, kunstwerken en planten op de bruggen. In Saint-Denis, een van de voorsteden van Parijs, zijn de accommodaties voor de atleten verrezen. Juist in dit vergeten gebied waar de afgelopen jaren geregeld oproer was, staat nu het olympisch dorp. De behuizing van de atleten moet na afloop van de Spelen aan de bewoners, verschanst in deze voorstad, nieuwe levensruimte en perspectief bieden. Het is de economie van de moderne olympische infrastructuur.

Bijna elke ochtend om half negen valt mijn oog op een jonge vrouw bij de Pont Alexandre III. Met haar plastic instrumentarium aan een eenvoudig touw neemt ze watermonsters. Hier op deze plek zou moeten worden gezwommen, in elk geval als onderdeel van de triatlon, maar de Seine is verontreinigd door bacteriën uit het riool. En ofschoon president Macron heeft beloofd gerust als eerste in het water te zullen springen, is het water nog altijd ongeschikt om in te zwemmen.

Misschien dat over 2500 jaar haar instrumentarium van plastic in een museum ligt in een tentoonstelling gewijd aan de moderne Olympische Spelen, naast de beeltenis van de winnende triatleet. Het water was schoon als de olympische droom, want zo wilden de mensen het.

L’Olympisme is te zien van 24 april tot 16 september 2024 in het Louvre, Parijs

Honderd jaar geleden

De Olympische Spelen vinden van 26 juli  tot 11 augustus plaats in Parijs. Er worden meer dan tienduizend sporters verwacht uit 206 landen. Honderd jaar geleden, toen de Spelen ook in Parijs werden gehouden, waren dat er nog ruim drieduizend uit 44 landen. Toen werden behalve sportmedailles ook kunstprijzen uitgereikt. In de categorie schilderkunst kreeg de Nederlander Johan van Hell een zilveren medaille voor het schilderij Schaatsenrijders.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next