Home

‘Je wilt met heel je hart dat het niet waar is’

Politiemensen over die ene melding, wat er daarna gebeurde en hoe dat hun kijk op het vak ingrijpend heeft veranderd. Marijke van Poppel (62), directiesecretaresse van de politiedienst Operatiën, kreeg collega’s aan de deur die haar slecht nieuws kwamen brengen.

‘Ik heb ervaren hoe het is als de politie voor je deur staat. Ik werk zelf voor de politie, als directiesecretaresse bij de directie Operatiën. Ik werk dus niet in uniform, maar ken wel de verhalen van agenten die slecht nieuws moeten aanzeggen. Dat is me nu zelf overkomen.

‘De fatale dag was 22 oktober 2021. Ik kreeg woorden met mijn man. Jan zat niet goed in z’n vel, hij kampte al langer met depressies. Hij zou wat klusjes doen, maar wilde dat uiteindelijk met allerlei smoezen niet doen. Het was de bekende druppel die mijn emmer deed overlopen. ‘Serieus Jan, echt serieus, jij moet eens gaan nadenken of wij nog een toekomst hebben’, zei ik geïrriteerd. Jan stond op, pakte z’n jas, draalde nog even en liep de deur uit met de woorden: ‘Ik ben even weg.’

Over de auteur
Wil Thijssen is politie- en justitieverslaggever van de Volkskrant

‘Dat is goed, dacht ik, ga even wandelen, je hoofd leegmaken. Het was rond half 11 in de ochtend. Om een uur of 12 dacht ik: hij blijft wel erg lang weg. Meteen wist ik: hij komt niet meer terug. Jan heeft er een eind aan gemaakt.

‘Ik wilde 112 bellen maar durfde dat niet, bang om te horen dat ik gelijk had. Ik stopte twee croissantjes in de oven om mezelf gerust te stellen, maar ik wist dat ik mezelf voor de gek hield.

‘Rond half 1 ging de bel en zag ik twee politiecollega’s voor de deur staan. ‘Bent u de eigenaar van de auto met dit-en-dat kenteken? Bent u de partner van Jan Dikmans?’ vroegen ze. Ik antwoordde: ‘Kom maar binnen, ik weet wat jullie gaan zeggen, ik ben een collega van jullie.’ Toen brak ik.

‘In de woonkamer zeiden ze dat Jan op het treinspoor was aangetroffen en dat hij was overleden. Bij de spoorwegovergang hangen camera’s, de collega’s lieten mij van die beelden een paar foto’s zien. Op de eerste foto stond Jan naast onze auto. Daarna lieten ze een foto zien van de jas van Jan, die ik herkende, en vervolgens een foto van een mouw. Ik twijfelde of dat de mouw was van Jans jas, vooral uit ontkenning – je wilt met heel je hart dat het niet waar is.

‘Ik belde mijn broer Ton, die zo snel mogelijk kwam met zijn vrouw Anja. Ook heb ik mijn directe collega Frans Heeres gebeld, met wie ik al ruim twintig jaar samenwerkte. Frans kwam meteen en bleef de hele dag.

‘Frans, Ton, Anja en ik hebben de hele middag zitten praten, geen idee waarover. Ik kan me de eerste dagen ook niet echt herinneren, ik was totaal in shock. We hebben onze vrienden en families gebeld. Dat was heel zwaar. En er moest een uitvaart worden geregeld die je niet wilt regelen. Ga het maar doen.

‘In de avond kwamen collega’s een kartonnen doosje brengen. Ik keek erin, daar lag Jans trouwring. Het viel niet meer te ontkennen: Jan is dood en komt echt niet meer terug. Ik moet er weer om huilen.

‘Op zulke momenten realiseer je je dat je een collega van deze politiemensen bent, maar ook gewoon een burger, een slachtoffer. Je staat ineens aan de andere kant, heel gek is dat. Je ziet hoe professioneel ze hun vak uitoefenen. Zij waren er voor mij toen ik dat heel hard nodig had. Vooral de familierechercheur, mijn aanspreekpunt bij de politie voor hulp en vragen, was voor mij enorm belangrijk. Mijn collega’s in het veld hebben mooi werk, maar het is ook een hard vak.

‘Lange tijd voelde ik me verschrikkelijk schuldig, ik had een kort lontje en was intens moe. Ik wilde het liefst onder mijn dekbed verdwijnen. Langzaam begon ik weer met werken. Na een jaar vroeg ik de laatste camerabeelden op. Ik kon ze op het bureau komen bekijken. Daar zei de familierechercheur: ‘Je mag alles zien, maar ik kan je ook vertellen wat er gebeurt.’ Dat leek me beter. Ze zei: ‘Jan stapt uit de auto, steekt het dubbele spoor over, blijft even staan, loopt terug het spoor op en rent een aankomende intercity tegemoet.’

‘Hij heeft het dus heel bewust gedaan. Hij wilde rust. En ergens snap ik dat, ook al ben ik het totaal niet eens met zijn keuze. Vecht maar eens zo lang tegen je demonen, doodvermoeiend.

‘Ik kampte met een enorm groot schuldgevoel. Mijn laatste woorden hadden Jan over het randje geduwd, zo voelde ik dat. Ik zocht hulp bij Jans psycholoog. EMDR-therapie heeft me heel goed geholpen. Vraag me niet hoe, maar het werkt echt. Als ik aan Jan dacht, zag ik hem op het spoor, een trein komt eraan met volle vaart, verplettert hem. Nu is mijn beeld gekanteld. Die trein rijdt weg en Jan loopt er heel rustig achteraan. Hij loopt uit mijn leven, maar niet op die godsgruwelijke manier. Dat geeft me rust.’

Praten over gedachten aan zelfdoding kan bij 113 Zelfmoordpreventie. Bel 0800-0113 of 113 voor een gesprek. U kunt ook chatten op 113.nl.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next