Home

‘Seks moet vooral niet comfortabel zijn: ik denk dat goede seks ontregelend, schokkend en verwarrend is’

De Amerikaanse essayist Becca Rothfeld pleit voor méér spullen, méér roddels, méér seks en minder minimalisme – haar boek heet niet voor niets All Things Are Too Small. Meditatie? Veegt ze de vloer mee aan. Consent voor je seks hebt? Ja, maar nee.

Tijdens haar studie filosofie volgde de Amerikaanse essayist Becca Rothfeld een vak over middeleeuwse literatuur. Toen las ze voor het eerst de gedichten van de 13de-eeuwse Nederlandse mystica Hadewijch. ‘Ze schrijft daarin onder meer dat aardse verlangens nooit kunnen worden gestild’, vertelt Rothfeld (32) via een videoverbinding vanuit haar huis in Washington. ‘Een van haar gedichten begint met: ‘Alle dingen zijn mij te klein.’ Ik vind dat zo’n verbluffende zin.’

De Engelse vertaling van die zin – die in de oorspronkelijke tekst ‘Alle dinghe syn my te inghe’ luidde – heeft het geschopt tot titel van haar eerste boek, de recent verschenen essaybundel All Things Are Too Small – Essays in Praise of Excess. In het eerste essay somt ze op wat er allemaal zoal te klein is. Zo hekelt ze bekers die te klein zijn en daarom eindeloze refills vereisen.

Ze schrijft ook: ‘Ik zag ooit een man in een restaurant zijn pasta opeten, hetzelfde gerecht opnieuw bestellen, het opeten, en vervolgens een derde keer bestellen en opeten. Van alle mogelijke reacties op zijn situatie was die van hem de verstandigste, maar hij zou zichzelf niet in zulke bochten hoeven wringen als er een groot genoeg bord beschikbaar was.’

Over de auteur
Gijs Beukers is mediaredacteur bij de Volkskrant. Hij schrijft vooral over televisie, podcasts en boeken.

Maar het gaat haar niet alleen om borden en bekers. Ook de eindigheid van de mens zelf, zowel van zijn lichaam als van zijn tijd op aarde, betreurt ze. ‘Ik vind het tragisch dat we niet volledig kunnen samensmelten met de mensen en de boeken waarvan we houden’, zegt Rothfeld. Daarom voelt ze zich aangetrokken tot katholieke denkers. ‘In Belijdenissen schrijft Augustinus, die leefde in de 4de eeuw, dat hij op een zeker moment acuut wordt getroffen door het besef van zijn onvermogen om dierbare dingen op aarde voor eeuwig te behouden: mensen gaan dood, spullen raak je kwijt. Voor hem was dat reden zich tot het christendom te bekeren.’

Tirade tegen opruimgoeroes

Zijzelf koos die route niet, maar het idee van een hemel, een paradijs zonder aardse beperkingen, spreekt haar aan. ‘Er is niets bewonderenswaardigs aan strijden voor een wereld die zo min mogelijk op de hemel lijkt’, schrijft ze. Haar boek is een eloquente tirade tegen de mensen die dat wel doen, zoals opruimgoeroes, meditatiecoaches en conservatieve denkers met pleidooien voor preutsheid. Ze pleit voor méér rommel, zowel in je hoofd als in je huis, méér kunst, méér roddelen, méér seks.

‘Een briljante essaybundel’, schreef The Guardian over het boek van Rothfeld, die onder meer stukken heeft gepubliceerd in The Atlantic, The New Yorker en The New York Review of Books. Nu schrijft ze voor The Washington Post en werkt ze aan Harvard aan een proefschrift over het verband tussen moraal en esthetiek. De 96-jarige schrijfster Cynthia Ozick vergeleek haar met de ‘legendarische, New Yorkse intellectuelen’ uit het midden van de 20ste eeuw, tot wie Susan Sontag, Hannah Arendt en Norman Mailer behoorden.

Inderdaad beschikt Rothfeld over een brede culturele bagage. Alleen al in het inleidende, relatief korte essay verwijst ze naar het boek Moby-Dick, de film The Dark Knight Rises, Karl Marx, de schrijfster Sally Rooney, de dichter W.H. Auden, ‘de bewonderenswaardig incoherente cultklassieker Troll 2 (waarin kobolds, maar geen trollen, voorkomen)’, en de politiek filosoof John Rawls.

Rothfeld is ‘geobsedeerd’ door die laatste – als ze de webcam van haar laptop omhoog richt, verschijnt een levensgroot schilderij van de in 2002 overleden Amerikaan, van wie A Theory of Justice het bekendste werk is. Daarin schrijft hij dat elke afwijking van een gelijke verdeling van middelen gerechtvaardigd moet zijn. ‘Dat ben ik met hem eens’, zegt Rotheld. ‘Ik ben voorstander van een dergelijke vorm van minimalisme op het gebied van politiek en economie. Maar ik denk dat mensen, als een misplaatste reactie op de excessen van het kapitalisme, minimalisme ook hebben geïmporteerd naar domeinen waar dat helemaal niet thuishoort, waar de chaos moet heersen.’

Zoals dat van het huis. In haar boek schrijft ze dat ze droomt van een huis met ‘kamers zo overvol dat ze de toegang belemmeren’, ‘een keuken propvol met room, smeltende boter en zwetende kaas. Kleren op de vloer, schoenen op het bed, bloed verroest op de lakens, modder die alle kleden bedekt.’

Rothfeld omschrijft zichzelf als een ‘hoarder’. ‘Ik ben niet zozeer gehecht aan producten, maar wel aan persoonlijke aandenkens’, zegt ze. ‘Hier liggen nog kaarten die vriendinnen me op de middelbare school hebben geschreven.’

De Japanse opruimadviseur Marie Kondo schrijft in haar bestsellers dat spullen die geen ‘joy sparken’ de prullenbak in kunnen. ‘Ik vind dat een domme regel’, zegt Rothfeld. ‘Het is ook gezond als dingen je uitdagen.’ Ze wijst naar de boekenkast achter zich. ‘Je ziet daar een aantal werken van Immanuel Kant. Ik kan moeilijk zeggen dat die joy sparken.’

Natuurlijk, zegt Rothfeld, moet je af en toe iets weggooien. ‘Maar de redenen die daarvoor worden gegeven in de boeken die ik over ontspullen heb gelezen, vind ik slecht. Wie oude brieven of erfstukken van overleden ouders weggooit, zou zich bevrijden van zijn geschiedenis. Ik denk dat dat een waanidee is, en bovendien onwenselijk: dat we verstrengeld zijn met andere mensen en dingen, maakt ons menselijk.’

Heel veel psychologen, heel veel exen

Wat ons ook menselijk maakt, zegt Rothfeld, zijn onze gedachten en emoties. Daarom is ze kritisch op meditatie- en mindfulnesspraktijken waarbij deelnemers worden aangemoedigd om de geest op te schonen.

Rothfeld heeft er ervaring mee. ‘Heel veel psychologen, heel veel exen, eigenlijk zo ongeveer alle mensen die ik ooit ben tegengekomen, hebben me geadviseerd om te mediteren’, zegt ze. De reden daarvoor is een angststoornis die bij haar is gediagnosticeerd.

Na een zelfmoordpoging in 2010, het eerste jaar van haar studententijd, besloot ze het advies op te volgen. Van haar psycholoog kreeg ze de opdracht te gaan zitten, haar ogen te sluiten, vooral níet na te denken en níet te oordelen, over niets.

Het is geen succes geworden. In haar boek doet ze verslag van een sessie. ‘De stem geeft me opdracht om me ‘bewust te worden’ van mijn ademhaling’, schrijft ze. ‘Ik was me al bewust van mijn ademhaling, en nu ben ik het iets meer, wat weinig verschil lijkt te maken. Mijn borst gaat omhoog, en weer naar beneden. Omhoog, omlaag, omhoog, omlaag, een bewijs van de saaie sluwheid van het lichaam. Wat moet ik doen nu ik me bewust ben van mijn adem? Ik denk – oeps, ik denk niet – dat ik me er gewoon bewust van moet blijven, wegkwijnend in vrome verveling.’

Haar essay over mindfulness heeft kritiek gekregen, zegt Rothfeld. Ze zou wel erg veel dédain tonen voor iets waarvan veel mensen profijt hebben. ‘Maar ik schrijf niet dat je niet dertig minuten per dag kunt mediteren’, zegt ze. ‘Ik kan me ook voorstellen dat het je enorm helpt om je los te koppelen van je gedachten als je middenin een paniekaanval zit. Ik denk alleen niet dat je je moet loskoppelen van je gedachten in het algemeen.’

Jon Kabat-Zinn, de arts die de mindfulnesstrend naar de Verenigde Staten heeft gebracht, schrijft dat wel in zijn bestsellers. Rothfeld noemt die ‘in filosofisch opzicht verschrikkelijk slechte documenten’. Je bent niet je gedachten, zegt Kabat-Zinn. Dat ben je wel, zegt Rothfeld. ‘We zijn wie we zijn, juist door onze gedachten en onze emoties.’

Er zit ook een politiek aspect aan haar kritiek op mindfulness. ‘Voor mijn essay heb ik twintig boeken over mindfulness gelezen – wat geen prettige ervaring was – en veel daarvan adviseren mindfulness aan mensen die om goede redenen ongelukkig zijn. Er wordt geschreven: ‘Lucy haat haar baan want haar baas is een eikel en ze werkt 90 uur per week. Wat moet Lucy doen? Lucy moet mediteren.’ Maar Lucy moet niet mediteren, Lucy moet een vakbond oprichten.’

Triviaal en sneu

Rothfeld, op de middelbare school verkozen tot op één na beste spreker op het nationale debatkampioenschap en nu gevreesd boekenrecensent van The Washington Post, houdt intens van precies datgene wat bij mindfulness moet worden opgeschort: het vellen van een oordeel.

Met haar man voert ze oeverloze discussies over roddelen. Hij vindt het triviaal en sneu. ‘Maar dan zeg ik dat dat komt omdat hij niet geïnteresseerd is in de mens’, zegt Rothfeld. ‘Uit roddelen blijkt, vind ik, een diep verlangen om andere mensen en sociale hiërarchieën te begrijpen. Roddel staat aan de basis van veel van mijn favoriete romans.

‘Jane Austen en Henry James bieden zo’n voyeuristisch inkijkje in de levens van anderen, ze hebben zo’n scherp oog voor de betekenis van details. Ik lees nu De ambassadeurs van Henry James. Hij beschrijft daarin een vrouw die een grijze, zijden jurk en een ketting van smaragd draagt. Dat leert je zoveel over haar status in de Parijse hiërarchie, zeker ten opzichte van de Amerikaanse stuntelaar die naast haar staat en er niets van begrijpt. En als lezer krijgt je het gevoel dat je met een vriendin over de kledingkeuzen van beroemdheden zit te roddelen.’

Rothfeld herkent zich ook in minder realistische scènes uit de populaire cultuur. In een van de essays over seks, The Flesh, It Makes You Crazy (‘Het vlees, het maakt je gek’) verwijst ze naar de bodyhorror van de Canadese regisseur David Cronenberg, zoals Shivers, een film uit 1975 waarin bewoners van een appartementencomplex na een beet van een parasiet veranderen in hitsige zombies.

Na de ontmoeting met haar man werd Rothfeld door hetzelfde lot getroffen. ‘Ik raakte in de greep van een vleselijke begeerte die vreemd en onverbiddelijk was’, schrijft ze. ‘Ik nam koude douches; ik zoog op ijsblokjes (...) Mijn lichaam werd een hongerig dier dat uitzinnige eisen bleef stellen. Het wilde wurgen; het wilde janken; het wilde gevuld worden en dan weer geleegd, het wilde nooit iets anders hebben gewild dan gevuld te worden en dan weer geleegd en dan weer gevuld, want er was geen manier waarop het naar tevredenheid gevuld kon worden zonder voor altijd gevuld te zijn.’

De recensent van The Guardian vroeg zich af hoe de echtgenoot zich voelde over dit eerbetoon. ‘Ik stel me hem voor’, schreef de recensent, ‘zittend op een stoel, met de handen voor zijn ogen.’ Rothfeld begint te lachen. ‘Mijn man had er geen problemen mee. Het is grappig, want dit essay is als voorpublicatie verschenen in The New Yorker. En de factcheckers van The New Yorker staan bekend om hun ijver. Dus belden ze hem hierover op met allerlei vragen. ‘Er staat hier dat je vuur kunt maken met stokjes. Klopt dat?’ ‘Er staat hier dat je goed kunt schaken. Klopt dat?’

Schokkende seks

Niet alle seks is een transformerende ervaring, zegt Rothfeld, maar de beste wel. Het na #MeToo losgebarsten debat over consent – instemming – moet onder meer daarom op een andere manier worden gevoerd, zegt Rothfeld. ‘Vooropgesteld: ik denk dat instemming belangrijk is. Maar mensen bedenken nu in hun hoofd hoe zij en de ander zich tijdens de seks zullen gedragen en als ze concluderen dat dat een comfortabele ervaring zal opleveren, stemmen ze ermee in.’

Die gedachte stoelt volgens Rothfeld op een aantal misverstanden. ‘Het is onmogelijk te voorspellen hoe een seksuele ervaring zal zijn, omdat een van de doelen ervan is dat je door je partner wordt verrast. Naar mijn mening kan en moet seks dan ook níét comfortabel zijn: ik denk dat goede seks intrinsiek ontregelend, schokkend en verwarrend is.’ Sowieso, zegt Rothfeld, is het onmogelijk om vooraf te weten hoe je achteraf over de seks denkt. ‘Dat komt door die mogelijk transformerende ervaring. Je waardesysteem kan daardoor veranderen.’ Volgens Rothfeld moet de instemming dan ook daarop betrekking hebben. ‘Je stemt wel of niet in met een mogelijke transformatie.’

Rothfeld is een groot voorstander van seks. ‘We moeten er veel van hebben’, schrijft ze, ‘zowel binnen als buiten het huwelijk, zowel op bed als op de vloer, zowel met mensen van wie we houden als met mensen die we nauwelijks kennen. We zouden moeten wurgen, kruipen, slaan, spugen en onszelf vooral furieus moeten overgeven.’

Seks is spel, zegt Rothfeld, en ze verwijst naar Homo ludens (‘spelende mens’), van de cultuurfilosoof en historicus Johan Huizinga. ‘Dat is echt een geweldig boek. Ik ben het helemaal met hem eens dat spel niet onserieus is. We hebben het misschien niet nodig om te overleven, maar het verrijkt ons leven. Huizinga noemt spel een esthetische bezigheid, waarmee hij bedoelt dat het iets is met een intrinsieke schoonheid, net als kunst. Het heeft geen ander doel dan zichzelf. Ik denk dat hetzelfde geldt voor seks.’

Ze veegt dan ook de vloer aan met ‘nieuwe puriteinen’ voor wie seks vooral een middel is tot een groter doel. ‘Heel conservatieve denkers in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk willen dat je je er alleen mee voortplant’, zegt Rothfeld. ‘Iets minder conservatieve denkers vinden dat het een uitdrukking moet zijn van liefde voor en levenslange toewijding aan een partner.’ Maar ook een onenightstand kan volgens Rothfeld, die haar huwelijk als ‘prachtig geperverteerd’ omschrijft, een transformerende en betekenisvolle ervaring zijn.

Een cruciale rol bij seks wordt gespeeld door wachten, schrijft Rothfeld in een essay. ‘Seksuele voldoening vereist dat men pijnlijk uitstelt naar wat men dringend verlangt.’

De pijn van verliefd zijn

Ook een ontluikende liefde gaat gepaard met wachten. Ze citeert de Franse filosoof Roland Barthes, die in De taal der verliefden, een boek uit 1980, schrijft: ‘Ben ik verliefd? Ja, want ik wacht. De ander wacht nooit. Soms wil ik de rol spelen van degene die niet wacht: ik probeer mezelf bezig te houden, te laat te komen, maar ik verlies altijd bij dit spel. Ook al heb ik verder niets te doen, ik ben toch stipt op tijd, of zelfs te vroeg. De fatale identiteit van de minnaar is precies dit: ik ben degene die wacht.’

In haar boek beschrijft ze hoe ze na een nacht met een man wacht op het rituele appje waarin staat dat hij het leuk heeft gehad – en dat toch wel binnen 24 uur verstuurd moet zijn. Dit is een eeuwenoud gebruik, leerde Rothfeld tijdens de research. ‘Al in de roman Het verhaal van Genji, uit de 11de eeuw, staat dat een man na een nachtelijk bezoek binnen een bepaalde tijd een brief moet sturen die aan zekere regels moet voldoen.’

Een groot deel van het essay gaat over de pijn die mensen voelen als iemand op wie ze verliefd zijn, niet reageert. Maar er is ook nog een andere vorm van wachten, zegt Rothfeld. ‘Roland Barthes schrijft dat het Grieks twee woorden voor wachten kent: een heeft betrekking op iemand die afwezig is, en de ander heeft betrekking op iemand die aanwezig is, maar met wie je vollediger zou willen samensmelten dan op aarde mogelijk is. Ergens ben ik constant op mijn man aan het wachten. Niet omdat hij niet reageert, maar omdat ik hem zou willen verslinden, en dat kan ik niet.’

Rothfeld staat ambivalent tegenover wachten – en verlangen in het algemeen. ‘In de tekst Het symposium schrijft Plato dat je alleen van dingen houdt waarnaar je verlangt, en je verlangt alleen naar dingen die je niet hebt. Ik denk dus dat de plezierigste ervaringen vaak ook pervers pijnlijke ervaringen zijn, omdat ze draaien om verlangens die nooit volledig kunnen worden vervuld.’

Becca Rothfeld: All Things Are Too Smalll – Essays in Praise of Excess. Metropolitan Books; 304 pagina’s; € 22,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next