Wilde bijen kunnen net als andere bedreigde insecten wel wat hulp gebruiken. Aan initiatieven is geen gebrek, maar werken ze ook? Bijen helpen blijkt zo eenvoudig nog niet – al is niets doen altijd slechter.
Het was u natuurlijk niet ontgaan: maandag 22 april was een bijzondere dag. Nationale Zaaidag. Tevens het startschot voor de campagne ‘Voer de bij bij’, waarmee de natuurorganisatie The Pollinators sinds 2016 de bijen (en andere insecten) wil redden van de dreigende ondergang door de juiste bloemen en planten voor ze te verspreiden.
Wie wil meedoen, kon de afgelopen weken op meer dan vierduizend afhaalpunten door het hele land in totaal zo’n 140 duizend gratis zakjes bloemzaad ophalen. De uitgezaaide (inheemse) bloemen moeten de ‘nectardichtheid in buurten en straten omhoogbrengen’, en zo als ‘voedselbanken’ dienen voor de bijen.
Over de auteur
Jean-Pierre Geelen is wetenschapsredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft over natuur en biodiversiteit.
Dat de insecten wel een steuntje in de rug kunnen gebruiken, is al jaren geen geheim meer. Bekend is het alarmerende onderzoek van de Radboud Universiteit uit 2017, dat vaststelde dat de insectenstand in Duitsland in 27 jaar tijd met 75 procent biomassa was afgenomen. Bestrijdingsmiddelen, steeds vroegere lentes door klimaatverandering en de grotendeels betegelde tuinen vormen een serieuze bedreiging voor de wildebijensoorten. Biologische bloemperken in tuinen en steden zouden een reddingsboei kunnen zijn, is de gedachte.
Sinds dat roemruchte onderzoek gonst het van de initiatieven om wilde bijen, zweefvliegen en andere insecten te redden. Begrijpelijk en nodig ook, want volgens het EIS Kenniscentrum Insecten is 80 procent van de inheemse planten in Nederland – waaronder veel ‘voedselgewas-verwante soorten’ – voor hun voortplanting afhankelijk van bevruchting door insecten.
Maar her en der zien we toch bijenkasten staan op weilandjes en ander buitengebied? Inderdaad, maar dat gaat meestal om honingbijen, gehouden door imkers die het om de honing te doen is. Die bijen worden niet beschouwd als wilde bijen, en hoewel de zaak nog in onderzoek is, lijkt het er sterk op dat de allesetende honingbij een extra concurrentie vormt voor de 360 soorten wilde bijen, waarvan de helft de status ‘bedreigd’ heeft.
The Pollinators is een van die initiatieven. De organisatie is al sinds 2016 actief, maar helemaal zonder slag of stoot ging het niet. Nils van Rooijen, plantenecoloog aan de Wageningen Universiteit, is een vraagbaak voor de organisatie. Met reden, want ondanks de goede bedoelingen zag Van Rooijen in het begin iets fout gaan. Dat heeft weer te maken met zijn belangstelling: als ecoloog bekommert hij zich om het veiligstellen van de genetische diversiteit van wilde planten. Met de organisatie Het levend archief verzamelt hij zaden van inheemse plantensoorten om die op te slaan in de Nationale Zadencollectie. Ook dat is nodig, zegt hij: ‘Eenderde van de Nederlandse inheemse flora staat op de Rode Lijst van bedreigde soorten.’
Vandaar dat het sympathieke initiatief van The Pollinators zijn aandacht trok. Al snel maakte de ecoloog zich zorgen over de zadenmengsels die de club uitdeelde: die zaten vol bloemsoorten van buitenlandse afkomst. ‘Genetisch waren die maar van een paar bronpopulaties, soms waren het zelfs klonen’, zegt Van Rooijen. ‘Zo introduceer je hier een heel smalle genetische basis, die soms niet eens lijkt op de variëteiten die we hier van nature hebben.’ Dat is later allemaal goed gekomen: de zadenmengsels van The Pollinators zijn nu geheel inheems.
Het geval staat niet op zichzelf: nogal wat goedbedoelde initiatieven om de insecten te helpen kennen soortgelijke bijverschijnselen. Niet uit kwade wil, maar uit onwetendheid, zegt Van Rooijen. In veel gemeenten worden bermen ingezaaid met wilde bloemen (en soms te vroeg weer weggemaaid). Van Rooijen: ‘Daar zitten nogal eens exoten tussen, uitheemse soorten dus. Of doorgekweekte inheemse soorten. Zo zie je weleens enorme korenbloemen in bermen of velden staan. Soms zijn daarvoor de vruchtbare binnenste bloemen met stuifmeel omgevormd tot steriele straalbloemen om maar een mooie, volle bloem te krijgen. Ze dragen namen als Blue Boy, of Blue Ball. Mooi, maar ze zijn niet aangepast aan het leven van inheemse insecten. Zo worden hier ook veel uit Oost-Europa afkomstige sleedoorns neergezet. Die bloeien twee maanden te vroeg voor onze insecten.’
Zo ingewikkeld is het dus om iets goed te doen. Complicerende factor is volgens Van Rooijen dat er nog vrij weinig bekend is over hoe inheemse soorten het precies doen. ‘De kiemingsbiologie gedraagt zich niet altijd volgens de internationale literatuur. De vraag is of een margriet uit Zuid-Limburg wel exact dezelfde soort is als die op een Friese dijk. Soms zitten er grote verschillen in ‘dezelfde soort’ in één land, bijvoorbeeld doordat ze groeien op een andere bodemsoort.’
Voorzichtigheid blijft geboden, ook voor wie goed wil doen voor de bijen, zegt Van Rooijen: ‘Ook als je inheemse planten inzaait, is mijn advies: doe dat vooral in je eigen tuin of straat, maar niet daarbuiten. Het is meestal toch gekweekt materiaal, we weten nog onvoldoende wat het effect van al dat inzaaien is. En dus bestaat het risico dat het in de vrije natuur kan leiden tot een variatie waarvan je de gevolgen niet kent.’
Met zo’n variatie zijn insecten niet altijd geholpen. ‘Veel bijensoorten zijn generalisten, die ook op exoten wel voedsel kunnen vinden. Maar er zijn ook soorten die specifieke plantensoorten nodig hebben. En dan hebben we het nog niet over plantparasieten en alle andere insectensoorten en fauna rondom een plantensoort, die ook een bijdrage aan het ecosysteem leveren. Op inheemse soorten vinden we 25 keer meer van die specialisten dan in exotische zadenmengsels.’
Initiatieven genoeg. Zoals het project van Honey Highway, dat samen met bedrijven en overheidsinstanties bloemenbermen, velden en bijenparken aanlegt door het hele land. In talloze particuliere buurt-apps wisselen burgers zaden en planten uit. Zelfs veel tuincentra verkopen tegenwoordig zakjes met zaad dat goed voor de insecten zou zijn, al is in die laatste categorie vaak onbekend of het wel louter inheems zaad betreft.
Ook een grote stad als Rotterdam bekommert zich om de bij: de gemeente is overgegaan op ‘natuurlijk grasbeheer’, waarbij bloemrijke bermen en andere groenstroken gefaseerd worden gemaaid, zodat niet in één keer alle voedsel voor insecten wordt weggemaaid (en schuilplekken voor vlinders en egels overblijven). Rotterdam is niet de enige: de Vlinderstichting heeft de verkiezing van de BovensteBeste Bermbeheerder in het leven geroepen, om de bermbeheerder te eren die onder andere met maaibeleid het meeste rekening houdt met de biodiversiteit.
De vraag is natuurlijk of al die projecten ook een positief effect hebben op de bijenstand en de biodiversiteit. Die is niet eenvoudig te beantwoorden. Dat blijkt bijvoorbeeld uit een ander project: de Nationale Bijentelling, sinds 2018 een jaarlijks publieksevenement waarmee Naturalis, IVN Natuureducatie en LandschappenNL burgers oproept zoveel mogelijk informatie over bijen te melden, om die beter te kunnen helpen.
Vorig jaar, bij het vijfjarig jubileum, liet de organisatie een ‘bijenstrategie’ opmaken, een plan om de achteruitgang van bestuivers vóór 2030 te stoppen. Daarin werd ook de vraag gesteld of de populaties van bestuivers al zichtbaar waren toegenomen door reddingsacties. Conclusie: ‘Er zijn niet voldoende monitoringgegevens beschikbaar om hier een harde uitspraak over te doen.’ Vandaar dat het rapport het advies onderstreepte van het EIS Kenniscentrum Insecten om een systematische monitoring op te zetten van wilde bijen.
Hoe dan ook: ‘Niets doen is altijd slechter’, zegt Koos Biesmeijer, wetenschappelijk directeur van Naturalis en bijenkenner. Ook hij zag wel dat de ‘meer dan honderd’ initiatieven voor bijen en andere insecten niet automatisch het gewenste doel zouden halen. ‘Een bijenhotel ophangen is niet de oplossing, zolang je verder niets verandert’, zegt hij. Inzaaien kent ook volgens Biesmeijer z’n risico’s en is niet elk jaar nodig wanneer beheerders de planten na de bloei zouden laten staan, in plaats van wegmaaien. ‘Maar al dit soort kleine acties vallen in het niet wanneer mensen intussen nog gif op hun planten blijven spuiten of hun huisdier behandelen met chemische antivlooienmiddeltjes waardoor de bijen alsnog sterven’, aldus Biesmeijer.
Niettemin: de resultaten van de jaarlijkse bijentelling (dit jaar verlengd van een weekend naar tien dagen), bieden voorzichtig hoop. Vorig jaar leidde kou tijdens het telweekend tot minder getelde bijen, maar in 2022 bleek dat het met de gehoornde metselbij ‘stabiel goed’ gaat: tien jaar eerder was die bij nog schaars, sinds een paar jaar staat hij in de toptien van meestgetelde bijensoorten. De bij profiteert vermoedelijk van klimaatverandering. De bekende honingbij werd minder geteld, maar dat kwam vermoedelijk door een zachte en vochtige winter, waardoor meer honingbijen stierven. De hommelbijvlieg veroverde voor het eerst een plek in de toptien.
Het is nog niet te laat voor de bijen, zo lijkt het. Tuinen en steden blijken van steeds groter belang voor de bij. ‘De stad is tegenwoordig vaak interessanter voor insecten dan het platteland’, zegt ecoloog Nils van Rooijen. ‘De vroegere en steeds grilliger lentes in combinatie met de betegelde Nederlandse tuinen helpen de wildebijensoorten niet. Om ze een overlevingskans te geven zijn inheemse bloemen en planten in de tuin steeds belangrijker. Door ervoor te zorgen dat er in jouw tuin een divers bloemenperk staat, draag je direct bij aan meer biodiversiteit.’
Wilde bijen zijn geholpen met biologische (dus onbespoten) inheemse plantensoorten die veel nectar en stuifmeel bevatten. Wie ze in tuin of balkon wil zaaien, doet dat het best met een mengsel van soorten waarvan tussen februari tot november altijd iets in bloei staat. De webapplicatie Bijenplanten noemt bijna vijfhonderd soorten, van Spaanse aak tot blauwe regen. Zie bijenplanten.ontwikkelcentrum.nl.
Geselecteerd door de redactie
Bioboeren smachten naar goedkopere landbouwgrond – burgers schieten te hulp en kopen grond
Heineken schenkt uitstervende Britse pubs een tweede leven: ‘Er breken betere tijden aan’
Countryster Lainey Wilson schrijft al 20 jaar liedjes ‘maar het voelt alsof alles nu pas begint’
Source: Volkskrant