Roger Corman maakte honderden goedkope cultfilms én was pleitbezorger van de deftigste cinema. Als regisseur bood hij kansen aan de grootste filmsterren van deze en vorige eeuw en introduceerde hij Europese makers als Fellini en Bergman in de VS. Donderdag overleed hij op 98-jarige leeftijd.
Het epitheton ‘unieke figuur’ wordt al te vaak gebruikt, maar in het geval van Roger Corman was dat echt zo. Zonder noemenswaardig budget sleutelde hij in de marge van Hollywood talloze cultfilms in elkaar, en was hij de filmvader voor een hele nieuwe generatie.
Gewelddadige zeebeesten (Monsters from the Ocean Floor; 1954), op hol geslagen vrachtwagenchauffeurs (de oorspronkelijke The Fast and the Furious; 1955), vrouwelijke delinquenten (Swamp Women; 1956), gek geworden wetenschappers (Attack of the Crab Monsters; 1957), en veel, heel veel Edgar Allan Poe. Meestal deed daar dan de diabolische acteur Vincent Price mee.
Het was goed griezelen met Roger Corman, en dat dan allemaal voor een habbekrats. Alles in zwart-wit, in tien draaidagen erop, voor nog geen honderdduizend dollar. Niet voor niets luidt de titel van zijn autobiografie uit 1990 How I Made a Hundred Movies in Hollywood and Never Lost a Dime. Daar zat geen gesnoef bij, en voor liefhebbers van de betere B-film is het nog steeds een heel leuk boek om te lezen.
Over de auteur
Rob van Scheers schrijft voor de Volkskrant over film, non-fictie, thrillers, muziek en graphic novels.
We volgen hem als jonge twintiger in de aanloop van zijn carrière op de postkamer van 20th Century Fox, de grote filmstudio waarbinnen de in Detroit geboren Corman vanaf 1950 al snel een positie als scriptdokter wist te veroveren. Toen hij evenwel voor de western The Gunfighter met Gregory Peck geen credit kreeg op de aftiteling, dacht hij: bekijk het maar – en ging Engelse literatuur studeren aan Oxford. Die zijsprong was een van zijn vele onvermoede kanten.
De lokroep van de speelfilm bleef. Met zijn ‘dan doe ik het zelf wel’-mentaliteit begon hij na zijn terugkeer in Los Angeles het filmmaatschappijtje Palo Alto Productions, geholpen door zijn broer Gene die als agent al de nodige contacten had. Roger was de scenarist, regisseur én producent, een veelheid aan petten die hij altijd zou blijven dragen.
De opkomst van ‘A Roger Corman Film’ – die term groeide uit tot een kwaliteitskeurmerk – viel samen met de hoogtijdagen van de drive-in bioscopen, dat typisch Amerikaanse fenomeen. Tot zijn grootste fans mocht hij Stephen King en ook Joe Bob Briggs rekenen, de Texaanse chroniqueur die met titels als Joe Bob Goes to the Drive In (1987) en Joe Bob Goes Back to the Drive In (1990) het genre nog eens uitbundig vierde.
De klad kwam in de drive-in door de televisie en later VHS, en Corman besloot te tekenen voor een handvol grote films bij de grote studio’s United Artists en Columbia. Daar kwam helaas weinig van terecht. ‘Ieder idee dat ik opperde werd als té vreemd gezien, té maf, en al hun ideeën vond ik dan weer te voorspelbaar, te alledaags.’
Uitkomst bood de onafhankelijke studio American International Pictures waar ze het genie van Roger Corman wel herkenden. En het was daar dat hij de geuzennaam ‘The Spiritual Father of New Hollywood’ verdiende, omdat hij een hele generatie aan nieuwkomers liet optreden: Jack Nicholson, Nancy Sinatra, Peter Fonda, Dennis Hopper, Bruce Dern, allemaal zijn ze schatplichtig aan Corman – goed voorbeeld is de door hem geregisseerde cultfilm The Trip (1967).
En het bleef niet alleen bij acteurs, want hij ontpopte zich ook als mentor voor aankomende regisseurs van het kaliber Francis Ford Coppola, Peter Bogdanovich, Martin Scorsese, Jonathan Demme, Curtis Hanson en Daniel Haller.
Nu hij was uitgegroeid tot een sleutelfiguur binnen de hipste Amerikaanse cinema maakte hij in al zijn dwarsigheid een zoveelste doorstart met zijn nieuwste nieuwe eigen filmmaatschappij: New World Pictures. Dat was in 1970, en de firma maakte met The Big Doll House (1971; met een hoofdrol voor de totdantoe telefoniste Pam Greer) zelfs winst. Een stroom aan minimal movies volgde, en bij New World Pictures deden ze ook nog iets anders: de distributie van Europese topfilms die normaal gesproken de zalen overzee nimmer haalden.
Zo werd Roger Corman de Amerikaanse advocaat van François Truffaut, Ingmar Bergman, Federico Fellini en Volker Schlöndorff, plus de Japanse grootmeester Akira Kurosawa.
Van B-filmmaker tot pleitbezorger van de deftigste cinema, het is nogal wat. Navolgers als Quentin Tarantino zijn hem er nog altijd dankbaar voor. Geen wonder dus dat Corman in 2009 een ere-Oscar voor zijn gehele loopbaan ontving, Hij was inmiddels 83 jaar, maar het bleek nog ruim op tijd. Pas afgelopen donderdag, 9 mei, overleed hij thuis in Santa Monica, Californië, 98 jaar oud. Roger Corman zal als een ‘unieke figuur’ de filmgeschiedenis ingaan.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant