Ongeveer zeventienhonderd klimmers gaan begin mei naar de top van de Mount Everest. De commercialisering van de berg begon veertig jaar geleden, en Nederlandse expeditieklimmers zagen het gebeuren.
Met verrekijkers hielden de klimmers elkaar in de gaten. Soms zwaaide de ene kijker en dan zwaaide de ander schaapachtig terug, maar verder was de stemming in het basiskamp van de Mount Everest beneden alle peil. Tussen de tentenkampjes van de Nederlandse Mount Everest Expeditie 1984 en iets verderop de Nepal Police First Sagarmatha Cleaning & Preservation Expedition broeide in het najaar van 1984 een wekenlang conflict dat zich toespitste op één vraag: wie heeft het recht de berg te beklimmen?
Het basiskamp van de 8.848 meter hoge Mount Everest is tegenwoordig een luxe en vooral erg druk tentendorp, maar tot het midden van de jaren tachtig kwamen hooguit een paar expedities per jaar naar de hoogste berg ter wereld. In 1984 was het kamp nog een spartaanse aangelegenheid. De Nepalese politie-expeditie had een met de fiets aangedreven morse-apparaat, de Nederlanders beschikten over een mechanische typemachine. Dat was het wel, qua luxe.
In deze rubriek duikt de wetenschapsredactie in historische archieven op zoek naar verhalen met een parallel met het heden.
Toegang tot de Nepalese zuidkant van de berg werd (en wordt) gereguleerd door het ministerie van Toerisme in Kathmandu. Per seizoen gaf het ministerie één vergunning per route. Een expeditieteam had dus op papier het hele seizoen de route voor zichzelf. Meer teams op één route zagen klimmers als onsportief en gevaarlijk.
En zo begonnen de problemen. Het Nepalese politieteam kwam namelijk niet alleen maar om schoon te maken. De Nepalezen hadden een betalende gast, de Amerikaanse miljonair Dick Bass, die de hoogste toppen van alle zeven continenten wilde beklimmen. Alleen de Mount Everest ontbrak nog aan zijn rijtje. In 1983 was hij vanwege diepe sneeuw vlak onder de top omgekeerd. Nu had hij zich ingekocht in de schoonmaakexpeditie.
Bass wilde naar de top – zoveel was duidelijk – maar ook de Nepalese expeditieleider, inspecteur Yoghendra Thapa, was weinig geheimzinnig over zijn ambities. In een interview met de Engelstalige Kathmandu Post zei hij dat op de top van de berg mogelijk twee of drie lege zuurstofflessen lagen, achtergelaten door klimmers. ‘Dus we gaan proberen de Everest schoon te maken van het basiskamp tot de top.’
Enige punt: de Amerikaan en de Nepalezen hadden geen vergunning.
De Nederlanders, die geen zin hadden in een tweede team op ‘hun’ route, maakten bezwaar bij het ministerie van Toerisme. De politie-expeditie sloeg terug en verbood de Nederlandse klimmers gebruik te maken van Nepalese ladders en touwen in de Khumbu-ijsval, een gletsjerspletenzone op ongeveer 5.800 meter en een van de gevaarlijkste passages op de berg.
Het leidde tot een gespannen, maar vooral absurde situatie. Eerst bouwden Nederlanders hun eigen beveiligde route door de ijsval, pal naast de politieroute. Later gaf de politie de sherpa’s in het Nederlandse team wél toestemming om de ijsvalroute te gebruiken. Agenten met zaklantaarns controleerden ’s ochtends bij de gletsjer of Nederlandse klimmers zich niet stiekem hadden vermomd als Nepalezen.
De zaak liep hoog op. Expeditieklimmer Bart Vos, die later claimde dat hij de top zou hebben bereikt, beweert in zijn Himalaya-dagboek (1988) dat de toenmalige koning Birendra uiteindelijk ingreep door de ‘schoonmaakexpeditie’, en dus óók de aangesloten Amerikaanse klimmers, van de berg te verbannen tot het einde van de Nederlandse expeditie.
Ergens in het hele proces moet bij iemand in Kathmandu een lampje zijn gaan branden: vergunningen voor de Everest waren geld waard. Binnen een paar jaar tijd explodeerde het aantal afgegeven permits. Dit jaar proberen ongeveer zeventienhonderd mensen de berg vanaf de Nepalese kant te beklimmen.
Ook de prijs van de vergunningen schoot omhoog. De Nederlandse expeditie betaalde in 1984 aanvankelijk 3.000 gulden, een bedrag dat later opliep naar 9.000 gulden (omgerekend naar nu 9.750 euro) voor het gehele team. Vanaf volgend jaar betalen klimmers 15.000 dollar (ongeveer 14.000 euro) per persóón.
Over het verdere verloop van de Nederlandse expeditie zijn boeken volgeschreven. De claim van Bart Vos werd vrijwel onmiddellijk in twijfel getrokken door Tsjechoslowaakse klimmers die een paar dagen later op de top stonden. Bijna niemand gelooft nog dat Vos de top haalde. In de gezaghebbende Himalayan Database staat de claim gemarkeerd als unrecognized – niet erkend.
Dick Bass bereikte in 1985 alsnog de top van de Everest. Daarmee was hij de eerste persoon die de Seven Summits voltooide. (Of niet. Bass bewandelde voor zijn lijstje de 2.228 meter hoge Mount Kosciuszko op het vasteland van Australië. De hoogste top van Oceanië is met 4.884 meter feitelijk Puncak Jaya/Carstenszpiramide op Irian Jaya.) Zijn opeenvolgende Mount Everest-expedities gelden als het begin van de commercialisering van de berg. Wie tegenwoordig naar de hoogste top ter wereld wil, kan voor een bedrag tussen de 50- en 100 duizend dollar een verzorgde reis boeken, inclusief eigen sherpa.
Kort na het vertrek van de Nederlanders bereikten de Nepalese expeditieleider Thapa en sherpa Ang Dorje de 8.000 meter hoge Zuidcol van de berg. Daarna klommen ze verder naar de top, maar op ongeveer 8600 meter kwamen ze om het leven bij een val. Ironisch, of eerder tragisch, genoeg heeft de schoonmaakexpeditie als wegbereider van de commercialisering vooral bijgedragen aan de hoeveelheid zuurstofflessen, kapotte tenten en wat al niet meer op de Mount Everest. Op de hellingen boven het basiskamp ligt tegenwoordig ongeveer 50 ton vuilnis en diepgevroren ontlasting. Daarnaast liggen er de stoffelijke resten van naar schatting tweehonderd klimmers die achterbleven op de berg, onder wie nog altijd inspecteur Yoghendra Thapa en Ang Dorje.
Over de auteur
Ernst Arbouw schrijft voor de Volkskrant over historische onderwerpen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant