Home

Laten we hopen dat er zo min mogelijk oplossingen en maatregelen in een coalitieakkoord staan

Elk moment kan het gebeuren, terwijl ik dit schrijf. Er kan een coalitieakkoord komen. Of juist niet. Zo ja, dan hoop ik dat het een andere behandeling krijgt dan gewoonlijk.

Waar zouden we op moeten letten?

Belangrijk is dat er zo min mogelijk maatregelen in staan. Maatregelen uit coalitieakkoorden maken veel kapot. Ze komen tot stand onder omstandigheden die nauwelijks goede ideeën kunnen opleveren. Want voor een goed idee begin je in de praktijk. Wat komt de burger tegen? Voor welk probleem wordt een oplossing gezocht? Wat kan hij zelf doen, eventueel met anderen? En waarin kan de overheid hem en zijn gemeenschap ondersteunen?

Of een goed idee ontstaat doordat je ver vooruitkijkt. Wat zijn de grote vraagstukken? Op grond van welke waarden wil je die het hoofd bieden? In een coalitieakkoord zou een regering idealiter hoogstens opschrijven wat zij belangrijk vindt, in welke richting ze denkt. En regeren zou eruit bestaan dat zij al doende uitzoekt hoe een klein aantal langetermijndoelen te bereiken is. Dat kost tijd, dus dat krijg je niet voor elkaar in de hogedrukpan van een formatie.

Maar zo gaat het normaal niet. Politieke partijen zitten aan een onderhandelingstafel met plannen die veel te ver uitgewerkt zijn. Of het goede plannen zijn, weten ze vaak niet. Partijen zijn niet erg geworteld in de samenleving en missen deskundigheid. Het zijn kleine organisaties waarbinnen mensen die erg op elkaar lijken – onder wie veel politieke professionals – elkaar bevestigen. In het geval van de PVV is er niet eens een partij.

En die plannetjes, die zijn nogal eens gelanceerd om kiezers te trekken. Want een trouwe achterban is er niet. Vervolgens onderhandelen partijen om zo veel mogelijk scorende plannetjes in een akkoord te krijgen. Dan kunnen ze laten zien wat ze hebben ‘binnengesleept’. Of nog erger: partij A en partij B willen allebei niet toegeven en smeden twee slechte plannetjes tot één superslecht plan.

Zo gedragen partijen zich omdat ze weten dat zo’n akkoord in eerste instantie in termen van winst en verlies zal worden besproken. De olijk-schampere tv-duiders die erover aan het woord komen, weten niet of maatregelen zullen werken. Dat vergt journalistiek onderzoek en dat wordt pas later gedaan, als er niet meer zoveel mensen opletten. Wat duiders wel snel kunnen, is een akkoord naast verkiezingsprogramma’s leggen en zeggen: partij A heeft meer gekregen dan partij B. Hierdoor worden de plannen trofeeën voor partijen.

Over de auteur
Kustaw Bessems is columnist van de Volkskrant en host van de podcast Stuurloos. Hij heeft een bijzondere belangstelling voor openbaar bestuur. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Vervolgens worden al die plannen uitgestort over het bestuurlijk apparaat. Dat is vermolmd en overbelast, zo heb ik de afgelopen jaren gemerkt toen ik het van wat dichterbij bekeek. Dus daar wordt tegengesputterd. Maar over het algemeen drukken loyale topambtenaren de wensen van hun politieke bazen toch door. Zelfs al wordt alsnog duidelijk hoe slecht een plan is, dan hebben politici allang het gevoel dat ze niet meer terug kunnen. Hoe groot de ravage zal zijn en hoeveel mensen gedupeerd zullen raken, dat moet tien jaar later maar worden vastgesteld in een parlementaire enquête.

Volgens Josine Teeuw, een oud-ambtenaar die promoveerde op het ‘verdwijnen van visie, kennis en tijd uit Den Haag’, is er buiten beeldvorming nog een reden waarom het zo verleidelijk is om heel precies omschreven oplossingen in coalitieakkoorden te zetten. Alles wordt doorgerekend. Want geld kun je tellen en dat geeft de schijn van controle. Maar een bedrag zegt weinig over wat er feitelijk gebeurt. Een heleboel dingen waarvoor een overheid moet zorgen, kun je moeilijk exact in geld uitdrukken, zoals maatschappelijke vrede, veiligheid of schone lucht.

Teeuw vindt dat aan elke keuze ‘een periode van inhoudelijke oriëntatie en aarzeling’ vooraf moet gaan. En die aarzeling zou nadrukkelijk moeten kunnen leiden tot de conclusie dat het beter is om niets te doen. Zulke bedachtzaamheid is nog harder nodig dan vroeger, omdat onze samenleving zo ingewikkeld is. Beleid is steeds vaker herstellen van schade die eerder beleid heeft aangericht. Teeuw komt daarom tot een drastische aanbeveling: ‘Het woord ‘oplossing’ in combinatie met de woorden ‘problemen’ en ‘geld’ moet in Den Haag verboden worden’, schrijft ze.

Het zou al veel schelen wanneer we de eerste, giftige fase met de winst- en verliesrekening oversloegen. Wanneer het gesprek direct zou kunnen gaan over de merites van voorstellen. Of beter nog: over wat eraan vooraf is gegaan. Een goede vraag zou zijn: ‘Bent u niet een beetje te specifiek? Kunnen we eens uitzoomen en het hebben over uw probleemanalyse? Deugen uw vooronderstellingen?’ In plaats van altijd maar: ‘Hoe gaat u dit oplossen? Word eens concreet.’

O ja, en er is nog iets – zeker met de coalitie die nu mogelijk wordt gevormd – waar we het bij verschijnen van een akkoord snel over zouden kunnen hebben: waar staat het op gespannen voet met de rechtsstaat? Elke burger, zeker een journalist, hoort dit te kunnen inschatten. Toch is het twijfelachtig of dit zal gebeuren. Rechtsstatelijkheid zou een wezenskenmerk van onze democratie moeten zijn, maar wordt behandeld als een willekeurige mening. En meningen zijn niet objectief. Zeggen wie er wint en wie er verliest, dat is wel objectief. Het is rampzalig, maar veilig.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next