De invloedrijke welzijnsdenker Jos van der Lans (70) schreef 37 jaar lang columns over de verhoudingen tussen overheid, markt en burger. Onlangs zwaaide hij af. ‘Bij beleid zit onder de mooie woorden vaak heel veel ruimte om mooie dingen af te breken.’
Sinds vorig jaar zijn de bewoners van het Oostelijk Havengebied in Amsterdam zelf trots eigenaar van buurtcentrum De Eester. Maar de sleutelkluis openen blijkt nog best lastig. ‘Jij wist de code toch?’, vraagt Jos van der Lans met lichte wanhoop in zijn stem aan de coördinator van de buurtcoöperatie.
De gekozen cijfercombinatie klopt, maar het kastje klemt nogal, zo blijkt. Hier in De Eester brengt welzijnsdenker Jos van der Lans (70) als buurtbewoner in de praktijk waarover hij al tientallen jaren schrijft, namelijk wat burgers kunnen doen om hun eigen leefomgeving te verbeteren.
Samen met collega Nico de Boer muntte Van der Lans in 2011 het begrip ‘burgerkracht’, de term die de overheid gretig overnam voor de grootschalige overheveling van zorgtaken naar de gemeenten, nu bijna tien jaar geleden. Zo geldt Van der Lans als een ideologisch inspirator van die decentralisaties – deels tegen wil en dank, zal hij later uitleggen.
Toch is hij nooit van zijn geloof gevallen, blijkt in het buurtcentrum. De woningbouwcorporatie beschouwde het uitbaten van een buurthuis niet langer als haar taak en wilde het gebouw daarom verkopen. Totdat wijkbewoners opperden om zelf het buurtcentrum te kopen. Dat lukte: vierhonderd buurtbewoners kochten obligaties, waarmee de benodigde 425 duizend euro eind 2022 bijeenkwam.
Het gebouw moet het hart worden van uiteenlopende activiteiten die de sociale samenhang en het welzijn in de buurt moeten vergroten. Maandelijks is er een weggeefkraam en repaircafé, er wordt een cursus klimrozen snoeien georganiseerd, een werkgroep is bezig met de energietransitie en het Eesterkoor zingt wekelijks Ramses Shaffy.
De buurtcoöperatie begeeft zich ook op terreinen waar vroeger de staat heerste. Door burenhulp te te organiseren en ondersteuning te bieden aan eenzame ouderen, bijvoorbeeld. En door wijkgenoten die minder mobiel zijn te vervoeren met een soort golfkarretje: de Eestermobiel.
‘Het is eigenlijk een ouderwetse vorm van opbouwwerk door actieve bewoners’, zegt Van der Lans. Binnen is de verbouwing in volle gang. Een rolsteiger barricadeert de centrale ruimte. Een oranje wand is zeegroen geschilderd. ‘Maar het is zeker nog niet af.’ De gemeente moet bovendien nog een vergunning verlenen voor het doorbreken van het muurtje dat voor de hoofdingang het trottoir van de openbare weg scheidt. ‘Mensen moeten hier zo kunnen binnenlopen.’
Jos van der Lans studeerde in de jaren zeventig psychologie in Nijmegen. In 1978 werd hij lid van de CPN, de communistische partij die hij in 1986 weer verliet. Later was hij Eerste Kamerlid voor GroenLinks. Faam verwierf hij vooral als publicist. Voor het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken schreef hij 37 jaar columns, tot hij vorige maand 70 werd en afzwaaide.
Van der Lans beschouwde en bekritiseerde niet alleen; hij was zelf een belangrijke katalysator van veranderingen in de sociale sector. Titels van zijn boeken en essays – waaronder Burgerkracht – echoden steevast na tijdens zorgcongressen en in gemeentehuizen, waar ‘welzijn nieuwe stijl’ keer op keer opnieuw werd uitgevonden. Modern paternalisme, Koning burger, Ontregelen, Eropaf!, Sociaal doe-het-zelven: het werden geijkte begrippen voor hulpverleners en politici.
Uitdijende zorgorganisaties, vercommercialisering, hoe procesdenken en regelzucht ten koste gingen van professionele autonomie en gezag, de opmars van consultants, de kloven tussen systeem- en leefwereld, tussen beleid en praktijk: Van der Lans schreef veel over van alles. Maar vooral over het belang van eigen initiatief en nieuwe vormen van gemeenschap, om de leemte te vullen tussen overheid en markt. Zie de titel van zijn jongste columnbundel: Van onderop.
Hij verbaast zich daarbij vaak over het gebrek aan historisch besef. Daarom pleit hij voor ‘retro-innovatie’: vernieuwing waarbij het goede van vroeger behouden blijft.
Je eerste column in 1987 ging over de sluis die toen net op het ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur was geïnstalleerd.
‘Dat was hilarisch. Daarvoor liep je het ministerie binnen en haalde je er subsidie op. Toen kwamen die poortjes. Maar de pasjes werkten natuurlijk vaak niet, waardoor mensen steeds maar tegen gesloten deuren aanliepen.
‘Het is ook metaforisch voor de veranderde verhouding tussen overheid en burgers, voor hoeveel instituten zich achter barrières hebben verschanst. Of je nu een zorgverzekeraar of energieleverancier belt, je belandt altijd in een keuzemenu. Maar wat jij wilt, zit er niet tussen. Echt contact is bijna ondoenlijk. Heel veel instituten zijn expertocratieën geworden: bolwerken van deskundigheid, maar tegelijkertijd op een enorme afstand.
‘Dat is een relatief nieuw verschijnsel. Tussen 1950 en 1970 hebben woningbouwverenigingen in Nederland twee miljoen woningen gebouwd. Als vereniging dus, waarbij de ledenraad en de algemene ledenvergadering besloten over die nieuwbouwplannen. Opgeteld waren daar zo’n 120 duizend bewoners, als leken, bij betrokken. Een gigantische prestatie.
‘Bij de verzelfstandiging van de corporaties werden het stichtingen, met een raad van bestuur en een raad van toezicht. Bewoners werden buiten de organisatie geplaatst, ze waren consument geworden. Er moet nu met hen worden overlegd, maar als puntje bij paaltje komt besluiten de bestuurders. Lange tijd was de publieke sector het domein van burgers. Economisering heeft daar rücksichtslos een einde aan gemaakt. Op allerlei terreinen is particulier initiatief verdreven.’
Herhaaldelijk pleit Van der Lans voor ‘doorlaatbare wanden’ tussen overheden, publieke organisaties en burgers, die samen publieke waarden nastreven. Ook hier komen werk en leven samen. Zo streek Van der Lans in 1997 vanuit een kraakpand met zijn gezin neer in het enige zelfbouwcomplex in het Oostelijk Havengebied. Bij de vergadering van de VVE komt nu 80 procent van de bewoners opdagen, vertelt hij trots. De tuin onderhouden ze samen. Het hek dat de gemeente eromheen zette, verdween snel in een kelder.
Wat spreekt je aan in zulke vormen van gemeenschap?
‘Het heeft deels met mijn opvoeding te maken. Mijn ouders waren gemeenschapsmensen, ze organiseerden van alles in hun buurt. Maar het is ook een politieke overtuiging: het is een vorm van democratie dat je met elkaar sturing en inhoud geeft aan hoe je leven en je omgeving eruitzien. Dat kun je niet in je eentje doen. Het individualisme en het alleen maar consumeren van overheidsdiensten of van welke voorziening ook, dat past niet in mijn wereldbeeld. Ik vind dat we een samenleving samen moeten dragen. Dat is ook veel leuker.
‘Ik geloof er ook heilig in dat mensen in een dialoog tot elkaar moeten komen. Als we hier met bewoners praten over hoe de buurt er over vijf jaar moet uitzien, zijn er ook mensen die vinden dat je niets aan klimaatverandering hoeft te doen. Maar mijn ervaring is dat op niveau van een buurt tegenstellingen duizend keer minder scherp zijn. Mensen die je morgen weer in de supermarkt tegenkomt, verketter je minder makkelijk.’
Uit onderzoek blijkt dat sociale organisatie en verbondenheid sneller tot stand komen in homogene wijken waar mensen hoger opgeleid zijn en welvarender – zoals hier.
‘Dit kan ook in minder goede buurten, daar ben ik heilig van overtuigd. Dan moet je misschien meer ondersteuning bieden. Achterstandsscholen kregen vroeger ook extra leerkrachten.
‘Ik geloof niet dat mensen in minder welvarende buurten geen dingen zouden kunnen organiseren omdat daar minder sociaal kapitaal aanwezig is. Het stikt ook daar van de initiatieven. Maar in kwetsbare buurten strijkt vaak de welzijnsorganisatie neer. Dan hebben buurtbewoners niet veel meer te zeggen. Daar moet je veel creatiever in zijn.’
Ben je niet te optimistisch over wat burgerinitiatief vermag? Het is vaak iets voor de happy few.
‘Dat is het standaardargument tegen deze beweging. Maar de beweging groeit in omvang, op veel terreinen. Daar hoort een politieke samenlevingsfilosofie bij, zoals christelijke partijen ooit geloofden in subsidiariteit (het principe dat een centraal gezag zich niet met zaken mag bemoeien die beter op een lager niveau geregeld kunnen worden, red.) of soevereiniteit in eigen kring. Maar ik zie weinig politieke partijen die daar een expliciet verhaal over vertellen, die zeggen: zo wensen we dat de samenleving geordend wordt.’
Er wordt toch juist veel gepraat over cocreatie en de menselijke maat?
‘Ja, het is veel praten. En strooien met subsidies. Een projectje hier, een projectje daar.’
In elke gemeentelijke nota kwam tien jaar geleden het woord ‘burgerkracht’ voor. Waar kwam dat vandaan?
‘Het woord ‘burgerkracht’ hebben wijlen Nico de Boer (onderzoeker en publicist, red.) en ik in 2011 een keer op een nota gezet. Het onderwerp was: de institutionele logica van het welzijnswerk. Dat kunnen we niet op de voorkant zetten, zeiden we tegen elkaar. En toen kwam Nico met ‘burgerkracht’. We gingen googlen en zagen dat die term niet gebruikt werd, behalve bij een beschrijving over een Mexicaanse bevrijdingsbeweging. Toen hebben we dat op het rapport gezet. Die nota werd niet enorm goed gelezen, maar die titel is blijven hangen.’
Is het begrip een eigen leven gaan leiden?
‘Absoluut. Toen de participatiemaatschappij werd afgekondigd in de troonrede van 2013, werd burgerkracht daarmee in één adem genoemd. We zagen hoe de beleidsmakers een eigen invulling gaven aan het begrip, zoals wij het niet hadden bedoeld. Namelijk: de burger kan zelf ook meer voor zijn naasten zorgen, dan hoeft de overheid dat minder te doen. Beleid is vaak een spons die begrippen opzuigt en doet verwateren. Met heel veel ruimte voor kwade intenties, ruimte om mooie dingen af te breken onder de mooie woorden.
‘De filosofie van de decentralisaties was: gemeenten staan dichter bij de burgers en die kunnen zorg efficiënter organiseren, want er gaat nu heel veel geld naar bureaucratie. En dan hebben we meteen 250 miljoen euro op de jeugdzorg gekort.
‘Dichter bij mensen dingen organiseren, daar ben ik natuurlijk een groot voorstander van. Maar de aanname dat het vanzelf efficiënter wordt als je het over de schutting gooit: dat is onwaarschijnlijk naïef geweest, puur wensdenken. Er was geen tijd om te leren. Gewoon: op hoop van zegen, zonder dat er een ondergrens werd vastgelegd. Uiteindelijk was het een bezuinigingsoperatie.’
Heb je geworsteld met die begripsvervaging?
‘Natuurlijk. ‘Jij bent toch de architect van de decentralisaties?’, vragen ze dan. Ik weet inmiddels wel dat je geen controle hebt over wat er met je woorden gebeurt. Ik kan een heel woordenboek maken van holle taal. Beleidsnota’s druipen van de goede bedoelingen, zonder dat iemand weet wie er eigenlijk zijn agenda moet opschonen om iets anders te gaan doen.’
Toch geloof je nog steeds in burgerkracht?
‘Het staat voor het vermogen van burgers, die je serieus moet nemen. Daar geloof ik in. Maar niet in een overheid die zegt: red jezelf maar. Dat hebben we er nooit mee bedoeld.’
Je wijst vaak op gebrek aan historisch besef bij beleidsmakers. Waarom is dat belangrijk?
‘Voor mij is het logisch om eerst te kijken hoe iets zo is gekomen. Het is een beetje lullig om steeds te wijzen op het neoliberale tijdsgewricht als de grote boeman. Maar het is wel zo dat daardoor een technocratische beheersingsstructuur is ontstaan die erg op cijfers gericht is en steeds minder op ervaring en historische kennis.
‘Ik heb rond de eeuwwisseling een boekje gemaakt waarvoor ik tien ambitieuze bestuurders interviewde. Die hadden allemaal één motto: prestaties uit het verleden zijn geen garantie voor de toekomst. Dat is tekenend voor ‘wij zijn nu’, en wij gaan iets heel nieuws maken. Maar daarmee zeg je ook: we hebben met die oude woningbouwverenigingen 2,5 miljoen huizen gebouwd, maar nu gaan we het anders doen. Terwijl: nergens ter wereld was er zo’n rijke voorraad sociale woningbouw als in Nederland. Zie wat ervan geworden is...’
Je pleit voor ‘retro-innovatie’.
‘Ik bedoel daarmee: het hernemen van oude werkwijzen in nieuwe omstandigheden. Kleinschaligheid, nabijheid: de goede dingen uit het verleden moeten we herontdekken. Maar natuurlijk: het verleden is voorbij. Er zijn hedendaagse organisatievormen nodig om oude waarden opnieuw vorm te geven. Buurtzorg is een goed voorbeeld. Haast ouderwetse, persoonlijke wijkverpleging, maar dan in moderne zelfsturende teams.
Zie je meer succesvolle vernieuwingen?’
‘Sociale wijkteams zijn ook een vorm waar ik in geloof. Ik denk dat we de vertrouwenscrisis in de verzorgingsstaat maar op één manier kunnen oplossen, namelijk door lokaal te werk te gaan, in buurten en wijken. Daar kun je zo veel meer doen als professionals, ambtenaren en bewoners elkaar vinden en samenwerken.
‘Neem een uithuisplaatsing. Stel: er is een crisis in een gezin. Nu kan een jeugdbeschermingsorganisatie die op grote afstand staat een kind ergens ver weg van zijn ouders onderbrengen, waarna het vaak niet meer terugkomt. Waarom kun je dan geen time-out organiseren, waarin het kind tijdelijk bij iemand in de buurt gaat wonen? Maar dan moet je dus wel weet hebben van die gemeenschap, van de netwerken in een buurt.’
Je kijkt veel achterom, verlangt naar een vorm van gemeenschap in een verdeeld land. Hoe waak je voor valse romantiek?
‘Ik probeer me te verzetten tegen nostalgie. Het heeft geen zin de geschiedenis op te hemelen. Er was in de jaren vijftig samenhorigheid en vanzelfsprekende onderlinge hulp. Wijken werden gebouwd met een buurthuis in het centrum, helemaal vanuit een gemeenschapsidee. Maar de jaren vijftig waren ook verzuild, hiërarchisch en intolerant.’
Dat klinkt toch wel een beetje nostalgisch...
‘Veel van die denkbeelden over gemeenschapsvorming waren inderdaad zo gek nog niet. Als wij nu een wijk zouden plannen, zou je erover na moeten denken dat als mensen samen iets zouden willen doen, daar ruimte voor nodig is. Maar dat is nu dure ruimte, een kostenpost, het levert niks op.’
In plaats van leren van het verleden, bellen overheden en zorgorganisaties nu liever een deftig adviesbureau.
‘Toen ik dit terrein betrad, had je helemaal niet zo veel consultants. Hoogleraren gaven weleens advies, omdat ze notabel waren. Ik vroeg laatst aan een hoogleraar die met pensioen was en advieswerk deed: waarom doe je dat eigenlijk niet gratis? Die keek me aan en zei: als ik het gratis doe, is het waardeloos.
‘Een gemeente koopt die deskundigheid deels in omdat ze iets zelf niet kan. Bij grote gemeenten gaat het om 15 procent van de personeelskosten. Dat is op zichzelf al een treurige ontwikkeling. Een advies van KPMG of PricewaterhouseCoopers is ook: autoriteit binnenhalen. Maar als je die adviezen leest, denk je nogal eens: dit had ik ook wel kunnen bedenken. Waarom investeren we een fors deel van dat geld niet in overlegvormen waarin burgers meedenken en meepraten?’
Wat heb je zelf bijgedragen met je schrijven, denk je?
‘Je levert zuurstof voor engagement. Kritische analyses maken en debatteren over hoe het verder moet zijn ook vormen van betrokkenheid. Als dat niet gebeurt, heeft de staat vrij spel.’
Jos van der Lans: Van onderop. Over burgers, professionals, ambtenaren & bestuurders.
Uitgeverij Van Gennep; 184 pagina’s; € 15,00.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant