Zeven maanden na de aanval van Hamas, die het startschot was voor de oorlog waarbij ondertussen meer dan 34 duizend Palestijnen zijn omgekomen, worstelen de getroffen inwoners van de kibboetsen met de vraag of zij ooit zullen én willen terugkeren naar hun gemeenschap.
Nadat de zon is ondergegaan en de duisternis de kibboets langzaam in haar armen neemt, dansen er op één plek lichtjes. ‘Deze gaan nooit meer uit’, zegt Shar Shnorman, een reus van een kerel die met een glas zelfgemaakte limonade op zijn veranda zit. ‘Ook niet als we een avondje weg zijn. Dit zijn de lichtjes van hoop.’
De hoop om iets dat een paar maanden geleden nog heel normaal was, en nu misschien te veel gevraagd lijkt, weer terug te krijgen: een leven zonder angst. Buren die overdag even komen binnenlopen. Het geluid van kinderstemmen die na schooltijd over de paadjes van de kibboets rennen.
Over de auteur
Sacha Kester is buitenlandredacteur van de Volkskrant en schrijft over België, Israël en de Palestijnse gebieden en het Midden-Oosten.
Begin oktober woonden er nog ongeveer achthonderd mensen in de kibboets Kfar Aza: ouderen, jonge alleenstaanden en gezinnen met kinderen. Maar sinds de aanval van Hamas blijven alle huizen hier ’s avonds donker. De bewoners zijn vermoord, ontvoerd of geëvacueerd. Shnorman (62) en zijn vrouw zijn de enigen die zijn teruggekeerd.
Je zou kunnen denken dat ze niet goed bij hun hoofd zijn. De woning aan de overkant bijvoorbeeld, goed zichtbaar vanaf Shnornmans veranda, is uitgebrand. De buurvrouw, een goede vriendin, is afgeslacht. Shnorman heeft haar lichaam nog zien liggen. Tijdens een wandeling blijkt dat zeker de helft van de huizen is beschadigd en op de achtergrond klinken dag en nacht diepe, donkere klappen: bommen die op Gaza vallen.
Zeven maanden na de aanval van Hamas, die het startschot was voor de oorlog in Gaza waarbij ondertussen meer dan 34 duizend Palestijnen zijn omgekomen, worstelen de getroffen inwoners van de kibboetsen met de vraag of zij ooit zullen terugkeren naar hun gemeenschap.
Op dit moment wonen er nog duizenden vluchtelingen in hotels, of worden zij opgevangen in andere kibboetsen in het land. ‘De meesten twijfelen’, zegt Shlomo Getz, die aan het hoofd staat van een onderzoekscentrum naar kibboetsen aan de Universiteit van Haifa. ‘Kun je je daar ooit weer veilig voelen? Wordt het weer dezelfde gemeenschap, met dezelfde mensen? Niemand die het weet.’
Het zou een groot verlies zijn als de kibboetsen niet meer overeind krabbelen, zegt Getz. Niet alleen voor de inwoners, maar ook voor het land Israël, waarmee de geschiedenis van deze gemeenschappen zo nauw is verbonden.
Aan het begin van de vorige eeuw, ver voordat de staat in 1948 werd uitgeroepen, werd de eerste kibboets opgericht. Na de Eerste Wereldoorlog volgden er meer: kleine gemeenschappen van Joodse pioniers die het land wilden bevolken, zoals dat nu ook in de bezette gebieden met de nederzettingen gebeurd.
Er is echter een groot verschil, merkt Getz op. ‘De pioniers wilden een eigen thuisland en werkten aan een socialistisch Utopia. De kolonisten van nu geloven dat zij het recht hebben om land op te eisen omdat de joden dit duizenden jaren geleden van God gekregen zouden hebben.’
De kibboetsen waren collectivistische landbouwgemeenschappen. Niemand kreeg een salaris, maar de inkomsten werden herverdeeld onder de gemeenschap. Er werd gegeten in de gezamenlijke eetzaal, en de kinderen sliepen niet bij hun ouders, maar bij elkaar in slaapzalen. ‘En ze waren enorm invloedrijk’, weet Getz. ‘De inwoners maakten niet meer dan 2 of 3 procent van de bevolking uit, maar er waren tijden dat 20 van de 120 parlementariërs in een kibboets woonde. Dat veranderde pas eind jaren zeventig, toen de socialisten de verkiezingen voor het eerst verloren.’
Er veranderde meer: in de jaren tachtig kregen veel kibboetsen financiële problemen en in de jaren negentig trokken jongeren weg uit de gemeenschappen. Zij geloofden niet meer in een leven lang alles samen doen, maar wilden een eigen baan, een eigen leven. ‘Israël veranderde’, zegt Getz, ‘en de kibboetsen werden gedwongen hierin mee te gaan.
Om het tij te keren, zijn de meeste kibboetsen nu geprivatiseerd. Sinds het begin van deze eeuw krijgen de inwoners een salaris en zijn ze zelf eigenaar van hun huizen. Er moet worden betaald voor water en elektriciteit en er wordt nauwelijks meer samen gegeten. ‘We zijn echter altijd hecht gebleven’, zegt Shnorman. ‘De meeste mensen zijn met elkaar opgegroeid, we werkten op de bedrijven van de kibboets en vierden onze feestdagen samen.’
Hij praat nog elke dag met zijn dode vrienden. ‘Dan maak ik mijn rondje door de kibboets en merk dat ik altijd wel iets tegen hen te zeggen heb. Het is moeilijk. Het is raar. Het is nog steeds niet tot me doorgedrongen dat ik hen nooit meer zal zien. Maar tegelijkertijd zijn ze hier, op deze plek, wel altijd bij me.’
Shnorman zat op 7 oktober ’s morgens vroeg al op de veranda. Hij dronk samen met zijn vrouw een kop koffie toen ze de raketten hoorden. ‘Het waren er meer dan normaal’, zegt Shnorman. ‘We hadden geen idee wat er aan de hand was, maar voor de zekerheid gingen we naar binnen, naar de saferoom.’
Op hun telefoon zagen ze het nieuws binnenkomen: strijders van Hamas waren verschillende kibboetsen binnengedrongen, maar Shnorman dacht nog dat het niet meer dan twee, drie man konden zijn, en dat het leger snel zou komen.
Toen belde de buurman. Die was niet thuis en vroeg of Shnorman even kon kijken of alles in orde was met zijn vrouw, want ze nam de telefoon niet op. Ze lag dood op de grond in haar slaapkamer. Neergeschoten, net als haar twee honden. ‘Ik ging terug en vertelde mijn vrouw dat Mira was vermoord’, vertelt Shnorman. ‘Ze werd boos. Dat was een stom grapje, vond ze. Maar het was waar. Ongelofelijk, maar waar.’
Daarna volgden uren van doodsangst. De saferoom moest hen beschermen tegen raketten, maar hij was niet ontworpen voor terroristische aanvallen en kon vanbinnen niet op slot, dus ze hielden om de beurt de klink omhoog. ‘Ondertussen hoorden we de terroristen rondlopen. Ze zaten een tijdje bij ons op de bank op de veranda, rookten sigaretten en kletsten met elkaar, luttele meters bij ons vandaan. We durfden bijna geen adem te halen en hoopten dat onze hond, die we bij ons hadden in de saferoom, niet zou blaffen.’
Pas na dertig uur werden ze door het Israëlische leger meegenomen en naar buiten gebracht. Ze hebben het overleefd, denkt Shnorman, omdat hun kleine huisje aan dat van de buren is geschakeld, en het voor de strijders wellicht één woning leek, waar ze de bewoners al van hadden gedood.
Na zeven weken in een flat in Tel Aviv te hebben gewoond, een prachtig appartement dat de eigenaar gratis beschikbaar had gesteld, keken de Shnormans elkaar aan. Ze wilden terug. Naar huis. ‘En dus gingen we. We maakten de boel schoon, deden de lichten weer aan, en doen die nooit meer uit.’
Bij de ingang van de kibboets staat een touringcar. Even later komt er nog een binnenrijden. Ramptoeristen? Nee, zo willen ze zichzelf zeker niet noemen, vertelt Yaïr Gurel, een 19-jarige jongen uit Toronto die vandaag met de bus langs ‘de hoogtepunten’ van de aanval van Hamas reist: een handvol kibboetsen en het festivalterrein waar bijna vierhonderd feestgangers zijn afgeslacht.
Hij maakt deel uit van een groep vrijwilligers, Joden die vanuit de hele wereld naar Israël komen om hun volk te helpen in deze tijd van nood. Ze hebben vanmorgen citroenen geplukt en nu zijn ze hier om met eigen ogen te kunnen zien wat Hamas heeft aangericht. ‘Dat is belangrijk’, vertelt de jongen, ‘om de horror beter te kunnen begrijpen.’
Mensen uit andere bussen vertellen eenzelfde verhaal: hier kun je pas echt voelen hoe afschuwelijk die slachtpartij van 7 oktober is geweest. ‘De slachtoffers in Gaza zijn natuurlijk vreselijk’, zegt de Amerikaan Ed Snitkoff, ‘maar het is hier begonnen.’ Volgens hem zou iedereen deze tour moeten maken. ‘Dan begrijpen mensen waarom Israël geen keuze heeft, en wel een einde aan Hamas moet maken.’
Het ziet er ongemakkelijk uit: mensen die een selfie maken bij een uitgebrande woning. Morris Pereira, een jongeman die mensen rondleidt, vertelt over een groep orthodoxe joden uit New York – mensen die zich normaal gesproken voor geen goud in zo’n linkse, seculiere kibboets zouden vertonen. Ze hadden twee gitaren meegenomen, ‘om de ervaring nog meer te verrijken’.
Avivit John huivert als haar wordt gevraagd naar deze rondleidingen. ‘Ik voel me soms net een aapje.’ De 63-jarige vrouw woont in Be’eri, een andere kibboets die zwaar is getroffen: van de 1.250 inwoners zijn er 100 mensen vermoord en worden er nog 11 mensen uit deze gemeenschap gegijzeld in Gaza.
‘Na een paar weken kwamen er steeds meer bezoekers’, vertelt ze in de achtertuin van haar huis. Haar hond, die zwaar getraumatiseerd is door de aanval en opschrikt bij elke bom die uit Gaza klinkt, ligt naast haar in de zon. John vertelt hoe vreemdelingen in de verwoeste huizen op de kibboets rondstruinden en soms zelfs een aandenken meenamen. ‘Souvenirs uit de puinhopen van mijn vermoorde buren.’
Tegenwoordig kom je alleen binnen met toestemming van het bestuur van de kibboets. ‘Dat heeft er natuurlijk belang bij om de herinnering levend te houden’, vertelt John, ‘maar nu worden de gasten in elk geval begeleid. Soms komen er nog bussen of auto’s van mensen die spontaan hebben besloten een kijkje te gaan nemen. Die zie je dan rond de hekken struinen, in de hoop een glimp van onze ellende op te vangen.’
Be’eri is een ander verhaal dan Kfar Aza: een week na de aanval ging de succesvolle drukkerij van deze kibboets alweer draaien. De inwoners reizen op en neer vanuit hun hotelkamers aan de Dode Zee om te werken. Doordeweeks wonen er weer enkele tientallen mensen in hun huizen, in het weekeinde is dat een stuk minder. ‘Maar het zijn vooral jonge alleenstaanden en ouderen zoals ik’, vertelt John. ‘Gezinnen met kinderen durven over het algemeen nog niet. Begrijpelijk, maar we hebben hen wel nodig om uiteindelijk voort te kunnen bestaan.’
Het huis van Avivit John staat nog overeind, net als dat van haar buren. ‘We hebben geluk gehad’, zegt ze met zachte stem. ‘De wijk in het westen is volledig verwoest.’
De puinhopen van deze wijk kijken uit op Gaza: achter de golvende heuvels rijzen de muur, en daarachter, de gebouwen van Gaza-Stad op – misschien is het 20 minuten lopen. Als je je ogen sluit, hoor je de wind spelen met het groen, de vogels, een enkele stem ver weg. Maar zodra je ze opent, sta je in een apocalyptisch decor. ‘Dit wordt niet meer opgebouwd’, zegt John. ‘Er wordt gesproken over een nieuwe wijk, want hier wil niemand meer wonen. Er zijn te veel mensen vermoord.’
De vijanden van de kibboetsen wonen echter niet alleen in de Gazastrook, verzucht John. Waar de kibboets-beweging jarenlang werd geïdealiseerd, wordt er nu smalend gesproken over die naïeve, linkse dromers. ‘We hebben te veel grond en we houden van Arabieren. Daar moet de mainstream niets van hebben, en de rechtse politieke partijen al helemaal niet. Die dansen juist naar het pijpen van de kolonisten die Palestijnse grond bezetten – de nieuwe pioniers.’
Als de oude inwoners niet terugkeren, vreest John dat uitgerekend deze kolonisten staan te trappelen om zich te vestigen in de leegstaande kibboetsen – en natuurlijk in Gaza zelf – zoals de leiders van deze rechtse partijen al hebben geopperd. ‘Ik moet er niet aan denken’, zegt ze verdrietig. ‘Ik wil niet dat zij dansen op ons bloed.’
Geselecteerd door de redactie
Kan Biden Netanyahu dwingen tot een ommezwaai in Rafah?
Lees hier het liveblog over de crisis in het Midden-Oosten van vrijdag 10 mei terug
Biden dreigt leverantie van sommige wapens te stoppen als Israël Rafah binnenvalt
Source: Volkskrant