Home

In Libanon zijn Syrische vluchtelingen tot nationale zondebok gebombardeerd: ze krijgen van echt alles de schuld

Waar lopen de correspondenten van de Volkskrant tegenaan in hun dagelijkse leven? Vandaag: Jenne Jan Holtland over de Syrische vluchtelingen in Libanon, die overal de schuld van krijgen. Ook in zijn wijk in Beiroet.

Maandagavond is mijn vaste voetbalavond in Beiroet. Vijf tegen vijf op een half veld – een potje zonder pretenties. Toen ik onlangs voor aanvang mijn veters stond te strikken, kwam mijn Syrische teamgenoot Mutassim naar me toe. Ik las paniek in zijn ogen. Had ik Farhad gezien, een andere Syriër uit ons team? Hij had er allang moeten zijn. Mutassim was er niet gerust op. ‘Ik heb geprobeerd te bellen, maar hij neemt niet op.’

Ik begreep zijn angst. Het zijn naargeestige dagen voor Syrische vluchtelingen in Libanon, een groep waarvan de omvang op 2 miljoen wordt geschat, oftewel een op de vier inwoners. Op tv, op sociale media, in de dagelijks omgang, overal zijn Syriërs de kop van jut. Rommel op straat? Schuld van de Syriërs. Gewapende overvallen? Schuld van de Syriërs. Economische rampspoed? Afijn, u begrijpt het.

Over de auteur
Jenne Jan Holtland is correspondent Midden-Oosten voor de Volkskrant. Hij woont in Beiroet. Hiervoor was hij correspondent Centraal- en Oost-Europa.

Politici hebben de haatspraak tot kunstvorm verheven. Als er knokploegen de straat op gaan om op Syriërs te jagen, haasten ze zich op tv te zeggen dat ze de ‘frustraties’ van de gewone Libanees begrijpen. Bij checkpoints van het leger worden Syriërs er uitgepikt, waarna ze, als ze geen verblijfspapieren hebben, met tientallen tegelijk naar hun thuisland worden uitgezet (om zich vervolgens tegen betaling terug te laten smokkelen naar Libanon, want zeg zelf, wie wil er leven in de kapotgeschoten maffiastaat van president Assad?).

Voor u zich zorgen gaat maken om mijn teamgenoot: er bleek niets aan de hand. Farhad kwam kalmpjes het veld op gewandeld. Toch liet het voorval me niet los. Vorige maand ging ik voor deze krant op reportage naar een christelijk-Libanese wijk waar gewapende krachtpatsers ‘alle Syriërs’ hadden opgeroepen binnen twee dagen hun biezen te pakken. Dit was een hetze.

Thuis begonnen mijn geliefde en ik op een andere manier naar onze omgeving te kijken. Hoe zat het met de zachtaardige maaltijdbezorgers die op scooters onze pizza’s bezorgden? We wisten dat ze Syrisch waren, maar wat wisten we verder? Reden ze in onze wijk ook bang rond? Ging het leger hier straks ook een fuik opzetten?

Op het terras legde ik mijn vragen voor aan een vriend die zich niet snel van de wijs laat brengen. Jad kent mijn wijk, hij komt er vaak. Hij heeft zich bovendien een Libanees accent aangemeten, waardoor hij zich – ofschoon Syrisch – tamelijk zorgeloos door de stad kan bewegen. Een meubelmaker had zijn hart bij hem gelucht, en was begonnen over de barre jaren negentig, toen Syrië nog een machtig buurland was en als bezetter de baas was in Libanon. De Syrische mukhabarat (geheime dienst) terroriseerde iedereen, en dat was de meubelmaker nooit vergeten. Dertig jaar later was hij de Syriërs liever kwijt dan rijk. Jad had begripvol geknikt.

Hoe zit het in onze wijk, vroeg ik, waarop Jad begon over een nieuw spandoek dat iemand kort geleden had opgehangen. ‘Dat heb je wel gezien, toch?’ Ik wist niet waar hij het over had, dus reden we er die middag samen langs. Op een wit doek, opgetekend door de gemeente, zag ik zes mededelingen staan. Punt drie: iedereen die het land ‘illegaal’ is binnengekomen, is niet welkom in de wijk. Voor Syriërs, zo vermeldde een ander punt, geldt voortaan een avondklok. Na 7 uur mogen ze zich niet meer op straat vertonen.

Terwijl ik terugreed naar huis, liet ik het allemaal op me inwerken. Om mij heen zagen de straten er nog net zo uit, en floten de vogels nog even uitbundig. Toch was de wijk voorgoed veranderd.

Source: Volkskrant

Previous

Next