Home

De Boléro is niet om op te neuken

Wekelijks neemt Bor Beekman, Robert van Gijssel, Joris Henquet, Merlijn Kerkhof, Anna van Leeuwen of Herien Wensink stelling in de wereld van film, muziek, theater of beeldende kunst.

Na Tár en Maestro is er alweer een film uit waarin klassieke muziek een hoofdrol speelt. In Boléro volgen we Maurice Ravel (1875-1937) tijdens het nogal langdurige componeerproces van zijn gelijknamige hit. Anders dan bij die andere twee films zijn de kritieken helaas niet zo jubelend: Volkskrant-recensent Pauline Kleijer sprak van een kleurloos hoofdpersonage in een timide biopic.

Helemaal eens, toch zou ik de film wel aanbevelen. Al is het maar omdat Ravel en zijn muziek veel bekender zouden moeten zijn en zo’n film iets kan losmaken – zie de Mozart-hype na de film Amadeus (1984) van Milos Forman. Had Ravel vijftien jaar langer geleefd en was hij niet al zo vroeg gaan dementeren, dan had hij op talloze filmbeelden gestaan, als de gevierde componist van Frankrijk. Ravel heeft nog altijd iets enigmatisch: van sommige aspecten van zijn leven weten we weinig zeker, zoals over zijn omgang met vrouwen.

Was hij aseksueel? Homoseksueel? Bezocht hij de bordelen alleen om er een praatje te maken? Voor de waardering van zijn werk is het totaal irrelevant, maar voor regisseur Anne Fontaine kwam het goed uit, omdat die Boléro (1928) zo vaak met seks in verband wordt gebracht. In de jaren zeventig kwam het stuk bekend te staan als de ultieme neukmuziek. Het tempo en het ritmische patroon (twee maten) van de stoïcijns doorspelende snaredrums blijft constant; de boel zwelt aan tot een enorme climax volgt. Een uitvoering duurt doorgaans een kwartier.

De seksuele connotatie van de Boléro komt niet alleen door de muziek zelf. Ravel was geïnspireerd geraakt door machines en wilde dat het ballet in een industriële setting zou worden geënsceneerd. De danseres die het ballet had besteld, Ida Rubinstein, had andere ideeën en maakte er een licht-erotisch spektakel van. Tot afgrijzen van de componist.

Het is eigenlijk best wel een goed stuk, die Boléro. Baanbrekend in zijn eenvoud. Je kunt het gros van de klassieke muziek als volgt samenvatten: er is een brok muziek, en de componist ontwikkelt dat materiaal. Die werkt het uit, op zo’n manier dat iemand die oppervlakkig luistert de motiefjes misschien niet eens herkent, maar de samenhang wel voelt, zodat er een spanningsboog ontstaat.

Wat doet Ravel? Die ontwikkelt vrijwel niets. Hij herhaalt dezelfde hoofdmelodie en tegenmelodie gewoon (beide achttien maten), verdeeld over achttien blokken. De variatie zit in de klankkleur, in de continue herorkestratie: als een organist die steeds een ander register uittrekt. Dat orgelachtige merk je ook in de manier waarop hij instrumenten parallel laat spelen, de scherpe piccolo’s boven de diffuus klinkende hoorn. De melodie doet wat oriëntaals aan en lijkt aan het ritme te willen ontsnappen; door de lengte ervan is het al best een uitdaging voor muziekstudenten om haar correct uit te schrijven. Pas tegen het einde is er een cadens als Spaans cliché.

De componist schreef tempo 72 voor. Een driekwartsmaat. Onbegrijpelijk dat iemand hierop een kind zou willen verwekken, maar het staat iedereen vrij.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next