Home

Het eiland van de tegenpolen: in hun succesvoller buurland dreigt voor Haïtianen elke dag deportatie

Ze delen een eiland en een geschiedenis, maar het contrast tussen Haïti en de Dominicaanse Republiek is enorm. Naast het stuurloze Haïti, dat in de greep is van ernstig bendegeweld, oogt de Dominicaanse Republiek als een paradijs. Maar wel een waar Haïtianen niet welkom zijn.

In de Dominicaanse Republiek rent niemand na zeven uur ’s ochtends voor zijn plezier. Toch zet de Haïtiaanse Ernesto Alcius (40, bedrijfsjas, werkbroek met fluorescerende strepen) het halverwege een snikhete ochtend op een lopen. Met een rugtas in de hand probeert hij een optrekkende bus van de Dominicaanse immigratiedienst bij te houden.

In de tas zitten eten en kleding voor zijn zwager Angelo Jean (28), de broer van zijn vrouw. Jean zit samen met tientallen andere Haïtianen in de bus, een soort stalen huifkar. De kooi op wielen vertrekt vanuit een detentiecentrum aan de rand van hoofdstad Santo Domingo en zet koers naar de grens met Haïti, een land in de greep van bendegeweld.

Over de auteur
Joost de Vries is correspondent Latijns-Amerika voor de Volkskrant. Hij woont in Mexico-Stad.

Vanavond worden de Haïtianen na een urenlange oncomfortabele rit het land uitgezet. De bus maakt vaart en laat Alcius hijgend achter. Het is de derde keer dat zijn zwager wordt gedeporteerd, vertelt hij een moment later. ‘De Dominicanen hebben iets tegen ons.’

Anti-Haïtiaanse sentimenten in de Dominicaanse Republiek gaan terug tot koloniale tijden, maar hebben onder de huidige regering van president Luis Abinader (56) de vorm aangenomen van een keiharde anti-immigratiepolitiek. Dat beleid kan onder de Dominicanen rekenen op brede steun. Op 19 mei gaat Abinader op voor herverkiezing, volgens peilingen laat hij zijn tegenstanders ver achter zich.

De rijdende kooien van de immigratiedienst parkeren dagelijks in alle vroegte in Haïtiaanse wijken. Hardhandig houden politieagenten mensen aan van wie ze vermoeden dat ze Haïtiaans zijn. Net zolang tot de bussen zijn gevuld. Wie niet meteen kan aantonen Dominicaan te zijn of geldige papieren te hebben, wordt een dag later gedeporteerd naar Haïti.

Deze praktijk stuit op felle bezwaren van mensenrechtenorganisaties. In plaats van mensen te deporteren naar een land verkerend in een diepe geweldscrisis, zou de Dominicaanse Republiek juist Haïtiaanse vluchtelingen moeten opvangen, zo luiden internationale oproepen.

‘Nee’, is steevast het antwoord van Abinader. Als een mantra herhaalt hij zijn standpunt: ‘De deportaties gaan door. Er komen geen vluchtelingenkampen.’ Terwijl het bendegeweld in de Haïtiaanse hoofdstad Port-au-Prince de afgelopen maanden explodeerde, sloot hij juist de Dominicaanse luiken.

De straatbendes rukken op in Haïti

Haïti is zo goed als stuurloos sinds president Jovenel Moïse in juli 2021 werd vermoord in zijn slaapkamer. Onder leiding van de zwakke interim-premier Ariel Henry (74) lag Port-au-Prince voor het oprapen en rukten de reeds machtige straatbendes al moordend en verkrachtend verder op.

Toen Henry eind februari naar het buitenland reisde, openden de bendes alle registers. Ze vielen het vliegveld en de haven aan, staken politiebureaus in brand en namen het nationaal paleis onder vuur. De criminele belegering van de hoofdstad treft het hele land, de VN schatten dat vijf- van de elf miljoen Haïtianen amper toegang hebben tot voedsel.

Vanuit het buitenland kondigde Henry onder grote druk op 11 maart zijn vertrek aan. Sinds eind april heeft Haïti weer een regering: een negenkoppige presidentiële raad die vanwege de bendedreiging in het geheim werd geïnstalleerd.

De start verloopt echter stroef, onmiddellijk ontstond onenigheid over de keuze van een nieuwe minister-president. Nog vele malen ingewikkelder wordt het herstellen van de openbare orde met een wankel veiligheidsapparaat dat geen partij is voor de zwaarbewapende georganiseerde misdaad.

Naast Haïti, dat sinds het einde van de wrede dictatuur van vader en zoon Duvalier (1957-1986) van politieke crisis en verwoestende aardbeving naar politieke moord en bruut bendegeweld strompelde, oogt de Dominicaanse Republiek als een paradijs. Het land behoorde in recente decennia tot de snelstgroeiende economieën van Latijns-Amerika. Vorig jaar werd het bezocht door tien miljoen toeristen. Al waarschuwt de Wereldbank ook dat 40 procent van de elf miljoen Dominicanen in armoede leeft.

Grotere tegenpolen op één eiland dan Haïti en de Dominicaanse Republiek zijn bijna niet denkbaar. Hun gedeelde geschiedenis begon in 1492 toen Columbus aanmeerde in de Cariben. Hij doopte het eiland La Española, eigendom van Spanje. Twee eeuwen later bezette Frankrijk de westelijke helft van Hispaniola en stichtte de uiterst lucratieve en meedogenloze plantagekolonie Saint-Domingue.

Volgens de database Slavevoyages.org vervoerden de Spanjaarden in drie eeuwen tijd bijna 300 duizend Afrikanen naar het eiland. De Fransen spanden de kroon, zij brachten in een eeuw (1697-1804) bijna een miljoen Afrikanen van verschillende volkeren naar Saint-Domingue.

Destijds gold de Franse kolonie juist als een (economisch) succes, terwijl de zieltogende Spaanse kolonie ‘in de vergetelheid’ raakte, vertelt de Dominicaanse socioloog Juan Miguel Pérez via de telefoon. ‘Hier ontstond een gemengde bevolking die geen sterke band meer ervoer met Spanje.’

Toch vond de revolutie als eerste plaats in Haïti, waar de woede borrelde onder de honderdduizenden Afrikanen die door enkele tienduizenden Franse machthebbers werden gedwongen zich dood te werken op de suikerplantages. Tussen 1791 en 1804 vochten de Haïtianen zich vrij. Een heroïsch feit: het land werd als enige ter wereld geboren uit een slavenopstand.

Toch deelden de Fransen de laatste ontwrichtende klap uit. Frankrijk dwong Haïti tot herstelbetalingen van 150 miljoen Franse frank als compensatie voor de gederfde inkomsten uit de lucratieve kolonie, naar huidige maatstaven tientallen miljarden euro’s. De Haïtiaanse president Jean-Pierre Boyer tekende in 1825 schoorvoetend bij het kruisje. Pas in 1947 werd de laatste frank van de verlammende schuld afbetaald.

Diezelfde president Boyer viel in 1822 het vergeten oosten van Hispaniola binnen en verenigde het eiland onder de Haïtiaanse vlag. Het duurde 22 jaar voordat de Dominicanen in 1844, vier decennia na Haïti, hun eigen onafhankelijkheid verwierven. Niet alleen lieten de Fransen en Spanjaarden twee verschillende bevolkingen achter op één eiland, bovendien moesten de Dominicanen hun vrijheid veroveren op de Haïtianen.

Tot op de dag van vandaag tekent het de verhoudingen.

‘Dominicanen tot in de kern’

De Dominicaanse versie van die geschiedenis spat anno 2024 in Santo Domingo van talloze reclamezuilen. President Abinader pakte groots uit met de viering van 180 jaar onafhankelijkheid. Overal is hetzelfde patriottische filmpje te zien: lachende Dominicanen lopen een vrolijke mars door het koloniale centrum, een jongeman met een revolutionaire snor gaat voorop.

Vader des vaderlands Juan Pablo Duarte (1813-1876) leeft voort in ons allen, is de boodschap. De jonge strateeg leidde het ondergrondse verzet tegen de Haïtianen. ‘Dominicanen tot in de kern’, luidt de leus bij de video. Haïti is impliciet aanwezig als ‘buitenlandse macht’ die werd overwonnen. La dominicanidad, de Dominicaanse identiteit, kent een duidelijke ‘ander’: de zwarte, creool-sprekende buur in het westen.

Dergelijk nationalisme is vaste politieke kost sinds het bloedige regime van dictator Rafael Trujillo (1930-1961), zegt socioloog Pérez. El Generalísimo voedde zijn land een rabiaat racisme. Zwarte Dominicanen bestonden niet, zij kregen een ‘i’ van ‘indiaan’ in hun paspoort. In 1937 opende Trujillo de jacht op Haïtianen en liet naar schatting tienduizenden mensen vermoorden.

Onder democratische regeringen overleefde het anti-Haïtiaanse discours als politiek instrument, zegt de wetenschapper. Toch gaat de Dominicaanse xenofobie niet erg diep, meent hij. ‘Je prikt er zo doorheen. Als ik mijn studenten een paar tegenargumenten aanreik, verandert hun mening al.’

Luidruchtige ultranationalisten

Dat is buiten de ultranationalisten gerekend, een kleine maar luidruchtige minderheid die met marsen en onlinevideo’s de regering rechts inhalen. Op een bankje in het statige Parque Independencia vertelt Angelo Vásquez (27) over zijn missie. ‘Overal zien we de massale Haïtiaanse migratie. Als zij verder oprukken en ons vervangen, betekent dat de verwoesting van onze cultuur.’

Hij draagt een donkerblauw overhemd met de Dominicaanse vlag op de bovenarm, een legergroene broek en zwarte kisten. Vásquez is de ‘máximo líder’ van de Antigua Orden Dominicana, de ‘Oude Dominicaanse Orde’, een militante burgerbeweging met naar eigen zeggen vierduizend leden. Een fysiek kantoor ontbreekt, de sympathisanten ontmoeten elkaar in WhatsApp-groepen.

Ten onrechte wordt zijn beweging racisme verweten, stelt Vásquez . Ook hij heeft Afrikaans bloed, zegt hij wijzend naar zijn donkere huid. De Dominicaanse samenleving is een mengelmoes, maar wel eentje die in cultuur volgens hem wezenlijk verschilt van de zwarte buren. ‘Onze taal, onze gebruiken, onze muziek.’

Het Onafhankelijkheidspark is voor hem heilige grond. Onder het Altaar van het Vaderland wakkert een eeuwige vlam bij de stoffelijke resten van nationale held Duarte. Militairen houden de wacht bij de Puerta del Conde, de oude stadspoort waar in 1844 een geweerschot de onafhankelijkheid inluidde.

180 jaar later is waakzaamheid nog steeds geboden, zegt Vásquez. ‘Haïti ziet de Dominicaanse Republiek als een afvallige provincie.’ In de dagelijkse berichtgeving over het Haïtiaanse bendegeweld ontwaart hij de opmars van een guerrillabeweging. Het is een kwestie van tijd voordat die Haïtiaanse strijders hun blik op het buurland werpen, vreest hij.

‘Nog nooit in Haïti geweest’

Diametraal tegenover de ultranationalisten staat de Dominicaans-Haïtiaanse organisatie Mosctha. De Haïtiaanse voorzitter en spraakwaterval Joseph Cherubin (64) houdt kantoor boven een medisch centrum in Santo Domingo waar Haïtianen terechtkunnen voor zorg die ze elders niet krijgen. Hij woont al vier decennia in de Dominicaanse Republiek, maar zag niet eerder ‘zo’n radicale regering’.

‘Dit is ons pan de cada dia, ons dagelijks brood’, zegt hij over de hardhandige operaties van de immigratiedienst. In tegenstelling tot wat de Haïtiaanse crisis zou doen vermoeden, zijn er amper Haïtiaanse vluchtelingen in de Dominicaanse Republiek, vertelt hij. De tienduizenden Haïtianen die in recente maanden ontsnapten uit Port-au-Prince, vluchtten vooral naar rustiger regio’s in Haïti zelf.

De Dominicaanse deportatiedrift richt zich tegen Haïtianen die al jaren in de Dominicaanse Republiek wonen of er zelfs werden geboren. Sinds 2013 erkent de staat de kinderen van Haïtianen niet meer als Dominicanen, zegt de Dominicaanse Maria Bizenny (45), mensenrechtenadvocaat voor Mosctha. Doordat de rechterlijke uitspraak geldt met terugwerkende kracht werden honderdduizenden Dominicaanse Haïtianen stateloos. ‘Veel mensen die worden uitgezet, zijn nog nooit in Haïti geweest.’

Als migrantengemeenschap kunnen de half miljoen Haïtianen (volgens een enquête uit 2017, recentere cijfers ontbreken) op weinig sympathie rekenen. Als individuen worden ze gekoesterd als goedkope arbeidskrachten, vooral in de bouw en de landbouw. Maar ook de luxe Dominicaanse strandresorts draaien grotendeels op Haïtiaanse arbeid.

Volgens de immigratiedienst worden maandelijks duizenden tot soms tienduizenden Haïtianen uitgezet, al is de Dominicaanse economie daar helemaal niet bij gebaat. In de praktijk is het aantal werkelijke deportaties veel lager, stelt Ernesto Alcius, de Haïtiaan die vergeefs probeerde om zijn gearresteerde familielid een maaltijd mee te geven.

‘Het is een business’, zegt hij enkele dagen later tijdens een avondlijk bezoek aan zijn zwager in diens huisje van hout en spaanplaat net buiten de stad. Alcius’ zoontje van 5 klampt zich vast aan de benen van zijn oom. De tengere Angelo Jean is weer thuis. Hoe dat kan? ‘15 duizend peso’s’, zegt hij.

Amper een nacht verbleef hij aan de Haïtiaanse kant van de grens. Na betaling van omgerekend 240 euro aan de Dominicaanse grenspolitie keerde hij in de vroege ochtend terug. Zo ging het al drie keer, vertellen de mannen. Telkens stak de familie zich dieper in de schulden. Alcius ontsprong tot nu toe de dans. Uit voorzorg draagt hij ook op vrije dagen zijn werkkleding van een Dominicaanse bedrijf.

De details van hun relaas zijn niet te controleren, maar ze komen overeen met getuigenissen van andere Haïtianen. De overgrote meerderheid, zo stellen Dominicaanse Haïtianen, keert na betaling onmiddellijk weer terug. Tijdens een persconferentie in het presidentieel paleis bevestigt president Abinader tegenover de Volkskrant dat corruptie aan de grens een probleem is. ‘Ik kan zeggen dat we, zonder dat we hierover publiceren, wekelijks leden van de immigratiedienst en het leger aanhouden vanwege corruptie.’

In het donkere huisje van zijn zwager mijmert Ernesto Alcius over de toekomst. Zijn twee kleine kinderen zijn in de Dominicaanse Republiek geboren, maar hebben alleen een Haïtiaans paspoort. Een vredige toekomst in het verscheurde Haïti lijkt oneindig ver weg. Misschien Brazilië, zegt hij. Vooralsnog houdt het heden zijn jonge gezin in de Dominicaanse Republiek. ‘Ik moet eerst mijn schulden aflossen.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next