Twee vrouwelijke IS-strijders zijn met hun kinderen uit Syrië naar Nederland overgebracht voor berechtiging door een Nederlandse rechter. Dat schreven demissionair minister van Justitie en Veiligheid Dilan Yeşilgöz (VVD) en demissionair minister van Buitenlandse Zaken minister Hanke Bruins Slot (CDA) dinsdag in een Kamerbrief.
De Nederlandse vrouwen waren naar Syrië afgereisd toen de Islamitische Staat (IS) daar actief was en worden verdacht van terroristische misdrijven. Sinds 2019 heeft IS geen terrein meer in Syrië en worden IS-strijders opgesloten in kampen onder het bewind van een Koerdische militie genaamd de Syrische Democratische Strijdkrachten (SDF). De SDF worden gesteund door de Verenigde Staten en hebben het noorden van Syrië in handen.
Dinsdag hebben de Verenigde Staten volgens een verklaring van het Witte Huis hun meest omvangrijke repatriëring uitgevoerd tot nu toe. Als deel van de operatie wisten de Verenigde Staten elf gevangenen van Koerdische kampen naar Canada, Finland en Nederland te repatriëren, en elf naar de Verenigde Staten. De twee vrouwen en hun kinderen waren daar onderdeel van. Irak haalde in april honderden van zijn uitreizigers terug.
„Met de overbrenging naar Nederland beoogt het kabinet te voorkomen dat deze twee verdachten straffeloos blijven”, schrijven de ministers in de Kamerbrief. Nederland voert geen actief beleid op het terughalen van Nederlandse jihadisten. Volgens de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) verblijven zo’n honderd Nederlandse uitreizigers nog in Syrië, Irak of Turkije. Een derde daarvan zou Syrisch-Koerdische kampen of detentiecentra zitten.
Een aantal uitreizigers is na een besluit van de rechter gerepatrieerd in 2021, toen de eerste Syriëganger die Nederland terughaalde werd berecht. De rechter besloot toen dat de verdachte niet verder vervolgd zou worden als die niet naar Nederland gehaald werd om het proces bij te wonen. In november 2022 haalde Nederland nog 12 vrouwen en 28 kinderen terug. De kinderen werden, net zoals de huidige twee, overgedragen aan de Raad voor de Kinderbescherming.
Source: NRC