Home

Met dit beslapen en besekste bed schopte Tracey Emin, een van de Young British Artists, het kunstestablishment omver

In 1999 werd in het Londense Tate Britain het beslapen en besekste bed van de jonge Engelse kunstenaar Tracey Emin tentoongesteld. Daarmee stond de revolutionaire kunststroming die de Young British Artists is gaan heten definitief in de schijnwerpers. Wat is er 25 jaar later geworden van hun bravoure en schaamteloosheid?

Arme Steve McQueen. In 1999 kreeg de toen 30-jarige Engelse kunstenaar de prestigieuze Turner Prize toegekend. Alleen spijtig voor McQueen dat alle aandacht dat jaar niet naar hem uitging, maar naar een van de andere genomineerden: de zes jaar oudere Tracey Emin. En dan met name naar Emins inzending: haar beslapen en besekste bed dat pontificaal in een van de zalen van de Londense Tate Britain lag na te walmen.

Een relletje was geboren. Want hoe haalde deze Emin het in haar hoofd een matras met omwoelde lakens en onopgemaakte kussens, tissues, uitgetrokken panty, sloffen, pillen, sigarettenpeuken, lege wodkaflessen, ondergoed met menstruatiebloed en gebruikte condooms in het al even prestigieuze Tate te exposeren?

1999

Het laatste jaar van de vorige eeuw, nu 25 jaar geleden, is in de popculturele geschiedenis een jaar van groot belang. In een onregelmatig verschijnende reeks artikelen laat de Volkskrant zien waarom we nog altijd zo vaak terugverwijzen naar 1999. In deel 3: The Young British Artists en Tracey Emins controversiële My Bed.

De kunstenaar verklaarde dat haar bed er zo had uitgezien na een ‘mini-zenuwinzinking’ van enkele dagen. En ze had gedacht: als ik dit eens in een witte ruimte laat zien, als kunst? ‘It looked fucking brilliant.’

De tabloids spraken er schande van. Emin was een ‘waardeloze oplichter’ en ‘eindeloos narcistisch’. De Britse cultuurminister Chris Smith bekritiseerde de jury omdat die in zijn ogen met opzet een schokkend beeld had geselecteerd dat het land een slechte naam zou bezorgen. Anderen zouden het bed juist weer als de waardige opvolger beschouwen van Marcel Duchamps beroemdste readymade: zijn gesigneerde urinoir, uit 1917.

Een bezienswaardigheid werd het in elk geval. My Bed, zoals de voor de hand liggende, officiële titel luidde, trok maar liefst 140 duizend bezoekers naar het Londense museum. Emins naam was gevestigd. Tegenover de tv-zender ITN liet ze weten met dit werk nooit meer bergafwaarts te kunnen gaan: ‘Ik ga alleen nog bergopwaarts!’

Over de auteur
Rutger Pontzen is kunstcriticus en schrijft voor de Volkskrant over zowel oude en moderne als over hedendaagse kunst.

Trammelant

Nu had Emin een reputatie hoog te houden, als het om trammelant gaat. Twee jaar eerder schreef ze tv-geschiedenis door dronken en met een glimmend gespalkte ringvinger in een paneldiscussie te verschijnen. Ze maakte er met iedereen ruzie, bevrijdde zich met veel kabaal van haar microfoon en verliet uiteindelijk de studio, de kijkers achterlatend in totale verbijstering.

Emin liet achteraf weten zich niets meer van dat hele gesprek te herinneren: ‘Ik ben helemaal gestoord, 35 jaar oud, kinderloos, anorectisch, neurotisch, psychotisch. En elke dag probeer ik dat op te lossen.’

Neemt niet weg dat Emins optreden en met name haar bed precies pasten bij wat een nieuwe, jonge generatie Engelse kunstenaars voor ogen stond: een afrekening met het bestaande kunstestablishment zoals dat volgens hen ook in het Verenigd Koninkrijk bestond.

Het verhaal: hoe de eigenzinnige academiestudent Damien Hirst in 1988, met een dozijn collega-studenten, in de Londense Docklands op eigen initiatief de Freeze-expositie organiseerde. Hoe hij daarvoor verzamelaar Charles Saatchi en Tate Gallery-directeur Nicolas Serota wist te interesseren (naar verluidt reed hij Serota zelf naar de tentoonstelling, achterop de fiets).

Agressieve blikvanger

Hoe Hirst al snel media-aandacht kreeg als spil van de groep, met zijn even spectaculaire als agressieve blikvanger The Physical Impossibility of Death in the Mind of Someone Living, oftewel zijn haai op sterk water. Hoe anderen, zoals Sarah Lucas, Gary Hume, Mat Collishaw, Tracey Emin, Angus Fairhurst en de Wilson Twins, Jane en Louise, in de slipstream volgden met even krachtige als ruige beelden.

Hoe die combinatie van ambitieuze studenten (veelal van het Goldsmiths College), een rijke collectioneur (Saatchi), belangrijke museumdirecteur (Serota), een paar slimme galeries (waaronder White Cube) en het nieuwe, hippe kunsttijdschrift Frieze zich in een kleine tien jaar ontwikkelde tot een explosief mengsel, een kritische massa waaruit als bij een kernbom de YBA-beweging werd geboren: Young British Artists.

Brit Art stond plots op de kaart, net als Londen, het epicentrum van een nieuw soort kunst: agressief, mediageniek, vol jong bravoure. En dat allemaal in het tijdperk van Margaret Thatcher, de conservatieve premier die bedrijven wilde privatiseren en kunstsubsidies minimaliseren.

Of misschien wel júíst door Thatcher. Want door haar economische beleid – ze ‘subsidieerde’ het opzetten van kleine, eigen bedrijven – groeide er een hang naar eigen initiatief, zelfwerkzaamheid en zelfredzaamheid. Naar entrepreneurschap en een doe-het-zelfhouding. Ook in het kunstcircuit.

Dankzij Thatchers subsidie kon Rachel Whiteread een studio huren en konden Jane en Louise Wilson een filmstudio bekostigen, terwijl Tracey Emin en Sarah Lucas hun eigen kunstwinkel openden. Hoogtepunt was het ondernemerschap van Hirst die via zijn moeder (!) de hulp inriep van Frank Dunphy, manager van de toen populaire Coco the Clown.

Dunphy zou halverwege de jaren negentig zijn naam als financiële mastermind meer dan waarmaken door ook andere YBA’ers als Emin, Whiteread en Jake en Dinos Chapman terzijde te staan. Het legde de youngsters geen windeieren. Succes was niet langer een vies woord. Het geld stroomde binnen, alleen al omdat Dunphy bij galeries, in plaats van de gebruikelijke 50 procent, met regelmaat een verkooppercentage van 80 tot 90 procent voor de kunstenaars wist te bedingen (waarvan hijzelf dan weer een tiende deel ontving).

Erectie-komkommer

Bevestiging van de frisse, rebelse status van de Brit Art was, in 1997, de overzichtstentoonstelling in de Londense Royal Academy of Arts. Titel: Sensation. Stenen des aanstoots: de poppen met penis- en anusgezichten van de gebroeders Jake en Dinos Chapman, het matras met twee meloenen en erectiekomkommer van Sarah Lucas, en vooral Marcus Harvey’s portret van de kindermoordenaar Myra Hindley, geschilderd door kinderhandjes.

Toen dezelfde tentoonstelling twee jaar later New York aandeed, in het Brooklyn Museum of Art, werd er mild gereageerd op het Hindley-portret, maar brak juist de hel los over Chris Ofili’s The Holy Virgin Mary. Reden: het schilderij toonde een zwarte madonna, beplakt met pornofoto’s van vrouwenbillen en gepresenteerd op olifantendrollen.

Het museum had nog wel gewaarschuwd dat de expositie ‘overgeven, verwarring, paniek, euforie en angst’ zou kunnen veroorzaken. Volgens de New Yorkse burgervader, Rudy Giuliani, was Ofili’s schilderij ‘ziek’ en ‘wanstaltig’. Hij dreigde met een subsidiestop voor het museum.

Het belang van Emins bed in deze heropleving van de Britse kunst, na de popart in de swinging sixties, is niet te veronachtzamen. Het was wellicht dé bevestiging van de bekendheid die de YBA’ers plotseling genoten.

Oké, als icoon van de YBA ondervond Emins bed hevige concurrentie van Hirsts ‘zwemmende’ tijgerhaai: het is een sterker beeld, bezit meer thatcheriaanse agressie en meer eeuwigheidswaarde, zelfs al is de vis inmiddels door een minder gerimpeld exemplaar vervangen.

Schaamteloos

Toch past Emins ensemble van vieze lakens, condooms, ondergoed en lege drankflessen beter in de opschudding die Brit Art in de jaren negentig veroorzaakte. Emin had een nieuwe toon gevonden. Rauwer, gedurfder en vooral ook: schaamtelozer. Hirst etaleerde een haai; Emin zichzelf. Naast haar bed lag ook haar privéleven in het museum – op straat.

Het is haar handelsmerk geworden. Of altijd al geweest. Schroom kent Emin niet. Mislukte verliefdheden, abortussen, ingrijpende operaties, seksueel misbruik, vernederingen, wraak op ex-geliefden, Emin heeft er nooit een geheim van gemaakt dat haar leven erdoor is gevormd. Beroemd is haar tent, uit 1996, van binnen beplakt met de 102 namen van iedereen – ook haar oma – met wie ze in bed heeft gelegen.

Dat met de presentatie van het bed, als hoogtepunt van de nieuwe Britse kunst, ook de kunstenaars zelf op hun hoogtepunt waren, is te kras gesteld. Dat na 1999 de Young British Art een tweede fase in ging, niet. Van de kunstenaars die in de jaren negentig het voortouw namen, is in de 21ste eeuw niet iedereen overeind gebleven.

Dieptepunt was de zelfmoord van Angus Fairhurst in 2008. Anderen verdwenen langzaam van de radar, zoals de Wilson Twins en Marcus Harvey. Het bleek lastig de hoge verwachtingen van de rebellerende YBA-jaren te blijven waarmaken.

Schedel met kogelgat

Mat Collishaw, bekend van zijn foto van een schedel met kogelgat, richtte zich op de natuur. Marc Quinn, die een diepvries-replica maakte van zijn hoofd met vier liter afgetapt bloed, heeft sindsdien een voorliefde voor klassieke beeldhouwkunst.

Sommigen bleven volharden in hun controversiële werk. Twee jaar geleden haalden de Chapman-broers nog de pers met hun reclamefoto’s voor modemerk Balenciaga, van peuters met knuffels in visnetshirts, leren harnassen en andere bondage-kledij. Provocatief werk dat niet door iedereen werd gewaardeerd – de campagne werd gestaakt – maar, volgens de twee broers, juist daardoor liet zien hoe preuts de maatschappij is geworden.

Wat het ook laat zien: dat de thatcheriaanse hang naar artistiek succes zijn keerzijde heeft. Dat onafhankelijke kunstenaars in dienst van een groot modemerk niet zo onafhankelijk zijn als verondersteld. Ook al zijn de kunstenaars beroemde YBA’ers.

Visrestaurant

Het meest in beeld bleef Damien Hirst. De initiatiefnemer van de legendarische Freeze-tentoonstelling weet nog altijd de aandacht op zich te vestigen. Minder met zijn werk dan met de commercie eromheen. Al in 1997 richtte hij zijn eigen restaurant op, Pharmacy, dat zeven jaar later sloot, gevolgd door een visrestaurant en Pharmacy 2. Momenteel restaureert hij het immense landhuis Toddington Manor in Zuidwest-Engeland, om er zijn eigen collectie in onder te brengen.

Spectaculair was zijn plan, in 2008, om 223 nieuwe kunstwerken rechtstreeks bij Sotheby’s te laten veilen, zonder zijn galeriehouders daar bij te betrekken (opbrengst: 140 miljoen euro). Ook spectaculair: de onthulling onlangs, dat Hirst kunstwerken die in 2017 zijn gemaakt, presenteerde als kunstwerken uit de jaren negentig.

En Tracey Emin? Haar laatste openbare werk is een negen meter hoge, bronzen sculptuur, The Mother, dat in 2022 werd onthuld op het museumeiland voor het nieuwe Munch Museum in Oslo. Emin woont en werkt tegenwoordig deels in Margate, waar ze is opgegroeid. Ze heeft er een onderkomen gevonden en een artist’s residence opgezet.

Geen spat veranderd

In haar tekeningen en teksten is ze nog even persoonlijk als tevoren. In een ‘Letter from Margate’, in de Evening Standard, beschreef Emin vorig jaar nog openhartig hoe ze iemand probeerde te pijpen, uit dankbaarheid dat hij haar been had verzorgd waaraan ze na het zwemmen gewond was geraakt. Ze was destijds 10. Emin is geen spat veranderd.

Wel veranderd is haar bedgedrag: ‘Ik rook niet meer, heb geen seks, gebruik geen voorbehoedsmiddelen, menstrueer niet meer. (…) Mochten er nu al vlekken in mijn lakens zitten, laat ik ze gelijk wassen.’

PS: Het is met Steve McQueen toch nog goed gekomen. De windstilte rond de Turner Prize-winnaar van 1999 was van korte duur. Dankzij zijn succesvolle filmcarrière en Oscar voor Twelve Years a Slave is McQueen inmiddels internationaal gezien bekender dan Tracey Emin.

Het omstreden en veelbesproken My Bed van Tracey Emin, middelpunt op de Turner Prize-tentoonstelling van 1999, werd een jaar later door Charles Saatchi voor 173.000 euro aangekocht. De verzamelaar zelf exposeerde het bed in zijn Saatchi Gallery, het voormalige Londense stadhuis aan de Theems, én in zijn eigen woonhuis. Veertien jaar later werd het bij Christie’s voor bijna 3 miljoen euro geveild; de nieuwe eigenaar, de Duitse industrieel en verzamelaar Christian Dürckheim, heeft het kunstwerk tot eind dit jaar aan de Tate Gallery uitgeleend.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next