Architect Riken Yamamoto neemt binnenkort de Pritzker Prize in ontvangst, een van de belangrijkste prijzen voor zijn vakgebied. Opvallend: hij is daarmee de negende Japanse laureaat. Dat Japanse architectuur in trek is, is ook in het Nederlandse straatbeeld te zien.
‘Ik ben niet erg goed in ontwerpen’, bekende de Japanse architect Riken Yamamoto in zijn monografie uit 2012. ‘Maar ik let wel goed op mijn omgeving.’ Op de omslagfoto staat hij blootvoets, zijn overhemd losjes over zijn broek, ontspannen lachend op het dakterras van zijn woonhuis in Yokohama. Het door hemzelf ontworpen huis is een simpel bouwwerk van staal, glas en hout, bedacht om sociale interactie op gang te brengen, via het winkeltje aan de straat en doorzichten naar omringende dakterrassen. Want wat Yamamoto om zich heen ziet, is dat architectuur bewoners vooral van hun omgeving afschermt, terwijl de mens gebaat is bij ontmoeting en dialoog.
Op 16 mei ontvangt Yamamoto de Pritzker Prize, die geldt als de Nobelprijs van de architectuur, ‘voor de manier waarop hij grenzen tussen privé en publiek zorgvuldig laat vervagen’. Dat is verrassend: doorgaans winnen architecten die iconische gebouwen maken, zoals Frank Gehry en Rem Koolhaas. Al koos de jury de afgelopen jaren vaker voor ontwerpers met een sociaal-maatschappelijke agenda.
Over de auteur
Kirsten Hannema schrijft voor de Volkskrant over architectuur, landschapsontwerp en stedenbouw.
In het juryrapport wordt opgemerkt dat Yamamoto de negende Japanse architect is die de prijs wint, na architecten als Tadao Ando, Toyo Ito en het duo Kazuyo Sejima en Ryue Nishizawa van bureau SANAA. Ontwerpers die ook in Nederland voet aan de grond kregen. SANAA bouwde in 2007 een theater in Almere, Ito realiseerde een 100 meter hoge kantoortoren op de Amsterdamse Zuidas. Yamamoto zou daar samen met architect Felix Claus een hoogbouwcomplex realiseren, maar dat ging door de economische crisis niet door. Ando kreeg recent de opdracht het Kröller-Müller Museum te verbouwen.
Omgekeerd trokken Nederlandse ontwerptalenten, onder wie Florian Idenburg en Marieke Kums, naar Japan om bij SANAA in Tokio te werken. Idenburg begon in 2008 zijn bureau SO-IL in New York, dat internationaal succesvol is. Kums startte Studio Maks in Rotterdam. Haar eerste grote project, een glooiend gevormd glazen bezoekerspaviljoen in het Friese Park Vijversburg, ontwierp ze samen met de Japanse architect Junya Ishigami, die ze leerde kennen bij SANAA. Het gebouw werd in 2018 genomineerd voor de prestigieuze Mies van der Rohe Award. Maar als professor aan de universiteit van Hannover neemt Kums haar studenten jaarlijks mee op excursie naar: Japan.
Waarom zijn Japanse architectuur en architecten zo populair?
De kruisbestuiving tussen Oost en West is niet nieuw. De band tussen Nederland en Japan gaat terug tot 1609, toen de VOC een handelspas van Japan kreeg, waarmee in alle Japanse havens handel mocht worden gedreven.
De interesse van westerse architecten voor Japanse architectuur wordt wel verklaard vanuit de theorie dat de oorsprong van het modernisme – met als credo ‘licht, lucht en ruimte’ - in Japan ligt. Anders dan in westerse gebouwen, die gesloten dragende gevels hebben, wordt het traditionele Japanse huis door houten kolommen gedragen, met daartussen schuifwanden van rijstpapier, waardoor de plattegrond vrij in te delen is.
De vrije plattegrond en kolommen vormen de kern van Le Corbusiers manifest ‘naar een nieuwe architectuur’ uit 1925. Japanse architecten als Kunio Maekawa, die in de jaren twintig van de vorige eeuw voor Le Corbusier werkte, introduceerden diens gedachtengoed in Japan. Daar ontstond in 1960 het metabolisme, een avantgardistische beweging – mede opgericht door Kenzo Tange, Pritzker Prize-winnaar van 1987 – die gebouwen voorstelde als organische structuren, die je kunt uitbreiden en veranderen. Zo bouwde architect Kisho Kurokawa in 1972 in Tokio de iconische Nakagin Capsule Tower, een gebouw als een boomstam waaraan 140 futuristische wooncapsules ‘groeien’.
De autodidactische Ando is een meester in het spelen met licht en materiaal; gepolijst beton is zijn handelsmerk. Shigeru Ban (Pritzker Prize-winnaar van 2014) werkt met lichtgewicht constructies van hout en karton, zich bekommerend om duurzaamheid nog voordat iemand daarmee bezig was.
De kracht van Japanse architectuur schuilt in deze diversiteit aan bouwstijlen, die allemaal ‘in topvorm’ worden bedreven, stelt de Japanse, in Nederland gevestigde architect Moriko Kira. De bouwcultuur in Japanse steden, die wordt gedreven door particuliere investeerders, speelt daarin een belangrijke rol. ‘In Japan is er geen stedenbouwkundige planning’, legt Kira uit. ‘Het straatbeeld ontstaat als uitkomst van een verzameling individueel ontworpen gebouwen.’
Het is het tegenbeeld van de Europese stad, waar gebouwen straatwanden en pleinen vormen, en nieuwbouw moet voldoen aan beeldkwaliteitsplannen en welstandseisen. Die ontbreken in Japan. Zoals Kira het zegt: ‘Vanuit de stad wordt niets van architecten verwacht’. Alle creatieve energie gaat naar het ontwerpen van architectonische objecten, die worden ingezet als uithangbord voor een bedrijf, of om uitdrukking te geven aan de idealen van de architect. Dat resulteert in experimentele, veelal opvallende – mediagenieke – bouwwerken.
Zelf wilde Kira zich toeleggen op het bouwen aan de stad. Daarom kwam zij in 1989 naar Nederland om aan de TU Delft te studeren, waarna ze in Amsterdam een bureau begon.
Motor achter de Japanse moderne architectuur is de praktijk van sloop-nieuwbouw. ‘Als ik in Tokio kom, loop ik altijd eerst een rondje door de buurt om te zien wat er nog staat’, vertelt Claus, die er een huis heeft, waar hij een paar maanden per jaar verblijft. Deze praktijk komt enerzijds voort uit verwoestingen in de Tweede Wereldoorlog en door natuurrampen, anderzijds uit tradities.
Zo worden de Shintoschrijnen in Ise elke twintig jaar afgebroken en herbouwd. De hoge grondprijzen in steden spelen ook een rol. Het merendeel van de vastgoedwaarde zit in de grond, niet – zoals in Nederland – in het gebouw. Een pand dat niet meer werkt breekt men liever af om iets nieuws neer te zetten dan het te renoveren.
Erfgoedbeleid kent Japan niet. Zo kon het gebeuren dat de beeldbepalende Nakagin Tower in 2022 gesloopt is om plaats te maken voor een nieuwe toren. ‘De meeste architecten in Japan overleven hun gebouwen’, zegt Idenburg. Tegelijk biedt sloop hen kansen om nieuwe, spectaculaire architectuur te maken. Neem het Shibaura-kantoorgebouw in Tokio, dat SANAA ter vervanging van een veertig jaar oude drukkerij bouwde: een spierwitte, met glas omklede ‘kijkdoos’ die de activiteiten in het gebouw etaleert.
Een ander gevolg van de hoge grondprijzen is dat stedelingen in, naar westerse maatstaven, kleine huizen wonen. Op stukken grond zo klein als postzegels puzzelen Japanse architecten met gangloze plattegronden, uitklapmeubels en dakterrassen annex buitenkamers.
Daarover schreef de Nederlandse architect Cathelijne Nuijsink het boek How to Make a Japanse House (2012). Het geheim schuilt volgens haar in de focus op de ‘spirituele aard van architectuur, in plaats van de rationale hoeveelheid vierkante meters’. Neem het NA House dat architect Sou Fujimoto in Tokio bouwde: een kristalachtige dozenstructuur, met stalen lijnen, die op verschillende hoogtes in elkaar grijpen, waarbij de vloerplaten dubbelen als tafel, bureau, bar en bed. Maar opbergruimte en privacy ontbreken.
Claus zag het huis dat hij in 2008 in Tokio bouwde als ‘een geweldige kans om alles te kunnen doen wat in Nederland verboden is’. ‘In het Nederlandse bouwbesluit is precies vastgelegd wat je moet ontwerpen, van de standaard 90 centimeter deurbreedte tot de plafondhoogte van 2,60 meter. In Japan gelden alleen veiligheidsvoorschriften ten aanzien van bouwhoogte, aardbevingsbestendigheid en brandoverslag. Ik kon verder alles zelf uitdenken.’
Passend en metend besloot hij dat een wc best toe kan met een deur van 45 centimeter breed, en een slaapkamer met een plafond van 2,10 meter. Zo kon hij binnen de toegestane bouwhoogte van 10 meter vier verdiepingen realiseren, onderling verbonden door vides en trappen van als origami gevouwen staalplaten.
Kums en Idenburg zien dat er in Japan veel aandacht is voor esthetiek, terwijl het woord schoonheid op de TU Delft taboe was. ‘Op de TU werden wij opgeleid om concepten te bedenken’, zegt Kums. Het is een beredeneerde manier van ontwerpen, waarbij vaak gewerkt wordt met analyses en diagrammen. Kums: ‘Ik wilde geen concepten maken, maar gebouwen ontwerpen, de ruimte zelf vormgeven, werkend op een intuïtieve manier’, zegt ze over de keuze om bij SANAA aan de slag te gaan.
Idenburg: ‘In Japan heb ik pas echt leren bouwen, denkend over de kleinste details; van elke aansluiting werd een een-op-eenmaquette gemaakt’. Constructeurs spelen een belangrijke rol in het ontwerpproces, vertelt Idenburg. ‘In Nederland is de constructeur in dienst van de opdrachtgever, in Japan werkt hij voor de architect. Techniek en innovatie zijn onderdeel van het ontwerpproces.’
Een voorbeeld van wat dat aan baanbrekende constructies kan opleveren, is de mediatheek in Sendai (2001), ontworpen door architect Toyo Ito met constructeur Mutsuro Sasaki. Het gebouw wordt gedragen door gigantische holle kolommen, gebaseerd op de vorm van zeewier onder water. De kolommen, die ook liften en installaties herbergen, hebben diameters tot wel 9 meter, en zijn gemaakt van dunne stalen buizen.
Na minimalistische esthetiek, constructies en microhuizen richt een nieuwe generatie Japanse architecten, geïnspireerd door de jonge, antikapitalistische filosoof Kohei Saito, zich op de kansen van economische krimp en de rol de architect daarin kan spelen. Voorloper in deze beweging is Yoshiharu Tsukamoto van Atelier Bow-Wow uit Tokio; hij was in 2006 gastprofessor aan de TU Delft. Tsukamoto wil de focus radicaal verleggen, van bouwen – goed voor 40 procent van de CO2-uitstoot wereldwijd – naar het realiseren van klimaatpositieve projecten. Hij leidt studenten op tot riettelers en leert ze werken met riet.
Kira ziet de jonge architect Hirokazu Suemitsu als voorbeeld. Hij ontwerpt duurzame, lowtech-architectuur, als verlengstuk van natuurlijke systemen, zoals de topografie, grondwater, beplanting, wind en zon. Ook ziet ze dat er meer aandacht ontstaat voor hergebruik. Het Amsterdamse bureau HOH Architecten is door de Japan-Netherlands Architecture and Cultural Association gevraagd om een expositie te maken over de omgang met architectonisch erfgoed, in september te zien in het Shibaura-gebouw. ‘Japan beweegt zich weg van de grote namen’, concludeert Claus. ‘De architectuur wordt minder bombastisch en egocentrisch.’ Kira: ‘Ik ben heel gelukkig dat Yamamoto de Pritzker Prize heeft gewonnen.’
Architect Riken Yamamoto is kritisch over de EXPO 2025 die in Osaka wordt gehouden; hij vindt het een uiterst onduurzaam evenement, vertelde hij tijdens een debat dat begin april in Tokio werd georganiseerd. Er ontstond een verhitte discussie tussen de Pritzker Prize-winnaar en architect Sou Fujimoto, die het masterplan voor de EXPO maakte. Fujimoto ontwierp ook de gigantische overkapte houten ‘ring’ rond het expoterrein, met een diameter van 700 meter en een oppervlakte van 60.000 vierkante meter. Kosten: 217 miljoen euro.
Shou sugi ban: brandtechniek geïnspireerd door eeuwenoude Japanse traditie, waarbij (cipressen)hout voorzien wordt van een gebrande zwarte laag die het materiaal beschermt. Architect Pieter Wijnen bekleedde de gevel van zijn eigen woonhuis op Amsterdam IJburg ermee, en begon daarna het bedrijf Zwart Hout.
Kintsugi: porseleinen serviesgoed dat na breuk met goudlijm wordt hersteld. Door voormalig rijksbouwmeester Floris Alkemade gebruikt als metafoor om kapotte of disfunctionele gebouwen of wijken aan te pakken.
Wabi-sabi: esthetische filosofie die de schoonheid van imperfectie en vergankelijkheid waardeert. Is hier al enige tijd een (interieur)trend, die draait om ingetogen, sobere esthetiek en verweerde materialen.
Engawa: ‘randstrook’ rond de traditionele Japanse woning, die in de zomer als veranda wordt gebruikt, en in de winter dichtgezet. Onder meer toegepast in het kantoor dat SO-IL, het bureau van Florian Idenburg, op de Amsterdamse Zuidas bouwt.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant