Home

Op het moment dat de eerste toon klonk, veranderde mijn jongste dochter in een popster

Het was bewolkt binnen. Zoals dat werkt met bewolking, die komt en gaat weer. Ondertussen is het een kwestie van naar buiten blijven kijken. Daar, op die eerste meidag, scheen de zon. Mijn dochters stonden op het dakterras en hadden oogschaduw op gedaan en glitterlipgloss. De jongste had haar krullen in een piepklein staartje op haar achterhoofd gebonden en droeg een rokje, een zwart T-shirt zonder mouwen en de oude witte sneakers van haar zus, die haar veel te groot zijn.

Over de auteur
Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.

Ook de oudste droeg een mouwloos topje en een rokje met daaronder blote benen. In haar ene hand hield ze een oude telefoon vast en in de andere hand een bellenblaas-geweer. Ze zette een liedje op, Pico bello, en op het moment dat de de eerste toon klonk, veranderde mijn jongste dochter in een popster.

Ze wiegde met haar heupen, gooide haar armen omhoog en playbackte met de muziek mee, terwijl ze – dit kind is 6 – een schalkse blik in de telefoon wierp die mijn oudste dochter vasthield. Met haar andere hand gebruikte die het bellenblaasgeweer om allemaal kleine zeepbelletjes over haar dansende zusje te spuiten.

Ze hadden zich verscholen achter de wapperende lakens aan de waslijn – het was niet de bedoeling dat ouders dit zouden zien. Maar ze waren even vergeten dat ze recht voor het raam van de werkkamer stonden.

Later die middag fietsten we naar een meertje in de duinen. De lucht was opgetogen warm en rook naar nieuwe blaadjes en gemaaid gras. De bakfiets (die we dus hebben) zat volgepakt met dochters, tassen en een echte picknickmand (die we dus ook hebben).

Eenmaal bij het meertje aangekomen vonden we een rustig plekje uit de wind en na even talmen speelden de meisjes in het koude water. Eerst was de kunst om de talloze kikkervisjes zo veel mogelijk te ontwijken, daarna was het de kunst om ze te vangen. Ondertussen las ik hoe Redmond O’Hanlon zich door de jungle van Borneo worstelde, voelde ik de zonnestralen op mijn blote huid en het hoofd van mijn vrouw – die tegen me aan was gaan liggen – op mijn borst.

Na een paar uur pakten we de spullen weer in en liepen we terug. We kwamen langs een jonge vader die geknield zat voor zijn dochtertje en schoenen bij haar aantrok. Ik zei tegen mijn vrouw dat ik het soms wel mis dat onze dochters niet meer zo klein zijn. Dat vond zij ook. Maar, groot zijn ze ook nog niet. Net als dat wij niet meer jong zijn, maar nog lang niet oud. Onderweg terug ging ik naast ze fietsen en keek even goed naar ze. Dit was zo’n dag die ik over tien jaar ga missen. Maar misschien morgen al.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next