De Nederlandse atletiekploeg kent twee debutanten: tweeling Eugene en Jaimie Omalla (23), met wortels in Nederland en Oeganda, moet de gouden olympische ambities op de 4x400 meter estafette helpen waarmaken. ‘Ze namen ons veel serieuzer dan het Oegandese team.’
Het is het ultieme cadeau voor een sportbestuurder: een nog onbekende atleet met olympische potentie, die meldt graag voor Nederland te willen uitkomen én beschikt over het juiste paspoort. Nog beter: als het een tweeling is.
Het overkwam Vincent Kortbeek, technisch directeur van de Atletiekunie. Uit het niets dienden Eugene en Jaimie Omalla (23) zich vorig jaar aan. Geboren in Nederland, opgegroeid in Oeganda en met een atletiekbeurs studerend aan een universiteit in de Amerikaanse staat Kansas. Specialiteit: de 400 meter.
‘Ze kwamen zelf met de vraag. Het kwam uit de lucht vallen’, zegt Kortbeek.
Over de auteur
Mark van Driel schrijft al ruim twintig jaar voor de Volkskrant over olympische sporten als tennis, schaatsen en atletiek.
Bij het eerste contact leken de twee een aanwinst voor de lange termijn, maar in februari heeft Eugene Omalla de 400 meter in 45,18 seconden afgewerkt. Een toptijd, naar Nederlandse begrippen. Slechts één atleet, Liemarvin Bonevacia, was ooit sneller.
Op papier lijkt Eugene Omalla een aanwinst die al in Parijs een sleutelrol kan spelen in de gouden ambities op de 4x400 meter estafette. Drie jaar geleden, in Tokio, veroverde Nederland zilver. Geen enkele man of mannenploeg wist ooit een gouden olympische medaille te winnen. Vorig weekeinde debuteerde Omalla bij de World Relays op de Bahama’s: Nederland werd tiende en greep naast een finaleplaats.
‘De jongens zijn echt aardig’, zegt hij over de kennismaking met zijn nieuwe teamgenoten. Hij voelde zich allerminst een indringer in de hechte ploeg, die behoort tot de wereldtop. Veel van de sprinters herkenden zich in zijn situatie; Churandy Martina, Liemarvin Bonevacia en Terrence Agard kwamen aanvankelijk uit voor de Nederlandse Antillen, maar wendden zich tot Nederland toen het Internationaal Olympische Comité (IOC) de Antillen in 2010 onthief van zijn status als zelfstandige sportnatie.
‘We hebben er veel over gesproken’, zegt Omalla, die afwisselend in Nederlands en Engels spreekt. ‘Er zijn veel overeenkomsten met die keuze om te veranderen van land, al is het verschil dat ik nooit officieel ben uitgekomen voor Oeganda.’
Sportmigratie komt vaker voor. Met de Olympische Spelen in aantocht lijkt zelf sprake van een administratieve eindsprint: vorige maand verkreeg ook de Surinaamse zwemmer Renzo Tjon-A-Joe ook de Nederlandse nationaliteit.
Alles wijst erop dat er in Parijs minimaal tien deelnemers zullen meedoen die op hoog niveau hebben gesport voor een ander land of voor een ander land hadden kunnen uitkomen. Behalve uit Curaçao komen zij uit Mexico (handboogschieten), Griekenland (zeilen), Suriname en de Verenigde Staten (zwemmen).
Omgekeerd vertrekken soms ook Nederlanders naar het buitenland. Afgelopen weekeinde maakte judoka Kim Polling bekend dat zij op de Olympische Spelen wenst uit te komen voor Italië, het land waar ze al jaren woont.
Voor Omalla is migratie onlosmakelijk verbonden met het leven. Jaimie en hij zijn pas 23 jaar, maar hebben al in vier landen gewoond: zeven jaar in Nederland, zeven jaar in Oeganda, vier jaar in Kenia en vijf jaar in de Verenigde Staten.
Vader Tim komt uit Oeganda, moeder Wilma uit Nederland. Ze ontmoetten elkaar 25 jaar geleden, toen zijn moeder vrijwilligerswerk deed in Afrika. Samen kwamen ze naar Zoetermeer, waar de tweeling de eerste zeven jaar van hun leven doorbracht. Ze verhuisden naar Oeganda toen hun ouders besloten hun eigen christelijke stichting op te richten: Child’s Destiny of Hope. Die bouwt scholen en waterputten.
De broers verkasten op hun 14de opnieuw, ditmaal naar Kenia, waar ze vier jaar op een kostschool zaten. Hun favoriete sport was rugby, maar ze zagen dat atletiek een kans op een goede opleiding in Amerika bood: veel Keniaanse langeafstandslopers volgen die route.
Zij waagden zich in hun laatste schooljaar aan de 100 meter. Tot hun eigen verrassing bleken ze al snel goed genoeg voor een studiebeurs in de staat Illinois. Omalla: ‘Na een halfjaar liepen we 10,7 en 11 seconden. Dat zijn goede tijden voor zes maanden training.’
Vanwege terugkerende hamstringklachten verlegde de tweeling op advies van een coach na twee jaar de aandacht naar de 400 meter. Dat bleek een gouden greep. Dankzij hun progressie klommen ze via een universiteit in Louisiana al snel op naar de universiteit van Kansas, die uitkomt in de hoogste divisie van de Amerikaanse studentencompetitie. In juni doen ze waarschijnlijk mee aan de nationale universiteitskampioenschappen.
In Oeganda vielen hun goede prestaties niet op. Nooit werden ze geselecteerd voor een team, zelfs contact met de bond was er nauwelijks. Zo ontstond het plan om Nederland te benaderen met het idee om zich, na het afronden van hun studie (bachelor in bedrijfskunde, master in persoonlijke financiële planning), op Papendal verder te bekwamen in de atletiek.
Omalla: ‘Vorig jaar zei ik tegen Jaimie: we hebben ook een Nederlands paspoort. Laten we contact leggen en zien wat mogelijk is. Vanaf het eerste moment namen ze ons veel serieuzer dan het Oegandese team, hoewel we nog niet zo snel liepen als nu. Dat zegt iets over hoe mensen je zullen behandelen.’
Voor Vincent Kortbeek van de Atletiekunie was die interesse vanzelfsprekend. Buitenlandse atleten hebben sterk bijgedragen aan het Nederlandse succes. De nabijheid van wereldtoppers als Troy Douglas (Bermuda), Churandy Martina en Lornah Kiplagat (Kenia) heeft de ambities van de bond aangewakkerd. Kortbeek: ‘We zijn niet aan ronselen in het buitenland. Al deze mensen hebben een directe band met Nederland.’
Er zijn allerlei redenen aan te wijzen waarom er gewisseld wordt van sportnationaliteit. Vaak is er sprake van een combinatie van factoren: een grensoverschrijdende liefde van sporters of hun ouders, het bezit van een dubbele nationaliteit en de zoektocht naar betere sportfaciliteiten of ontplooiingskansen. In sommige sporten is in Nederland simpelweg minder concurrentie dan in, zeg, de Verenigde Staten – bijvoorbeeld in het zwemmen en de atletiek. Ook het Nederlandse beurzenstelsel biedt kansen om een inkomen te vergaren uit de sport.
De sportmigratie volgt in zekere zin mondiale ontwikkelingen: uit onderzoek blijkt dat 3 tot 5 procent van de wereldbevolking buiten het land van geboorte woont. De Nederlandse ploeg voor Parijs telt naar schatting 280 sporters, onder wie tien sportmigranten. Dat komt neer op ruim 3,5 procent.
Bij eerdere Spelen kwamen al sporters uit voor Nederland die waren opgegroeid in landen als China (tafeltennis), Indonesië (badminton), Argentinië (hockey), Kenia (atletiek), Rusland (tafeltennis), Bermuda (atletiek), Zuid-Afrika (hockey), Dominicaanse Republiek (atletiek), Ghana (atletiek) en Schotland (hockey).
Hoe gangbaar sportmigratie ook is, de ene nieuwkomer wordt warmer ontvangen dan de andere. De gebroeders Omalla hebben langer in Nederland gewoond dan de twee populairste sporters van dit moment: Mathieu van der Poel en Max Verstappen. De renner (Franse moeder) en coureur (Belgische moeder) komen uit onder Nederlandse vlag zonder ook maar één dag in dit land te hebben gewoond.
Omalla heeft al meegemaakt dat zijn keuze voor Nederland in sommige kringen vragen oproept. Het is het lot van mensen met een dubbele nationaliteit, weet hij. ‘Het grootste minpunt is dat je in twee landen wordt behandeld alsof je er niet bijhoort. In Oeganda zeggen ze: hij is half Nederlands. In Nederland ben je half Oegandees. Dat is soms zwaar, je wordt uitgescholden.’
De jonge atleet sluit zich af voor negatieve reacties. ‘Het is belangrijk om in je hart te weten waar je vandaan komt. Ik heb met twee landen een sterke verbinding. Ik zeg altijd dat ik honderd procent Nederlander en honderd procent Oegandees ben.’
Voor Omalla is het zonneklaar dat zijn dubbele nationaliteit ook een positieve kant heeft. Hij heeft in meerdere landen gewoond en kent de verschillende culturen. Dat stelt hem in staat om te kiezen en zijn eigen identiteit tegen die achtergrond vorm te geven. ‘Uiteindelijk moet je kiezen voor wat je het meest vooruithelpt, waar je de meeste kansen krijgt. Ik denk dat mijn broer en ik echt een bijdrage kunnen leveren aan de Nederlandse ploeg. Samen kunnen we opbloeien.’
Ook de Atletiekunie heeft vertrouwen in de tweeling, die na de Olympische Spelen naar Papendal komt om voltijds te trainen met de nationale sprintploeg. Over het politieke klimaat in Nederland maakt technisch directeur Kortbeek zich geen zorgen. Arbeidsmigratie is dan weliswaar een heikel thema in de formatie, maar hij verwacht niet dat de sporters hier nadeel van zullen ondervinden.
Kortbeek ziet succesvolle topatleten als Sifan Hassan en Abdi Nageeye – beiden deels in Nederland zijn opgegroeid – als ‘mooie uithangborden’. Dat geldt ook voor sporters die op latere leeftijd naar Nederland zijn gekomen, zoals Churandy Martina en andere leden van de estafetteploegen.
Wellicht is er voor de tweeling Omalla een soortgelijke rol weggelegd. Kortbeek: ‘De sport is een prima afspiegeling van de huidige samenleving.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant