Home

Ik herlas Jeroen Brouwers en moest aan André Hazes denken: ‘Zeg maar niets meer… Ik ga wel weg als je dat wilt…’

Jeroen Brouwers is alweer bijna twee jaar dood. Ik las in de jaren tachtig zijn jeugdherinneringen aan/impressies van het Jappenkamp, waar hij als peuter de gruwelijkste dingen zag en meemaakte. Zonsopgangen boven zee, Bezonken rood, Het verzonkene: de titels herbergen allemaal het woord ‘zon’; Japan, het land van de rijzende zon, snapt u wel (ik moet nu opeens ook aan die sleutelscène denken in De lift (1983) van Dick Maas, met die pan rijst. Heerlijke horror!).

Ook Bezonken rood was horror, geheel ontsproten aan de fantasie van Brouwers, meende collega-schrijver Rudy Kousbroek indertijd: de omschreven gruweldaden hadden in werkelijkheid nooit plaatsgevonden. Ook Kousbroek had in een Jappenkamp gezeten, niet als peuter maar als jongen van 13. Hij deed Brouwers’ herinneringen af als ‘vals pathos’ en ‘wansmaak’; zelf had Kousbroek louter knusse herinneringen aan dat kamp.

Wie had er gelijk in deze polemiek? Eigenlijk doet het er niet toe, want een fictieschrijver heeft het volste recht om de hele boel bij elkaar te verzinnen. Maar toch: als een schrijver ‘iets heel ergs’ uit de werkelijkheid nog (veel) erger maakt dan het tóch al was, dan is dat wat mij betreft onsmakelijk effectbejag (denk ook aan het stuitende Haar naam was Sarah van Tatiana de Rosnay).

Ik herlas onlangs Bezonken rood. De hoofdpersoon is een sombere, drankzuchtige schuinsmarcheerder, net als een heleboel andere schrijvers uit die tijd. Geeft niks, daar kun je heel oud mee worden, maar Brouwers probeert zijn somberheid en drankzucht te verklaren aan de hand van die (waarschijnlijk dus verzonnen) jeugdherinneringen.

Dat levert hoogdravend proza op. ‘Laat mij met rust. Ik ben er niet. Doe geen beroep op mij. Ik voel niets en ik wil niets voelen. In de mist. Bevend geschreven. De dood gaat mij niet aan. Het leven gaat mij niet aan. Laat mij ook maar eenzaam sterven’, et cetera.

Ik moest aan André Hazes denken (‘Zeg maar niets meer… Ik ga wel weg als je dat wilt…’), klapte Bezonken rood zuchtend dicht en greep naar Kroniek van een karakter, Brouwers’ verzamelde brieven aan vrienden, collega’s en tijdgenoten. De titel is ijdel en ronkerig, de inhoud ook weer vooral gezwelg in zelfmedelijden.

Brouwers beschrijft opnieuw onuitputtelijk zijn drankzucht en somberheid maar ook zijn gedachten over, bijvoorbeeld, vrouwen: ‘Een vrouw heeft dat onverstoorbare, gevoelloze van bijvoorbeeld gras, dat eeuwenlang met de grond gelijk wordt gemaakt en toch altijd weer opkomt.’ Ook schildert hij zijn eigen vrouw af als ‘ijskoud – een uit poolsneeuw opgetrokken sfinx’ die nochtans niet bereid is op zijn dringend verzoek ‘het kind waarvan zij zwanger is te aborteren’.

Een echte, ouderwetse klootzak, dus. Toch moest ik bij het lezen ook geregeld lachen, want zijn observaties zijn vaak heel geestig. Geert van Oorschot beschrijft hij als een ‘oude kurkeik’ die dankzij een fles jenever bij zijn stoelpoot ‘zo luidruchtig wordt als een pauk’, je ziet het voor je. Ook beschrijft Brouwers pagina’s lang hoe hij zijn gewonde haan verzorgt. ‘‘Uwe excellentie bloedt’, zeg ik, als u maar even zoudt willen afdalen kan ik zien wat er aan uw hand is en of dit te genezen valt danwel wij van u haan-in-het-pannetje zullen bereiden. (…) Ik wikkel een dot wat eromheen en daaromheen een strak verband er zorg voor dragend dat het keurig strikje daarvan precies mooi op zijn knietje valt zodattie ook nog iets heeft om mee te pronken en daarna zitten we nog wat tegenover elkaar aan de keukentafel, om half tien des ochtends al aan de jonge Hoppe. Nu, op uw spoedig herstel, Majoor!’

Het zijn krenten in die rijstebrijberg van egocentrisch, fallocratisch zelfbeklag. Maar toch: fijne, lekkere krenten, nét talrijk genoeg om het boek helemaal uit te lezen.

Source: Volkskrant columns

Previous

Next