Home

Monne de Miranda, gezicht van een verdwenen Joods-socialistische sportcultuur

De Nationale Sportherdenking staat dit jaar in het teken van de lotgevallen van de zwemmers tijdens de Duitse bezetting. Dat er destijds zoveel zwemmers waren, is mede te danken aan de Amsterdamse wethouder Monne de Miranda.

Onder de kop ‘Onze dooden’ publiceerde de Koninklijke Nederlandsche Zwembond in 1947 een lijst met de namen van de 160 zwemmers die tijdens de Duitse bezetting in Nederland om het leven waren gekomen. Bijna terloops werd daaraan toegevoegd: ‘Verder ca. 200 joodsche leden van de Amsterd. Watervrienden, die zijn weggevoerd en niet meer zijn teruggekomen. De namen zijn ons niet bekend.’

Na deze huishoudelijke mededeling werd de telling hervat bij de afdeling Haarlem.

Circa 200 anonieme doden, leden van één zwemclub, tegenover 160 doden van alle overige zwemclubs tezamen: beter kan de catastrofe die Joods Nederland in de jaren 1940-’45 heeft getroffen niet worden geïllustreerd.

Niet alleen vanwege de disproportionaliteit in het aantal slachtoffers aan Joodse en niet-Joodse zijde, ook vanwege het feit dat bijna 80 jaar na de oorlog nog altijd niet bekend is wie de doden van de Amsterdamse Watervrienden waren. Vermoedelijk heeft de zwemclub na aanvang van de bezetting de administratie vernietigd, in een vergeefse poging de Joodse leden te behoeden voor nazistische gruwelen. Hun lotgevallen zullen zaterdag tijdens de Nationale Sportherdenking 2024 worden gememoreerd.

Over de auteur
Sander van Walsum recenseert non-fictie voor de Volkskrant

De zwaarst getroffen zwemclub van Nederland was de exponent van de Joods-socialistische sportcultuur in de jaren tussen beide wereldoorlogen. De Amsterdamse zwemclub De Watervrienden was onderdeel van de Nederlandsche Arbeiders Sport Bond NASB, die in 1926 werd gesticht na een vreugdeloze richtingenstrijd tussen rekkelijken en preciezen binnen de socialistische SDAP.

Klassenstrijd

De laatsten hadden geen bezwaar tegen lichamelijke oefening, bij voorkeur in groepsverband, maar wel tegen sport als krachtmeting tussen individuen en aanjager van nationalistische sentimenten. Het proletariaat moest daar verre van blijven. Al was het maar omdat de revenuen van de lidmaatschappen van sportclubs in de zakken van de klassenvijand vloeiden.

Sport leidde de aandacht af van de klassenstrijd, en dat was ook precies de bedoeling van de bourgeoisie, meende bijvoorbeeld de socialistische jeugdbeweging AJC. Sport zou ‘het klassenbewustzijn verstikken.’

Hoe sport zonder competitie eruit zag, lieten de dogmatische socialisten zien tijdens drie Arbeidersolympiades (in 1925, 1931 en 1937): festijnen zonder nationale vlaggen, volksliederen en wedrennen, maar mét De Internationale, openluchtspelen, spreekkoren en een bloemencorso.

Veel hartstochten wisten de organisatoren daarmee niet bij de doelgroep te wekken, stelden de pragmatische socialisten vast. Zij streefden naar een vergelijk met progressieve ‘burgerlijke’ partijen, met wie ze op gemeentelijk niveau – bijvoorbeeld in Amsterdam – al vruchtbaar samenwerkten. Voor de sportbeoefening betekende dit dat de socialisten zich niet moesten afzonderen maar hetzelfde (competitieve) vertier moesten bieden als de andere levensbeschouwelijke zuilen.

De NASB was een product van die geleidelijke ‘normalisering’, al was hij niet primair ‘gegrondvest op rekordverrichtingen, sensatie en individualisme’. En binnen deze Bond was zwemclub De Amsterdamse Watervrienden de grootste afdeling. Zijn groei sloot nauw aan bij het ‘wethouderssocialisme’ dat in Amsterdam (en enkele andere grote steden) in de praktijk werd gebracht.

De gemeenten genoten destijds een grotere budgettaire autonomie dan nu, en dit stelde sociaal-democratische wethouders in staat om de leefomstandigheden van ‘gewone mensen’ zonder bemoeienis van het Rijk te verbeteren. In Den Haag werd dit activistische wethouderssocialisme belichaamd door de latere minister-president Willem Drees, in Amsterdam door Floor Wibaut (wiens bijnaam ‘De Machtige’ was), en Salomon (‘Monne’) de Miranda.

Laatstgenoemde was van 1919 tot 1939 (met twee onderbrekingen) wethouder voor publieke werken en volkshuisvesting. In die hoedanigheid was hij verantwoordelijk voor de bouw van enkele ‘tuinsteden’ aan de rand van Amsterdam, de aanleg van het Amsterdamse Bos (een werkgelegenheidsproject), en de vestiging van badhuizen en zwembaden (waarvan een na de oorlog naar hem werd vernoemd). ‘Wil je bajen, wil je zwemmen? Moet je De Miranda stemmen’, luidde de leus waarmee hij in zijn glorietijd campagne voerde.

Kamp Amersfoort

Buiten de eigen, sociaal-democratische achterban was ‘de wethouder van zwembaden’ niet bijster geliefd. Het rooms-katholieke raadslid Carl Romme (de latere voorman van de KVP) noemde De Miranda vanwege diens ondiplomatieke directheid publiekelijk ‘een pooier’.

Diens partijgenoot Johannes Bomans vond het wel ‘ontactisch’ om vier Joodse wethouders in één college van B en W op te nemen. De communisten hekelden De Miranda’s werkgelegenheidsprojecten (waarmee hij werkloze arbeiders van hun waardigheid zou hebben beroofd), en voor de NSB kon De Miranda als Jood per definitie niet deugen.

Ook binnen het eigen bestuursapparaat had De Miranda veel vijanden. Hij kreeg dus weinig rugdekking (ook niet van zijn partij) toen De Telegraaf hem en zijn zoon Bram in 1939 van corruptie bij de uitgifte van bouwgrond beschuldigde. Het Openbaar Ministerie pleitte De Miranda vergaand vrij, maar de affaire, waarmee De Telegraaf negen maanden druk in de weer was, ruïneerde hem politiek en mentaal. Hij schreef een verweer, onder de titel Pro Domo, maar dat bleef tijdens zijn leven ongepubliceerd.

Op 23 oktober 1942 werd De Miranda, die al in juli dat jaar door het nazibewind gevangen was gezet, overgebracht naar Kamp Amersfoort. Daar werd hij belaagd door aanhangers van de ideologieën waarmee hij als wethouder in botsing was gekomen: een Nederlandse blokoudste die weliswaar in het verzet had gezeten, maar die niet minder antisemitisch was dan de nazi’s die hij had bestreden; een communist die zichzelf opwierp als de wreker van de werklozen die door De Miranda in het Amsterdamse Bos aan het werk waren gezet; een NSB-arts die hem elke zorg onthield nadat hij was mishandeld. Monne de Miranda stierf op 3 november 1942.

Uit erkentelijkheid en wellicht ook schuldbesef hebben de bestuurlijke nazaten van De Miranda zich om zijn nagedachtenis bekommerd. Willem Drees huldigde zijn ‘betekenisvolle arbeid in dienst van de gemeente en de gemeenschap’, in Amsterdam en elders zijn straten naar hem vernoemd, in 1946 kreeg het Amstelparkbad zijn naam, en in 1997 verscheen alsnog zijn verweerschrift, Pro Domo. Maar van de talrijke bezoekers van de Amsterdamse zwembaden zal vrijwel niemand nog weten wie De Miranda ook alweer was.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next