De zoon van een vermoorde rabbijn en de dochter van een overtuigd NSB’er kwamen na de Tweede Wereldoorlog terecht in hetzelfde pleeggezin. Ondanks hun ongewone familiegeschiedenissen beschouwen ze elkaar nog steeds als broer en zus.
Daar zitten ze dan, samen aan een tafel, soms kibbelend als broer en zus. Maar dat zijn ze dus niet, niet officieel althans. Al voelt het dus wel zo, zeggen ze, hoe onwaarschijnlijk dat voor een buitenstaander ook klinkt.
Hun gezamenlijke geschiedenis begon direct na de Tweede Wereldoorlog. Toen woonden Michiel Cohen de Lara (80) en Machteld Reineke (80) ruim twee jaar in hetzelfde pleeggezin. Op zichzelf niet bijzonder. Totdat je hun familiegeschiedenissen naast elkaar legt en leert dat de ouders van Michiel na hun deportatie naar Auschwitz nooit meer naar Nederland zijn teruggekeerd en de ouders van Machteld overtuigd NSB’ers waren. Hoe kwamen hun kinderen in hetzelfde pleeggezin terecht? En leidde dat nooit tot gedoe?
Over de auteur
Rik Kuiper is regioverslaggever van de Volkskrant in de provincies Utrecht en Flevoland.
In de ruime, vrijstaande woning van Machteld blikken ze terug op die bijzondere jaren, soms gesouffleerd door hun levenspartners. Zo willen Machteld en Michiel ‘publiekelijk dank betonen’ aan het ruimdenkende echtpaar dat hen heeft opgevangen, zoals Michiel het zegt. Ze willen praten over hun eigen worstelingen met het verleden, die van elkaar verschillen maar ook parallellen vertonen. En ze willen aan de wereld laten zien dat je ieder mens op zijn eigen merites moet beoordelen, en niet op zijn afkomst.
‘Onze afkomst heeft nooit een rol gespeeld’, zegt Michiel. ‘Ook niet toen we die kenden van elkaar.’
‘Jij had kunnen zeggen: ik wil niets meer met je te maken hebben’, zegt Machteld. ‘Dat was niet gek geweest.’
‘We hebben het er nooit over gehad.’
Michiel Cohen de Lara is een oorlogskind. Hij werd geboren op 14 juni 1943 in Amsterdam, als zoon van een Joodse rabbijn en een lerares van een Joodse lagere school. De situatie was op dat moment al zo penibel voor Joden dat zijn ouders besloten dat hun kind de onderduik in zou gaan.
Toen zijn vader kort na de geboorte werd gedeporteerd, rustte op zijn moeder de zware taak dit besluit uit te voeren. Zij overhandigde haar baby – 14 dagen oud – aan twee verzetsvrouwen, die Michiel onderbrachten bij een pleeggezin in Rotterdam. Toen het ook daar te riskant werd, kwam hij terecht bij Piet Donk en Mies Kaars Sijpesteijn, een kinderloos echtpaar dat al snel verhuisde naar villa De Ebbenhorst in Hierden, een dorp bij Harderwijk.
‘Ze namen allerlei onderduikers in huis’, zegt Michiel. ‘Kunstenaars, maar aan het einde van de oorlog ook gedeserteerde Duitse soldaten. Als er Duitsers aan de deur kwamen, dan verstopte mijn pleegvader zich in een schuilhut in de bossen. Ik werd ondertussen door een dienstmeisje in bad gestopt. Om de aandacht af te leiden en om te laten zien dat ik niet besneden ben. Op sommige dagen gebeurde dat wel tien keer, heb ik me laten vertellen.’
Het was een bijzonder echtpaar. Piet Donk was een levensgenieter en een avonturier, zegt Michiel. Zo was hij als 17-jarige jongen in zijn eentje naar Parijs gefietst om les te krijgen van Picasso. Het avontuur liep niet goed af. Donk dronk besmet water en kreeg tyfus, waardoor hij al op zijn 17de kaal was.
Later ging hij bouwkunde studeren in Delft. Hij groeide daarna uit tot een veelzijdig kunstenaar, die niet alleen aquarellen, wandschilderingen en wandkleden maakte, maar ook muziekstukken componeerde. ‘Hij speelde zeven instrumenten’, zegt Michiel.
Vlak voor de oorlog kreeg Donk de opdracht een nieuw interieur te ontwerpen voor een villa in Wassenaar. Zijn opdrachtgever was een alleenstaande vrouw uit een welgestelde familie van Zaanse industriëlen. Ze had haar opleiding genoten aan kostscholen in Londen en Parijs en reizen gemaakt naar Rusland en Nederlands-Indië.
Toch was deze Mies Kaars Sijpesteijn geen klassieke rijkeluisdochter. Zo ontfermde ze zich op dat moment over zeven kinderen van ouders in Nederlands-Indië. Ze woonden bij haar, zodat ze in Nederland naar de middelbare school konden. ‘Ook financierde ze veel sociale projecten’, zegt Michiel. ‘Vanuit een soort schaamte voor haar vermogen, denk ik.’
Donk en de tien jaar oudere Kaars Sijpesteijn vielen als een blok voor elkaar. In mei 1940 trouwden ze.
Na verloop van tijd kreeg Michiel gezelschap. De kleine Machteld – nog geen 2 jaar oud – arriveerde kort na de bevrijding, rechtstreeks uit een interneringskamp bij Diever. Haar ouders waren opgepakt omdat ze lid waren van de NSB.
De vijf broers en zussen van Machteld werden bij familie en vrienden ondergebracht. ‘En ik kwam daar terecht’, zegt Machteld. ‘Via een vriendin van een tante van mij, die een vriendin was van moeder Mies.’
Machteld kijkt met warme gevoelens terug op die jaren. ‘In mijn vroegste herinnering ben ik met Michiel aan het spelen’, zegt ze. ‘En met Kees, die in 1947 bij het gezin kwam. In mijn hoofd is het één zonnig geheel, warm en vol liefde. Het was er ongecompliceerd. Ik heb het er ontzettend goed gehad.’
Dat Machteld uit een fout nest stamde, was voor Piet Donk en zijn vrouw nooit een probleem. ‘Ze waren opmerkelijk vrij van vooroordelen’, zegt Michiel.
In 1946 verhuisde het echtpaar Donk. Even verderop, in Hulshorst, namen ze intrek in een indrukwekkend landhuis op landgoed Groeneveld. Voor de deur lag een vijver, waar het hele dorp ’s winters op mocht schaatsen.
Er komt een fotoboek op tafel, met oude fotootjes van de periode dat ze samen bij het echtpaar Donk woonden. Michiel en Machteld met hun kindermeisje en een geit. Michiel ondeugend grijnzend in een teiltje, Machteld er met een bedenkelijke blik naast.
Ze hadden een rijk leven daar. Twee dienstmeisjes deden het huishouden en serveerden de maaltijden. Twee tuinmannen onderhielden het park en het bos. Het kindermeisje droeg zorg voor Michiel en Machteld.
Mies Donk was druk met de ontvangst van uiteenlopende gasten en deelname aan sociaal-maatschappelijke projecten. Haar man bracht het grootste deel van de dag door in zijn atelier, dat zich in de boomgaard bevond.
‘Hij had nooit een horloge bij zich’, herinnert Michiel zich. ‘Als we gingen eten, moesten we hem gaan halen.’
Michiel moet een jaar of 3 oud zijn geweest, toen zijn pleegouders hem meenamen op een fietstocht over de Elspeetse Heide. Hij kan het zich nog helder voor de geest halen, hij zat in een kinderstoeltje aan het stuur van zijn pleegvader, ze stopten ergens voor een pauze en toen vertelden ze het hem: dat ze niet zijn echte ouders waren, dat zijn eigen ouders niet meer leefden, maar dat zij van hem hielden alsof hij hun kind was.
Ongeveer drie jaar later kwamen er een man en een vrouw met hun dochter op bezoek. De man bleek een oom van Michiel te zijn, de broer van zijn vader. Later bleken ook enkele familieleden van zijn moeder nog in leven te zijn. Zij wilden dat Michiel in een orthodox-joods gezin zou opgroeien en later naar Israël zou gaan.
‘Vooral mijn pleegmoeder was doodsbang dat ik weggehaald zou worden’, zegt Michiel. ‘Ze was er ziek van, letterlijk. Dan moest ze in bed gaan liggen.’
Uiteindelijk moest de rechter de knoop doorhakken. Die oordeelde in 1949 dat Michiel bij zijn pleegouders kon blijven. Wel waren er voorwaarden. Zo moest hij contact houden met zijn Joodse familie. Hij ging op gezette tijden een weekend naar zijn oom en tante.
Hij vond het verschrikkelijk, zegt hij. ‘Bij de familie Donk werd muziek gemaakt, er was kunst, ze hadden interesse in mensen. Maar in mijn eigen familie was iedereen volledig getraumatiseerd uit de oorlog gekomen. Ze zagen niets goeds in andere mensen. Maar ik móést er naartoe. Ik leefde in twee werelden.’
Ook moest Michiel naar Joodse les. ‘Ik haatte het. Dan werd ik afgehaald van de lagere school en maakte ik hele scènes. Ik moest ook gebeden en bijbelteksten uit mijn hoofd leren, zonder dat de Joodse leraar me de betekenis vertelde. En soms moest ik ook naar de synagoge. Drie of vier uur lang. Ik wist bij God niet wat er gebeurde, en er was niemand die aandacht aan me besteedde. Toen ik 12 was, wilde ik er niets meer mee te maken hebben.’
Tegen die tijd was Machteld al lang weer vertrokken bij het echtpaar Donk. Haar moeder was na een jaar of twee vrijgelaten uit het interneringskamp, waarna ze ‘bij een vreselijke meneer’ in Velp een paar kamers betrok. ‘Hij viel mijn moeder lastig. Seksueel, ja. Ze was immers een NSB’er. Daar kon je alles mee doen.’
Machteld werd bij haar moeder afgeleverd. ‘Dat vond ik zo gruwelijk’, zegt ze. ‘Als ik eraan denk, ga ik bijna weer huilen. En ja, dat klinkt misschien gek, omdat ik zo jong was. Maar het schijnen de belangrijkste jaren voor een kind te zijn, wat hechting betreft. En dat hoeft dan niet aan je biologische ouders te zijn. Het kan ook de werkster zijn. Of de tuinman.’
Michiel: ‘Het curieuze is dat Machteld er opeens was. En dat ze net zo plotseling weer vertrokken was.’
Machteld: ‘Van de ene op de andere dag zat ik bij een vreemde vrouw op de bank. En bij een broertje en een zusje. Het was verschrikkelijk. Ik begreep niets van ze. En zij begrepen niets van mij.’
Haar vader zat een gevangenisstraf van zes jaar uit in Vught. Waarvoor hij precies werd veroordeeld, vindt ze niet relevant voor dit verhaal. ‘Hij is echt fout geweest’, zegt ze wel. ‘Zes jaar krijg je niet zomaar.’
Soms gingen ze bij hem op bezoek in het kamp. ‘Dat zie ik nog voor me. Een oude man aan een tafel, een onbekende. En wij renden daar in het rond.’
Na drie jaar kwam hij vrij, vanwege zijn slechte gezondheid en zijn goede gedrag. Hij was in kamp Vught verpleger geweest.
Het gezin ging tussen Barneveld en Voorthuizen wonen, waar hij als fruitteler ging werken. Machteld bouwde nooit een warme band met haar vader op. ‘Hij was een zieke, oude man’, zegt ze. ‘Te zwak om zich met ons te bemoeien.’
Dat Machteld haar pleegouders daarna nog zou zien, was geen uitgemaakte zaak. ‘Vader Piet vertelde me later dat ze er bewust voor hadden gekozen geen contact meer te zoeken. Ze dachten dat dit beter voor me was.’
Het liep anders, vermoedelijk omdat Machteld bleef zeuren dat ze naar haar pleegouders wilde. ‘Had ik dat niet gedaan, dan hadden we elkaar waarschijnlijk nooit meer gezien.’
Zo kon het gebeuren dat ze nog geregeld op bezoek ging bij ‘vader Piet en moeder Mies’, zoals ze het echtpaar Donk altijd zou blijven noemen. Dan speelde ze met Michiel. Ook mocht ze soms mee op vakantie. Ze herinnert zich een reis naar Texel, op de fiets. ‘Ik vond warmte bij ze’, zegt ze.
En zo leefde ook Machteld in twee werelden. ‘Ik heb altijd het gevoel gehad: ik hoor niet bij deze familie, maar ook niet bij die familie.’
Hoewel Michiel niet te koop liep met zijn Joodse afkomst, werd hij er geregeld door anderen mee geconfronteerd. Zo scholden ze hem op de lagere school geregeld uit voor ‘vuile jood’. Tussen zijn 15de en 25ste probeerde de orthodoxe-joodse gemeenschap hem als zoon van een rabbijn binnenboord te houden, wat ‘niet altijd op een correcte en respectvolle manier’ gebeurde. Toen hij als rechtenstudent lid werd bij het Amsterdamsch Studenten Corps, riep iemand tegen een zaal met kaalgeschoren aspirant-leden dat ze ‘Dachautje’ gingen spelen, wat tot een flinke rel leidde. En in 1968 kreeg hij van een hoge diplomaat het advies ‘met jouw achternaam’ niet te solliciteren voor het zogeheten ‘diplomatenklasje’ van het ministerie van Buitenlandse Zaken.
Zulke ervaringen brachten hem ertoe het verleden zo veel mogelijk weg te drukken. Met zijn drie kinderen wilde hij nooit over zijn Joodse afkomst spreken.
Michiel: ‘Ik dacht: als ik er niet over spreek, krijgen ze er geen last van.’
Zijn vrouw Marijke: ‘Ik heb het ze dus wel verteld. Ze moesten toch weten dat ze nog andere grootouders hadden?’
Machteld: ‘Dat was zelfbescherming, Michiel.’
Michiel: ‘Ook dat. Maar ik wilde vooral de kinderen er niet mee belasten. Ik wilde ze niet belasten met de nare kanten van het Joods zijn.’
Pas vijf jaar na zijn pensioen – hij werkte onder meer als secretaris van de raad van bestuur van uitgeefgigant VNU – ging hij inzien dat dit een misvatting was. Hij bezocht Auschwitz, liet stolpersteine plaatsen bij het Amsterdamse huis van zijn ouders, zag hoe hun namen een plek kregen op het Holocaust Namenmonument in Amsterdam en reisde naar een dorp in Tsjechië, waar zijn vader begraven bleek nadat de Duitsers hem op het stationnetje hadden doodgeschoten. Uiteindelijk leerde Michiel het verleden te accepteren.
‘Ik heb nu geen negatieve gevoelens meer over mijn Joodse afkomst’, zegt hij. ‘Ik ben er trots op.’
‘Hij is ook vriendelijker en zachter geworden’, zegt Machteld. ‘Minder bokkig.’
Machteld worstelde op haar eigen manier met het verleden. Thuis werd niet over de NSB gesproken. Nooit was er een moment dat haar ouders vertelden wat ze op hun geweten hadden. Wel wist Machteld dat ze die drie letters beter niet in het openbaar kon bezigen. En ze zag hoe broers en zussen voor het huwelijk nerveus te biecht gingen bij hun toekomstige schoonouders.
Michiel: ‘Maar jij bent er nooit op aangekeken, toch?’
Machteld: ‘Op school wel. Ja hoor.’
Michiel: ‘Wanneer was dat?’
Machteld: ‘Op de middelbare school. Ik had een vriendinnetje, een Joods meisje. Zij kwam erachter. En toen was ik geen vriendinnetje meer. Maar ik heb daar niet echt onder geleden. Dat zit in mijn karakter, denk ik.’
Dat ze er nooit over sprak, was vooral uit solidariteit met haar familie, die de geschiedenis graag toedekte. ‘Mijn broers en zussen wilden absoluut niet dat anderen erover hoorden’, zegt ze. ‘Terwijl iedereen het allang wist. Iedereen.’
Zelf vond ze het onzin. ‘Mensen met foute ouders kunnen er soms nodeloos ingewikkeld over doen’, zegt ze. ‘Ik droeg toch geen schuld?’
Dat zelfopgelegde zwijgen – op de middelbare meisjesschool, op haar opleiding tot doktersassistente, op haar werk in een huisartsenpraktijk – noemt ze ‘verstikkend’. Zo moest ze altijd wanneer ze over haar pleegouders sprak een smoes verzinnen. Want ja, waarom had ze direct na de oorlog tweeënhalf jaar in een pleeggezin gezeten?
‘Soms vertelde ik dat mijn moeder ziek was’, zegt ze. ‘Ik was er altijd omheen aan het draaien.’
Op een gegeven moment veranderde dat. Haar broer hield een voordracht bij de Rotary, waarin hij vertelde uit wat voor gezin hij kwam. Voor Machteld was dat ‘een vrijbrief om ook schreeuwend over straat te kunnen gaan’. Ze zal toen midden 40 zijn geweest.
Tegen haar man Wieb: ‘Jij vindt dat altijd een beetje exhibitionistisch, hè? Ik roep te pas en te onpas dat ik een NSB-kind ben, als de oorlog ter sprake komt.’
Wieb: ‘Recentelijk waren we op een begrafenis van mijn beste vriend, een Jood. Er waren twee neven van hem, die redelijk orthodox zijn. Machteld stapte op ze af en vertelde dat ze een NSB-kind was.’
Machteld: ‘Ik vond het bijzonder dat onze vriend dat wist, maar dat het nooit tussen ons in heeft gestaan. Dat wilde ik aan die neven laten weten.’
Wieb: ‘Ik vond het niet nodig.’
Machteld: ‘Misschien moet ik er voorzichtiger mee zijn.’
Michiel en Machteld hielden door de jaren heen altijd contact. Ze kwamen op elkaars verjaardagen en belden af en toe. Soms gingen er maanden voorbij dat ze elkaar niet spraken.
De laatste jaren intensiveerde het contact. Omdat ze meer tijd hebben nu ze ouder worden. Maar ook omdat Michiel bezig is zijn levensverhaal vast te leggen voor zijn kinderen en kleinkinderen. Hij laat zijn teksten aan Machteld lezen.
‘In zekere zin heb ik geluk gehad’, zegt Michiel als hij terugkijkt op de hele geschiedenis. ‘Ik heb geluk gehad dat mijn ouders niet zijn teruggekeerd en dat ik bij de familie Donk kon blijven. Machteld is tijdens haar jeugd veel meer met de oorlog geconfronteerd dan ik. Bijna dagelijks.’
Machteld denkt er even over na. ‘Het klinkt hard’, zegt ze dan, ‘maar soms denk ik dat het voor mij ook beter was geweest als mijn ouders niet waren teruggekomen. Dan had ik bij jullie kunnen blijven. Dat had ik het liefste gehad. Die jaren zijn de fijnste van mijn jeugd geweest.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant