Deze weken zit ik in een Songfestival-bubbel en voer ik met medefans discussies. Over hoe de live-prestaties van de Oostenrijkse zangeres haar kansen op de finale verpesten. Over hoe het zonde is dat de Griekse zangeres zo’n nietszeggend jurkje heeft aangetrokken waarmee ze alle rauwe randjes van haar nummer af haalt. En ja, over hoe we hopen dat dat verdomde kippenpak achter de keyboard bij onze eigen Joost toch een grapje blijkt.
Af en toe prikt er toch even iemand door de bubbel heen. Vaak is dat een oudere, vaak heteroseksuele man. Mannen die van échte muziek houden – als je doorvraagt, blijkt dat artiesten decennia terug zijn gestopt met échte muziek maken. ‘Europapa’ „bullshit” noemen, zoals Johan Derksen al na de presentatie ervan in maart deed, mag natuurlijk. Waar ik moedeloos van word, is de stereotypering van het Songfestival als een „muzikaal rariteitenkabinet”, zoals woensdag in een andere NRC-column stond. Deze beschrijving van het Songfestival komt ongeveer uit dezelfde tijd dat men nog het woord ‘travestiet’ gebruikte in plaats van ‘dragartiest’ – de auteur was in ieder geval consistent.
Het Songfestival is gewoon niet bedoeld voor dit type oudere man, zoals een koophuis en een zorgeloos pensioen dat niet voor mij zijn. Als Ilse DeLange en Waylon in 2014 het muzikale toppunt waren voor je, prima. Maar verkoop geen onzin. Conchita Wurst, winnaar in 2014, een „onmuzikale travestieact” noemen is ongepast, maar het is ook gewoon niet waar. De James Bond-achtige ballad was episch, en feilloos gezongen. Had ‘Rise Like a Phoenix’ gewonnen als Wurst niet in drag was geweest? Dat is een andere discussie. En niemand zou zich het nummer nog herinneren? Het is uitgegroeid tot een evergreen in de Songfestivalgeschiedenis en binnen de queer-community. Wat ik me in 2024 vooral van Ilse DeLange en Waylon herinner, is de slaande ruzie die na hun tweede plek volgde.
De mening dat de gekste act de meeste kans maakt op het Songfestival, is eveneens achterhaald. De afgelopen tien jaar won, naast Wurst: twee keer een popnummer uit Zweden, een uit Denemarken, twee folkachtige nummers uit Oekraïne, glamrock uit Italië, een Nederlandse ballad en een verstild, klein liedje uit Portugal. Vooruit, van het getoktok van Israël in 2018 kun je iets zeggen qua gekkigheid – maar zelfs dat nummer zat muzikaal goed in elkaar.
Tijden veranderen, woorden veranderen, het Songfestival verandert. Wen er gerust aan. Angela de Jong bleek in het AD opeens een baken van redelijkheid: „In de paar weken dat Joost Klein nu in mijn leven is, heb ik één ding geleerd: dat ik niet te snel moet roepen dat iets idioot is.” Ik dacht dat ik het nooit zou zeggen: wat een verfrissende mening van Angela de Jong.
Source: NRC