Home

IJskoningin en symbool van een nieuwe tijd Sjoukje Dijkstra maakte met ‘gold rush’ alle verwachtingen waar

Oud-kunstrijdster Sjoukje Dijkstra groeide uit van ‘wereldwijze jongedame’ tot sporticoon. 75 jaar lang belde ze vrijwel dagelijks met hartsvriendin en concurrent Joan Haanappel, die in februari stierf en als een zus voor haar was. Donderdag overleed ‘Neerlands trots’ Dijkstra op 82-jarige leeftijd.

Oorlogskind Sjoukje Dijkstra, geboren in het Friese Akkrum en opgegroeid in Amstelveen, was landelijk nog vrijwel onbekend toen er in de winter van 1954 een groot stuk over haar verscheen int Nieuws voor Kampen. Er was een goede aanleiding. Ze was volgens de krant ‘hard op weg om beroemd te worden’ door haar ‘razendsnelle pirouettes, verbazingwekkende spreidsprongen en elegante zweefstanden’.

Haar hart had ze verpand aan een sport waarmee ze Nederland in haar ban zou krijgen: kunstrijden. Ten tijde van haar eerste portret in een krant was ze pas 12, een kind nog, dat ‘graag met haar broer ravot en geregeld met haar poppen speelt’. Haar schoolrapporten lieten niets te wensen over en door de vele reizen, ook toen al en vrijwel altijd samen met haar vriendin en concurrent Joan Haanappel, was ze ondanks haar leeftijd een ‘wereldwijze jongedame’ geworden.

Medailleverzamelaar

Donderdag is Sjoukje Dijkstra overleden, nog geen drie maanden na de dood van Joan Haanappel, die andere ijskoningin. Beroemd is Dijkstra inderdaad geworden, zoals de kranten voorspelden. Het meisje uit Amstelveen maakte alle verwachtingen waar en groeide uit tot een icoon in de nationale sportgeschiedenis, een medailleverzamelaar die zich nergens door van de wijs liet brengen.

Haar talent koppelde ze aan wilskracht, een vermogen tot zelfpijniging en een onvoorwaardelijke liefde voor de sport. Trainen deed ze nooit met tegenzin, ze was eraan verslaafd, zei ze ooit. Waar Haanappel het moest hebben van haar elegantie, wierp Dijkstra kracht en doorzettingsvermogen in de strijd, en een dosis nuchterheid.

Het kind van een huisarts werd een wereldster, een vaste verschijning in het Polygoonjournaal, dat in de bioscopen gedreven verslag deed van haar avonturen in den vreemde. Afwisselend was ze ‘onze Sjoukje Dijkstra’ en ‘Neerlands trots’, in een tijd dat topsport in Nederland nog een onbekend fenomeen was en het voetbal schrale tijden beleefde. Dijkstra was een voorloper, het tijdperk van Ard Schenk en Kees Verkerk was nog niet aangebroken.

Als ze, vaak met Joan Haanappel aan haar zijde, na een internationale overwinning terugkeerde op Schiphol, stonden duizenden fans haar op te wachten, plus een bataljon journalisten en een fanfareorkest. In de late jaren vijftig en de eerste helft van de jaren zestig was ze de koningin van het internationale ijs.

Op haar erelijst staan vijf Europese en drie wereldtitels, en een Olympische zege. Koningin Juliana, prins Bernhard en hun kinderen Beatrix en Margriet reisden in 1964 speciaal voor haar (en Haanappel) naar Innsbruck, waar ze getuige waren van de eerste Olympische zege op de Winterspelen van een Nederlander. Wie nog geen televisie had, schoof op wedstrijddagen aan bij de buren om niets te hoeven missen van de gold rush, het kerkbezoek liep terug.

Ingetogen en nuchter

Op haar kunstschaatsen sloot Dijkstra de jaren van de wederopbouw feestelijk af. Nederland was na de oorlogsjaren herrezen, en zij werd het symbool van een nieuwe tijd. Nadat ze voor de tweede maal wereldkampioen was geworden, in 1963 in Cortina d’Ampezzo, bracht haar intocht in Amsterdam een mensenmassa op de been.

‘Duizenden waren samengestroomd bij het Amstelstation, waar om twee uur de met vlaggen versierde trein de wereldkampioen met haar moeder en trainer het eveneens versierde station binnenreed’, schreef het Nieuwsblad van het Noorden jubelend. In een open koets werd ze door de stad gereden, voorafgegaan door ‘tal van muziekkorpsen en drumbands’.

Het gejuich in de stad was eindeloos, ‘steeds opnieuw werd het overgenomen door volgende groepen langs de route opgestelde bewonderaars’. Menig keer werd door het publiek in Amsterdam Geen woorden, maar daden gezongen, een lied dat in Nederland populair was geworden door een Europese opmars van Feyenoord.

Dijkstra genoot, ingetogen en nuchter. De woorden die ze na het massale eerbetoon sprak, typeerden haar in hoge mate: ‘Ik wil graag iedereen heel hartelijk bedanken. Ik zal mijn best doen en hard trainen, en ik hoop dat ik volgend jaar weer succes heb’.

Streng trainingsregime

Het schaatsen had ze van haar vader Lou, een Friese huisarts met een behoorlijke staat van dienst als langebaanschaatser. Hij zette alles in het werk om zijn dochter te ondersteunen. Op haar 6de verjaardag kreeg ze een paar kunstschaatsen en nam het virus bezit van haar. Van ontoelaatbare druk was nooit sprake, ze prees haar ouders juist om hun opofferingen. ‘Ze hebben me steeds gesteund, maar dat is wat anders dan druk uitoefenen.’

Haar eerste pirouettes maakte ze op de Emmakade in Amstelveen. Haar opleiding begon in de Apollohal, waar een befaamde trainer, Annie Verlee, zich over haar ontfermde. En ze ging op reis, soms wekenlang, om te trainen en het fundament te leggen voor haar langdurige triomftocht. Om de kosten te drukken, schakelde Lou Dijkstra relaties in bij de KLM.

Onder de hoede van Arnold Gerschwiler, een Zwitserse succescoach met dictatoriale neigingen, kreeg haar scholing in Engeland een vervolg. Een slaapplek in een tochtig huis van een gierige hospita, die haar glazige aardappelen en witte bonen voorzette: ze accepteerde het en liet haar ouders onwetend. ‘Als ik had verteld hoe we daar leefden, had mijn moeder me meteen teruggehaald.’

Jaren later keerde ze terug naar Engeland voor een bezoek aan Gerschwiler, de man die de basis had gelegd. Joan Haanappel was er ook bij. Terugblikkend, in de Provinciale Zeeuwse Courant: ‘Hij viel bijna van zijn stoel toen hij zag dat we allebei een borrel dronken.’ Over het strenge trainingsregime had ze nooit geklaagd. ‘Uitgaan zei me niet veel, dat kon immers altijd nog wel.’

Amateurstatus

Om geld ging het nooit. ‘Financieel heb ik er geen slaatje uit geslagen. Zo zat de wereld toen nog niet in elkaar. Ik opende in mijn hoogtijdagen weleens een winkel of een evenement, maar daar kreeg ik vanwege mijn amateurstatus geen cent voor.’

Haanappel had ze in Den Haag leren kennen, op ijsbaan Hokij. Jarenlang liepen hun paden parallel, op de ijsbanen en in het commerciële schaatscircus Holiday on Ice, waar ze de man zou ontmoeten met wie ze trouwde en twee dochters zou krijgen. De Zweed Karl Kossmayer was vanaf zijn 11de circusartiest en werd beroemd met een act met ezels. Dijkstra was 59 toen haar man overleed.

Steun kreeg ze ook in die periode van de vrouw die haar concurrent was geweest, Joan Haanappel. De twee vrouwen lieten elkaar 75 jaar lang niet los en belden vrijwel dagelijks met elkaar. Het doodsbericht van haar hartsvriendin trof Sjoukje Dijkstra in februari hard: ‘Het voelt alsof mijn zus is overleden.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next