In de bus van de gate naar het vliegtuig – de bus was vol, mensen stonden tegen elkaar aan – kreeg mijn zoon een aanval van ongekend verdriet en ongekend gekrijs. De helft van de passagiers wendde zich vol afschuw van ons af, de andere helft van de passagiers bood hulp. Een vrouw greep de buggy, een meneer mijn koffer, een oudere heer de computertas, er was iemand die het kind van me wilde overnemen maar dat ging me te ver.
Onze bestemming was Krakau, beter gezegd Auschwitz, maar dat laatste had ik geheimgehouden om te voorkomen dat hij op het kinderdagverblijf zou gaan rondbazuinen, ‘ik ga naar Auschwitz’.
Ik had gezegd: ‘We gaan naar het oosten.’
Voor de zekerheid had ik de directeur van Auschwitz gevraagd of ik er met een peuter heen kon, hij antwoordde: ‘Er zijn hier meer dan tweehonderdduizend baby’s en kinderen vermoord, peuters zijn welkom.’
Krakau anno 2023 leek op Praag anno 1993. Veel toeristen die zich verheugden over de prijzen, een vleugje sekstoerisme, de pierogi vet en betaalbaar.
Auschwitz was sinds mijn laatste bezoek in 2005 een waarlijke trekpleister geworden. Toeristen werden door het kamp gejaagd zoals eertijds de Joden, maar stukken vriendelijker, en de toeristen kwamen er levend, ja, naar mijn stellige indruk verkwikt uit.
Mijn zoontje wilde per se de gaskamer in. Hij verzamelde wat stenen die hij in zijn konijnenrugzak stopte. Op de mededeling dat omaatje Hannelore hier gevangen had gezeten, vroeg hij of de politie haar achterna was gerend. Daarmee was dat onderwerp afgehandeld.
In het zwembad in het hotel besefte ik dat Holocausttoerisme ook een symptoom is van een herinneringscultuur die op haar laatste benen loopt. Er zal na de volgende grote oorlog een nieuwe herinneringscultuur ontstaan.
Daarvoor hoeft men niets te doen. Geduld betrachten. Netjes in de rij blijven staan.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns