Elke twee jaar wordt Venetië ondergedompeld in een ontzagwekkende hoeveelheid beeldende kunst. Wat sprong op de 60ste editie van de Biënnale het meest in het oog? Kunst die ook theater is, zag kunstredacteur Anna van Leeuwen.
‘Tanzania is vlakbij, maar het is niet makkelijk te vinden.’ In de smalle straatjes van de wijk Cannaregio in Venetië vinden vreemde gesprekken plaats. De 60ste editie van de megatentoonstelling Biënnale van Venetië is net geopend en Tanzania is voor het eerst van de partij. Het land presenteert zich in kleurrijke schilderijen, sculpturen van papier, houtsneden en objecten die met de geschiedenis van het land te maken hebben.
Elke bezoeker in de kleine tentoonstelling wordt met enthousiasme ontvangen: ‘Ben je curator? Ben je journalist? Wil je je e-mailadres achterlaten?’ Logisch, want de concurrentie is moordend, alleen al in aantallen. Er is op deze tweejaarlijkse manifestatie één zogenaamde ‘hoofdtentoonstelling’, waar dit keer 331 kunstenaars aan meedoen.
Over de auteur
Anna van Leeuwen is kunstredacteur bij de Volkskrant. Ze schrijft over tentoonstellingen, musea, kunstenaars en de kunstmarkt.
Daarnaast hebben 88 landen een eigen tentoonstelling georganiseerd. De officiële randprogrammering van de biënnale bestaat uit nog eens dertig tentoonstellingen. En daarbovenop zijn er minstens honderd tentoonstellingen te bezoeken in musea en andere kunstruimtes.
Niet alleen Tanzania is dit keer nieuw, ook Benin, Ethopië en Oost-Timor doen voor het eerst mee. Marokko zou ook zijn debuut maken, maar is afwezig (en het is niet duidelijk waarom).
Vorig jaar bezochten meer dan 800 duizend mensen de Biënnale. Maar bij Tanzania wordt de deur nog niet platgelopen. Tijdens de voorbezichting voor museumdirecteuren, curatoren en kunstpers ontstond al snel een buzz rondom bepaalde tentoonstellingen. Dit keer heeft het Duitse paviljoen de langste rij en was de presentatie van het Vaticaan, waar voor moet worden gereserveerd, razendsnel volgeboekt.
Ook op de ambitieuze presentatie van nieuwkomer Benin is met enthousiasme gereageerd. Die expositie is (op uitnodiging van Benins president) samengesteld door de internationaal opererende curator Azu Nwagbogu uit Nigeria, die ook betrokken is bij Buro Stedelijk in Amsterdam en sinds vorig jaar op een gezaghebbende lijst van ‘100 machtigste mensen uit de kunstwereld’ prijkt.
Nwagbogu’s tentoonstelling, met in het midden een indrukwekkende donkere iglovormige koepel van Romuald Hazoumè, is een hit. Deze kunstenaar, bij Nederlanders mogelijk bekend vanwege de tentoonstelling Slavernij in het Rijksmuseum, bouwde ook in Venetië zijn kunst met oude jerrycans. Hier kan Tanzania (nog) niet aan tippen, de expositie is wat braaf en weinig onderscheidend, bezoekers staan gauw weer buiten. Op naar Cuba, vijfhonderd meter verderop.
Foreigners Everywhere (vreemdelingen overal) is het hoofdthema van deze biënnale. De Braziliaanse curator Adriano Pedrosa zegt dat hij al tien jaar lang met het plan rondliep een tentoonstelling te maken met die titel. Maar het is moeilijk voor te stellen dat de beschrijving ergens beter van toepassing zou zijn dan in Venetië tijdens de biënnale. Omdat hier dus 88 verschillende landen zich presenteren en omdat de stad Venetië zucht onder de last van de vele toeristen uit den vreemde.
Bovendien is het thema op te vatten als een gebaar naar de rechtse Italiaanse premier Giorgia Meloni en haar anti-immigratiestandpunten. En dan bedoel ik: een middelvinger. Meloni heeft inmiddels haar grip op de kunstmanifestatie verstevigd; eind vorig jaar is een goede bekende van haar benoemd als voorzitter van de Biënnale. De kans bestaat dat de volgende ‘artistiek directeur’ (Pedrosa’s titel) een conservatieve inslag heeft.
Maar dit keer is de façade van een van de centrale locaties, normaal een strak modern en wit kunstpaleis, beschilderd door het inheems-Braziliaanse kunstcollectief Mahku. De toon is gezet: hier wordt elke zogenaamde ‘vreemdeling’ verwelkomd, elke eigenheid gevierd.
Pedrosa heeft de grootst mogelijke eer die een tentoonstellingsmaker wereldwijd kan toevallen. En een bovenmenselijke opdracht. In anderhalf jaar tijd moest hij de hoofdtentoonstelling van zo’n 15 duizend vierkante meter samenstellen.
Bijzonder is dat hij deze klus zeer persoonlijk heeft opgevat. Hij is de eerste curator die woont in het mondiale Zuiden (hij leidt het kunstmuseum van São Paulo), zo benadrukt hij graag, en de eerste curator die openlijk queer is. Het ‘vreemde’ verwijst dus ook naar seksuele identiteit. En Pedrosa nodigde veel kunstenaars uit die voor de kunstwereld vreemden zijn: autodidacten bijvoorbeeld.
Soms komt dat allemaal schitterend en spectaculair samen. Zoals in de kleurrijke knipselkunst van Xiyadie. Deze 61-jarige Chinese kunstenaar heeft geen kunstopleiding gehad, werkt in een lokale volkskunsttechniek en worstelde in zijn hetero-huwelijk met zijn seksuele geaardheid. Zijn kwetsbare kunstwerken laten die worsteling en zijn fantasieën over vrijen met mannen op een prachtige manier zien.
Xiyadie, die dus zo'n beetje alle hokjes aanvinkt van het thema van de hoofdtentoonstelling, is al een aantal jaren bezig aan een internationale opmars. In 2015 hingen zijn kunstwerken bijvoorbeeld in het Nationaal Museum voor Wereldculturen in Amsterdam, vorig jaar had hij een solotentoonstelling in New York en hing zijn werk op de kunstbeurs Frieze in Londen. De stap naar de Biënnale van Venetië past in de ontwikkeling van zijn carrière.
Voor de meeste andere kunstenaars die Pedrosa koos, geldt dat niet. Het zijn onwaarschijnlijke gasten op dit internationale kunstfeestje. Dit wordt telkens benadrukt in de tekstbordjes met biografische informatie, waar steevast de alinea is toegevoegd: ‘Dit is de eerste keer dat het werk van (naam kunstenaar) wordt gepresenteerd op de Biënnale.’ Pedrosa bedoelt dat als kritiek, hij vindt dat deze kunstenaars voorheen onvoldoende erkenning hebben gekregen. Maar door de herhaling lijkt het soms een overdreven zelffelicitatie.
Bovendien: hoe verrassend is het dat bijvoorbeeld de viltstifttekeningen van de 65-jarige inheems-Braziliaanse sjamaan André Taniki Yanomami nooit eerder zijn getoond op de Biënnale? Of de kleine schilderijtjes over het dagelijks leven van de Guatamalteekse Maya-kunstenaar Rosa Elena Curruchich (1958-2005)?
Gewoonlijk zijn op de hoofdtentoonstelling van de Biënnale namelijk vooral grote spectaculaire kunstwerken te zien, gemaakt door de hotste kunstenaars wereldwijd. Die spektakeldrang ontbreekt dit keer. Deze kunstenaars zijn zeker wel ontdekkingen (zie ook het mantra op de tekstbordjes), maar presenteren zich voornamelijk met bescheiden kunstwerken in traditionele technieken zoals schilderen, borduren, weven, rijgen of batik.
Zelden zijn die werken voor de Biënnale gemaakt, want Pedrosa koos grotendeels ‘historische kunstenaars’, wat wil zeggen: dode kunstenaars. Het is zijn poging de kunstgeschiedenis te herschrijven, net als curator Cecilia Alemani op de vorige Biënnale poogde in haar geslaagde tentoonstelling Milk of Dreams, waar de nadruk lag op vrouwelijke kunstenaars .
Soms is de samenhang in de hoofdtentoonstelling helaas ver te zoeken. Op een binnenplaats in de Giardini staat een bronzen afgietsel van het lichaam van kunstenaar Puppies Puppies (Jade Guanaro Kiriki-Olivo). Zij is transgender en op de sokkel staat Woman, als een statement voor wie dat niet accepteert of wil begrijpen.
Even verderop brengt de tentoonstelling in een prachtige kleurrijke zaal een ode aan niet-westers modernisme van de vorige eeuw. De zaal daarnaast is geheel gewijd aan de koloniale geschiedenis van Puerto Rico. Er zijn heus dwarsverbanden voor wie goed zoekt (ergens valt te lezen dat de vader van Puppies Puppies uit Puerto Rico kwam), maar het komt zo bij elkaar gebracht ongeconcentreerd en versnipperd over.
Het lijkt alsof curator Pedrosa een stuk of vijf museumtentoonstellingen door elkaar heeft gehusseld. Daarbij is hij duidelijk een allesvreter: alle stijlen en disciplines zijn in de hoofdtentoonstelling te zien, wat soms tot combinaties leidt die botsen. Rond de priegelige tekeningen van sjamaan André Taniki Yanomami zijn bijvoorbeeld zwart-wit foto’s gehangen die de Zwitserse kunstenaar Claudia Andujar in Brazilië maakte. Daar is inhoudelijk vast goed over nagedacht, maar het resultaat is gewoon lelijk. De kunstwerken zitten elkaar in de weg.
In de landenpaviljoens zijn deels dezelfde ontwikkelingen te zien als in de hoofdtentoonstelling. Zo worden Australië, Canada, Denemarken, Brazilië en Oost-Timor vertegenwoordigd door inheemse kunstenaars. Het Braziliaanse paviljoen is voor de gelegenheid omgedoopt tot Hãhãwpuá Pavilion; Hãhãwpuá betekent ‘voorouderlijk grondgebied’ in de taal van de Pataxó-stam. Deze beweging is niet nieuw: in 2022 hadden Finland, Noorwegen en Zweden samen een Sámi-paviljoen.
Australië won met de indrukwekkende presentatie van Archie Moore de biënnaleprijs: de Gouden Leeuw voor beste landenpresentatie. Moore reconstrueerde op de muren van het paviljoen zijn familiegeschiedenis, als zoon van een Aboriginal moeder en een Brits-Schotse vader. Die muren werden schoolbordzwart geverfd, met wit krijt zijn er duizenden namen op geschreven.
Het gaat om een ongelooflijk uitvoerige stamboom van de kunstenaar, die volgens hem zelfs 65 duizend jaar teruggaat. Op een tafel midden in het paviljoen liggen stapels documenten die verwijzen naar de vele Aboriginals die zijn gestorven in politiehechtenis. Daaronder een donkere bak water die de namen op de muren weerspiegelt. Het paviljoen doet denken aan een gewijde plek, een altaar of monument, maar ook aan minimalistische kunst.
Los van de focus op inheemse kunstenaars wijken de landenpaviljoens en overige tentoonstellingen in de stad sterk af van Pedrosa’s visie voor de Biënnale. Waar zijn tentoonstelling (op de omvang na) veelal anti-spectaculair is, proberen elders in Venetië kunstenaars toeschouwers wel degelijk van hun sokken te blazen.
Wat daarbij opvalt is de hoeveelheid zogenaamde ‘immersieve kunst’. Venetië staat vol met installaties waarin je je geheel in een andere wereld waant. Muziek en geluiden helpen daarbij, maar vooral vallen de zeer knappe staaltjes decorbouw op. Die zijn behoorlijk ontregelend. In het Duitse paviljoen waan je je in een vuil en stoffig appartement (inclusief acteurs); Bulgarije heet de bezoeker welkom in huizen uit het communistische verleden. Servië bouwde onder meer een snackbar, een badhuis en een slaapkamer na.
Deze theater-meets-kunst-trend komt niet uit de lucht vallen. In 2009 had het Deens-Noorse kunstduo Michael Elmgreen en Ingar Dragset al groot succes metThe Collectors. Zij hadden twee landenpaviljoens zo ingericht dat het leek alsof de bezoeker de huizen kon bezichtigen, in de voortuin stond een bordje ‘Te koop’. Er waren unheimliche aspecten, niet in de laatste plaats de dode man die in het zwembad dreef. In 2019 was alle aandacht voor Litouwen, dat een opera op een kunstmatig (indoor) strand had georganiseerd en daarmee de Gouden Leeuw won.
Baas boven baas in de categorie decorbouw is dit jaar de Zwitsers-IJslandse kunstenaar Christoph Büchel, die het hele palazzo van de Prada Foundation tot zijn beschikking had. Zijn project Monte di Pietà begint buiten al. Vanaf het Grand Canal (de hoofdstraat van Venetië) zijn op het statige gebouw grote posters te zien. Daarop staat in hoofdletters ‘opheffingsuitverkoop’ en ‘alles moet weg’. Binnen heeft Büchel de ruimten omgebouwd tot verschillende levensechte ruimten.
Een groot deel lijkt een pandjeshuis, naar een van de eerste functies van het gebouw als zogenaamde ‘Monte di Pietà’. Maar er is hier ook een oorlogsmuseum, een kapel, een lege voedselbank, een casino, drie appartementen, een stripclub, een gevangeniscel, kantoren, opslag, café, een keuken, een archief en het overvolle huis van een hamsteraar. En waarschijnlijk vergeet ik nu nog iets.
Door dit kunstwerk dolen is een bizarre ervaring van voortdurend jezelf toespreken ‘dit is niet echt’. Wetende dat over elke stoflaag en elke post-it is nagedacht, scherpt de zintuigen maximaal, zelfs voor wie al volledig kunstmurw is. Dit is een zeer aangename mindfuck. Centraal staan de diamanten die Büchel liet maken van zijn eerdere (vernietigde) kunstwerken en oude bezittingen.
Goed om te weten: er zijn hier talloze kunstwerken verstopt. Wie oplet, spot in het pandjeshuis zomaar een ‘Boîte-en-valise’, een mini-tentoonstelling in een koffer, van Marcel Duchamp en een paar blikjes ‘Merda d’artista’, ingeblikte poep van kunstenaar Piero Manzoni.
Ook kunstwerken van bijvoorbeeld Chris Burden, Santiago Sierra, Andy Warhol en Joseph Beuys en bruiklenen uit het Louvre, het Rijksmuseum en het Smithsonian American Art Museum zijn hier schijnbaar achteloos neergezet, om ‘per toeval’ te vinden.
Büchel (58) heeft een naam hoog te houden met provocerende kunstwerken in Venetië. In 2015 opende hij hier een moskee in een oude katholieke kerk. In 2019 liet hij een vissersboot tentoonstellen waarin honderden vluchtelingen waren omgekomen.
Dit keer is het aan de bezoeker zelf om een verhaal te ontdekken. En dat kan veel kanten op gaan. Zo zijn er in Monte di Pietà talloze verwijzingen naar de geschiedenis van Venetië, maar ook naar de oorlogen in Gaza en in Oekraïne.
Wie goed naar de verstopte kunstwerken kijkt, zal echter concluderen dat Monte di Pietà vooral gaat over handel, kapitalisme, macht, uitbuiting en de kunstmarkt. Denk aan Manzoni die zijn poep inblikte en daarmee de kunstwereld en de kunsthandel te kakken zetten (ha) of Burden die een absurd tv-spotje liet uitzenden waarin de kunstenaar zakelijk en gortdroog over zijn jaarinkomen vertelde. Of Sierra die verslaafde sekswerkers betaalde om een streep op hun rug te laten tatoeëren.
Er wordt weleens geklaagd dat de Biënnale een verkapte kunstbeurs is (zo begon het ook in 1895) en dat de banden met de kunstmarkt te nauw zijn. Op Pedrosa’s hoofdtentoonstelling lijkt die kritiek niet van toepassing, de meeste kunstenaars die hij koos worden niet door galeries vertegenwoordigd.
Alsnog lijkt Büchel in Fondazione Prada te willen laten zien dat alles in de wereld en dus ook de kunstwereld te koop is, dat alles draait om spullen en speculatie. Alles moet weg, voor de hoogste bieder. Een cynisch idee, maar prikkelendere en scherper geslepen kunst zul je niet tegenkomen in Venetië dit jaar.
In de ‘Giardini Della Biennale’ staan 29 landenpaviljoens, waaronder dat van Nederland (met een tentoonstelling van het Congolese kunstcollectief CATPC). Sla vooral de paviljoens van Australië, Duitsland, Egypte, Frankrijk en Oostenrijk niet over. In het centrale paviljoen is een deel van de hoofdtentoonstelling Vreemdelingen overal te zien.
Hier bevinden zich 23 landenpaviljoens, waaronder dat van nieuwkomer Benin. Vooral de presentaties van Benin, Italië, Libanon, Oekraïne en Turkije zijn indrukwekkend. Hier is het tweede deel van de hoofdtentoonstelling Vreemdelingen overal te zien.
Fondazione In Between Art Film biedt in de tentoonstelling Nebula acht spectaculaire nieuwe filminstallaties van interessante internationale kunstenaars.
Miljardair en kunstverzamelaar François Pinault heeft twee musea in Venetië (en een derde in Parijs). Tijdens de Biënnale is in museum Punta della Dogana de duistere post-apocalyptische tentoonstelling Liminal van Pierre Huyghe te bezoeken.
Aangrijpende kunstwerken die, direct en indirect, over oorlog gaan zijn te zien in de tentoonstelling From Ukraine: Dare to Dream (t/m 1/8). Ga ook langs bij de kleine expositie South West Bank, het onofficiële paviljoen van Palestina, in het naastgelegen Magazzino Gallery.
Beroeps-ontregelaar Christoph Büchel heeft Fondazione Prada omgebouwd tot een zinsbegoochelende ervaring. Tip: in dezelfde straat is de mooie tentoonstelling Cosmic Garden te zien bij Salone Verde.
Exposities, tenzij anders vermeld, t/m 24/11.
De titel van de hoofdtentoonstelling is Foreigners Everywhere. Adriano Pedrosa koos die titel vanwege een kunstwerk van het Italiaans-Britse kunstenaarsduo Claire Fontaine: neonletters die in allerlei talen en kleuren ‘vreemdelingen overal’ spellen. Dit kunstwerk is op meerdere plekken in de tentoonstelling te zien. Claire Fontaine leende de frase op hun beurt van anarchistisch collectief Stranieri Ovunque, dat begin deze eeuw in Italië tegen racisme en xenofobie streed.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant