Bij alle commotie rond de recente opening van het Holocaustmuseum, bleef onopgemerkt hoe bekaaid de oorlogsgeschiedenis van Sinti en Roma er vanaf komt.
Het in Amsterdam geopende Nationaal Holocaustmuseum is veelvuldig in het nieuws geweest. De positie van Nederlandse Joden en de geschiedenis en actualiteit van antisemitisme stonden daarbij centraal, alsook de oorlog tussen Israël en Hamas en de betwiste komst van de Israëlische president Herzog naar de openingsceremonie.
Bij al deze commotie is onderbelicht gebleven hoe de oorlogsgeschiedenis van Sinti en Roma in het museum is verbeeld. Zij komen er nogal bekaaid vanaf. Wie echter inzicht wil krijgen in de nazistische uitsluitingsmachine die de Holocaust inluidde, moet behalve het verschrikkelijke lot van de Joden ook de nazi-genocide op Sinti en Roma recht doen.
Over de auteur
Huub van Baar is hoogleraar politieke wetenschappen aan de KU Leuven.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Dat is in de Nederlandse context lastig balanceren. Rond de 104 duizend Nederlandse Joden en ongeveer tweehonderd Nederlandse Sinti en Roma werden in de oorlog vermoord.
Het museum is gevestigd in de voormalige Kweekschool, waar in de oorlog van hun ouders gescheiden Joodse kinderen werden ondergebracht. Het museum ligt in de Plantagebuurt, het centrum van het vooroorlogse Joodse leven in Amsterdam, en tegenover de Hollandsche Schouwburg. Bijna 50 duizend Nederlandse joden werden vandaar gedeporteerd. Om deze redenen is het legitiem het lot van de Joden in het museum centraal te stellen.
Toch wringt dit in een breder Holocaustperspectief. Van alle nazislachtoffers zijn alleen Joden, Sinti en Roma op grond van hun vermeende inferieure ‘ras’ de gaskamers ingejaagd. Een aanzienlijk deel van vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau werd speciaal opgetuigd voor ‘zigeuners’.
In landen als Tsjechië en Kroatië is ongeveer 90 procent van de vooroorlogse Romabevolking omgebracht en in heel Europa zijn tussen een kwart en een half miljoen Sinti en Roma door de nazi’s en hun collaborateurs vermoord. Niettemin is de aandacht daarvoor sterk onderbelicht. Bij uitstek Holocaustmusea hebben tot taak zich daarvan rekenschap te geven.
Het Amsterdamse museum heeft voor een compromis gekozen waarbij het Sinti en Roma wel noemt, maar vrijwel onzichtbaar voor wie hun lot niet kent. Er is een minimale vermelding van de razzia tegen Sinti en Roma en er is op interactieve schermen een tweetal getuigenissen van Sinti-overlevenden opgenomen. Bij een van hen blijft de Sinti-achtergrond onvermeld.
In de laatste tentoonstellingszaal draait een film over de impact van de Holocaust op nazaten van de slachtoffers. Ook twee Sinti- vrouwen komen aan het woord, terwijl daar zachtjes Djelem Djelem klinkt, het volkslied van Sinti en Roma. Op de wanden in het museum waarop de ontelbare anti-Joodse maatregelen van de nazi’s zijn opgenomen, worden ook een paar maatregelen tegen Sinti en Roma genoemd. Die vermeldingen zullen echter veel bezoekers ontgaan.
Waarom heeft het museum deze keuzes gemaakt? Zo had het een kaart kunnen opnemen met de concentratiekampen voor woonwagenbewoners – ‘verzamelkampen’ in de nazi-terminologie. Dat zou een eenvoudige, maar krachtige manier zijn geweest om het lot te verbeelden van Sinti, Roma en Reizigers (woonwagenbewoners zonder Sinti- of Roma-achtergrond). Meer dan 25 van zulke concentratiekampen werden in Nederland ingesteld, waarnaartoe alle woonwagens verplaatst moesten worden om ‘asociale elementen’ te isoleren.
Een deel van de Roma, Sinti en Reizigers werd naar Westerbork gedeporteerd, waarbij de Nederlandse politie een handje hielp. Een historisch fragment uit een beroemde film van een wegrijdende trein uit Westerbork wordt in het museum weliswaar vertoond, maar zonder te vermelden dat daarin behalve Joden ook Roma en Sinti naar Auschwitz werden gedeporteerd.
Het museum had een prominente educatieve functie kunnen vervullen rondom de geschiedenis en naoorlogse positie van Sinti, Roma en Reizigers. Het vooroorlogse taboe op ‘verzamelkampen’ werd na de oorlog in Nederland doorbroken. Grote regionale kampen werden opgericht en beoogden de assimilatie van woonwagenbewoners.
Na dit mislukte ‘experiment’ voerden veel gemeenten tot voor kort een ‘uitsterfbeleid’. Woonwagenbewoners werd daarin steeds minder leefruimte gegeven, in strijd met wetgeving rond de erkenning van hun minderhedenstatus en gewenste woonvorm. De rechter heeft dit ‘uitsterfbeleid’ in 2017 sterk veroordeeld, maar een net verschenen rapport laat zien dat gemeenten nog altijd ernstig in gebreke blijven jegens Sinti, Roma en Reizigers.
Uiteraard is het niet de taak van een nationaal Holocaustmuseum al deze zaken aan de orde te stellen. Maar door de minimale of impliciete aandacht voor Roma, Sinti en Reizigers mist het de kans om een echt nationaal museum te zijn, met goed oog voor alle in de Holocaust betrokken Nederlanders, en om de hedendaagse positie van deze groepen mede vanuit hun geschiedenis te duiden.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant