Oorlog haalt het slechtste in mensen naar boven maar ook het beste. De laatste jaren gaat het bij sprekers op de Dodenherdenking meestal over het eerste. Wat leert de Duitse bezetting van 1940-1945 over het kwaad in Nederlanders zelf? Het actieve collaboreren, het passieve wegkijken. ‘Voor de twee minuten stilte ingaat, knalt vaak de zweep van de zelfkastijding’, schreef ik vorig jaar.
Soms zijn de verwijten terecht, soms te gemakkelijk. Ik sprak erover met Sytze van der Zee, mijn vroegere hoofdredacteur bij het Parool die een vriend werd. Hij is een gerespecteerd kenner van de geschiedenis van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. Pas publiceerde hij Willi Lages. Ceremoniemeester van de dood, een doorwrochte biografie van de Duitse oorlogsmisdadiger die verantwoordelijk was voor de deportatie van de Nederlandse Joden.
Over de auteur
Arie Elshout is journalist en columnist voor de Volkskrant. Eerder was hij correspondent in de VS en Brussel. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Hele dagen bracht Van der Zee door in Nederlandse en Duitse bibliotheken en archieven. Wie in coronatijd een man in zijn eentje door de uitgestorven Amsterdamse binnenstad zag lopen, zal het niet geweten hebben. Maar dat was Sytze onderweg naar het NIOD, het instituut voor oorlogsdocumentatie, waar hij toen bij hoge uitzondering boeken mocht lenen. Hij is inmiddels 84, maar iedereen die iets zegt of schrijft over de oorlog loopt nog altijd het risico op een corrigerende mail van hem.
Van der Zee verbaast zich over de ommekeer in de Nederlandse kijk op de oorlog. Na de bevrijding was het alsof iedereen in het verzet had gezeten. Tegenwoordig lijkt het alsof iedereen een collaborateur was. Het klopt beide niet, zegt hij.
Hij waarschuwt voor overdrijving. Salo Muller, voormalig fysiotherapeut van Ajax, zei in het Parool dat tachtig procent van de Nederlanders aan de verkeerde kant stond en dat Belgen en Fransen veel meer deden om hun Joden te beschermen. In de Telegraaf schreef Catherine Keyl dat mensen in Bussum in de rij stonden om vijf gulden te incasseren voor het verraden van een joodse inwoner.
Van der Zee heeft in de archieven nooit iets gezien van zulke rijen. Bij de vergelijking met België en Frankrijk wordt volgens hem vergeten dat de situatie daar anders was. In Nederland bestond de bezettingsmacht uit radicale nationaalsocialisten, vaak Oostenrijkers. Hondstrouwe volgelingen van Hitler die alles deden om te helpen bij de ‘eindoplossing van het Joodse vraagstuk’. In België was de Wehrmacht de baas, ook erg maar minder ideologisch, minder fanatiek. In Frankrijk konden Joden uitwijken naar het Vichy-gebied.
Er waren in Nederland volop NSB’ers, WA-zwarthemden, antisemieten, verklikkers, opportunisten, politieagenten, tram- en spoorwegmedewerkers die hand-en-spandiensten aan de Duitsers verleenden. Maar er was ook de Februaristaking, mede gericht tegen de Jodenvervolging. Er werden barricades opgeworpen, Duitsers schoten. ‘Wat er zich eind februari 1941 in Nederland afspeelde, zou in het bezette deel van West-Europa ongekend blijven. Hitler schijnt te hebben geschuimbekt van woede’, schrijft Van der Zee in zijn boek.
Hij las de Meldungen aus den Niederlanden, wekelijkse rapportages van de Sicherheitsdienst (SD). Daaruit blijkt dat het verzet in Nederland van begin af aan veel groter was dan veelal wordt beschreven. Hij durft te stellen dat er meer Nederlanders aan de goede kant stonden dan aan de verkeerde. Daarnaast meent hij dat er niet lichtvaardig moet worden gedacht over wat Nederlanders tegen de deportaties hadden kunnen doen. De Duitsers traden keihard op. Nergens in West-Europa zijn bevolkingen opgestaan tegen de Wehrmacht. Nederland deed het volgens hem niet slechter of beter dan omringende landen.
Feit blijft dat toen Salo Muller als kind uit de onderduik kwam, zijn Joodse ouders, grootouders, ooms, tantes, neefjes en nichtjes waren uitgeroeid. Van der Zee legt in zijn boek de bureaucratie van de massamoord bloot, het is allemaal gruwelijk, hartverscheurend en nog altijd verbijsterend.
Aan Nederlandse kant waren er de verraders, er was het verzet, daartussen bevonden zich degenen die passief bleven, wegdoken, wegkeken. Dat kun je hekelen, maar ik ben daar voorzichtig mee als iemand van na de oorlog die nooit op de proef is gesteld. Uitermate pijnlijk blijft het wel.
Daarom is 4 mei belangrijk, een moment van bezinning, in het deemoedig besef van onze menselijke feilbaarheid en zwakheden. Doorbreek de sacrale stilte niet met activistisch lawaai, al helemaal niet in een tijd van groeiend antisemitisme.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant