Home

In ‘De net-niet elite’ analyseert Dylan van Rijsbergen de macht van klassen met charmante eenvoud en een bewust gebrek aan nuance

Na Joris Luyendijk en Rutger Bregman legt nu ook schrijver Dylan van Rijsbergen uit hoe de maatschappij volgens hem beter kan worden. Alles draait om de macht van klassen, schrijft hij in De net-niet elite. Of je het er nu mee eens bent of niet, zijn analyses zijn interessant.

Niet meer piepjonge, welbespraakte witte mannen die in een boek geduldig uitleggen hoe het beter en eerlijker kan in de westerse wereld – het gaat op een trend lijken. Na Joris Luyendijk en Rutger Bregman is er nu Dylan van Rijsbergen. Alle drie zijn ze van huis uit journalisten, afkomstig uit keurige gezinnen, in het bezit van wat de eerste ‘zeven vinkjes’ noemt, een flinke dosis van de ‘morele ambitie’ die Bregman voorstaat en het ‘cultureel kapitaal’ dat Van Rijsbergen meekreeg. Mannen met zelfvertrouwen en een scherpe pen, die ook gemeen hebben dat ze zelf nauwelijks deelnemen aan het gevecht in de maatschappelijke arena dat ze observeren. Dat is overigens geen diskwalificatie; beschouwers zijn nodig om anderen te inspireren.

Bij Van Rijsbergen draait het om klasse. Dat begrip stoft hij af en munt hij opnieuw. Het is iets anders dan ‘stand’, de onwrikbare categorieën waarin mensen vóór de industriële revolutie zaten opgesloten. Je kunt in klasse dalen en stijgen, simpelweg door meer diploma’s te halen; dan ben je een klassenmigrant. Nederlanders werden na de Tweede Wereldoorlog gemiddeld hoger opgeleid, maar de klassenmigrant heeft het niet altijd makkelijk: hij kent de codes van de nieuwe klasse niet goed, is bang door de mand te vallen, raakt vervreemd van zijn ouders of wordt als nieuwkomer buitengesloten.

Over de auteur
Aleid Truijens is schrijver en journalist en schrijft voor de Volkskrant over literatuur, non-fictie en onderwijs. 

Ook de hogere middenklasse, bevolkt door wat Van Rijsbergen ‘hoogopgeleide hoofdwerkers’ noemt, voelt bedreigingen. Zij oefenen, bijvoorbeeld als leraar, arts, manager, rechter, advocaat of consultant, enige macht over anderen uit, maar zijn ook bevangen door ‘valangst’. Je kunt je mooie positie zomaar kwijtraken. Je moet nieuwe barrières bedenken om je beroepsgroep te beschermen.

Als steeds meer mensen een bachelor- of masterdiploma hebben, ontstaat diploma-inflatie. Je moet je op andere manieren onderscheiden, met extra opleidingen of stages. Bij de kinderen en kleinkinderen van hoogopgeleide babyboomers zie je nu veel sociale daling. Ook als ze wel een glanzend diploma en een baan hebben, verdienen ze niet genoeg om het soort huis te kopen waarin ze zijn opgegroeid.

Minder salaris

Hoogopgeleid zijn is niet synoniem aan rijk. Mensen met een academische opleiding zijn te vinden in de bestuurskamers, maar sommigen hebben een minimuminkomen. Het kunnen autonome creatievelingen zijn, of loonslaven die door hun leiding worden gecontroleerd. Hbo’ers vind je onder succesvolle ondernemers en onder onderbetaalde zorgmedewerkers. Toch, benadrukt Van Rijsbergen terecht, verdienen hoogopgeleiden gemiddeld veel meer dan niet-hoofdwerkers met een beroepsopleiding. Die weten, anders dan bijvoorbeeld tandartsen, hun schaarste niet te gelde te maken. Van Rijsbergen: ‘Als de maatschappij echt zoveel behoefte heeft aan geschoolde vakmensen, waarom zien die dat dan niet terug in hun salaris?’

Hoogopgeleiden stemmen lang niet allemaal links, al had Pim Fortuyn het over ‘de linkse elite’ en hoont Wilders over de woke, verwende grachtengordeldieren. Dat is volgens Van Rijsbergen een valse tegenstelling. Veel hoogopgeleide hoofdwerkers stemmen veilig op D66 en gaan dus mee in het neoliberalisme, en naarmate ze meer verdienen stemmen ze vaker op de VVD.

De hoofdwerkers uit de hogere middenklasse vormen in de ogen van Van Rijsbergen helemaal geen elite, al denken ze zelf van wel. Zij zijn een ‘net-niet elite’. In feite hebben zij weinig invloed en bijna geen macht. Die liggen bij de ‘vermogende klasse’, de 1 procent allerrijksten, de kleine groep ‘die heel veel bezit, en (…) met haar geld een disproportionele invloed kan hebben op de politiek’ en die ‘het helemaal niet van zijn eigen werkprestaties hoeft te hebben’. De meest vermogenden worden in de watten gelegd door de regering en de Belastingdienst, uit grote angst dat ze anders naar het buitenland vertrekken. Ze weten vakkundig buiten beeld te blijven.

Dáár, ‘tussen vermogenden en werkers’, schrijft Van Rijsbergen onder verwijzing naar Thomas Piketty, ligt ‘de waterscheiding in de samenleving’. Die tegenstelling acht hij meer bepalend dan die tussen hoog- en laagopgeleid, of tussen ‘kansrijken’ en ‘kansarmen’. Niet de vinkjes van Luyendijk zijn doorslaggevend, noch het morele gehalte van het individu waarop Bregman hamert. Het gaat om de macht van klassen.

Oldskool socialistisch

Hoog tijd, vindt Van Rijsbergen, dat we dit inzien en ons niet langer fixeren op de eigen groep. Hoog- en laagopgeleiden zouden de handen ineen moeten slaan in plaats van grensconflicten uit te vechten. Het is een treurig beeld: zelfingenomen hoogopgeleiden die denken dat ze tot een heersende klasse behoren en die elkaar de maat nemen over beschaafd gedrag, klimaatbewustzijn en opvoeding. Het is de net-niet apenrots. De machtigen zitten elders en lachen hen uit.

Het is een verfrissend en tegelijk oeroud standpunt, oldskool socialistisch. Het heeft de charme van de eenvoud en het welbewuste gebrek aan nuance. Of je het er nu mee eens bent of niet, Van Rijsbergen hangt interessante analyses op aan dit inzicht. Bijvoorbeeld over het ideaal van de meritocratie, dat leidt tot elkaar de tent uitvechten terwijl het frame ‘succes is volledig eigen verdienste’ in stand blijft.

Ook bij het ideaal van ‘kansengelijkheid’ staat de middenklassenorm voorop: het doel is te stijgen op de opleidingsladder. Wie de geboden kansen niet grijpt, is een loser en heeft zijn ellende aan zichzelf te wijten. Alsof het vanzelf spreekt dat minder succesvolle of minder slimme mensen armer, ongezonder en ongelukkiger zijn. Niet voor niets bedoelde Michael Young zijn boek The Rise of the Meritocracy (1958) als een dystopie, een gruwelsprookje. Voor liberalen werd het een heus ideaal.

Over hoe ‘werkers’ gezamenlijk de toekomst kunnen veranderen, hoe we massaal gaan inzien dat klassentegenstellingen het gevolg zijn van ongelijkheid en vermogen, daarover is Van Rijsbergen vager. Er is behoefte, schrijft hij, aan een politiek programma ‘dat niet streeft naar een andere of betere ladder, maar naar een plattere maatschappij, waar minder ladders nodig zijn’. Een mooi onderwerp voor een volgend boek.

Dylan van Rijsbergen: De net-niet elite – Hoogopgeleiden tussen macht en meritocratie. Walburg Pers; 216 pagina’s; € 24,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next