Met hun coolness, drugsavonturen en spectaculaire concerttournees zijn de Stones buitengewoon geschikt voor het filmdoek. Wat waren tot nu toe de beste, gekste en saaiste Stones-documentaires, en welke docu is nog steeds niet gemaakt?
Mick Jagger en Keith Richards vormen samen een van de belangrijkste songschrijversduo’s uit de pophistorie. Ze zijn allebei 80 en dragen meer dan zestig jaar Rolling Stones-geschiedenis bij zich. Toch kreeg geen Stone tot nu toe zo veel ‘eigen’ films en documentaires als Brian Jones (1942-1969), de gitarist met de rossig-blonde helmcoiffure, die alleen de eerste zeven jaar van de band meemaakte. The Stones and Brian Jones is de nieuwste, een BBC-documentaire (2023) van regisseur Nick Broomfield die – net als de opnieuw uitgebrachte klassieker Gimme Shelter (1970) – nu in Nederlandse bioscopen draait.
Over de auteur
Menno Pot schrijft voor de Volkskrant over popmuziek.
Waarschijnlijk verschenen over geen andere band zo veel documentaires en (concert)films als over de Stones, die gezien hun coolness, drugsavonturen, botsingen met de wet en spectaculaire concerttournees natuurlijk buitengewoon geschikt zijn voor het filmdoek. The Beatles verslaan ze in elk geval, als het om docu-aantallen gaat. En dan tellen we nog niet eens alle onofficiële en onduidelijke Stones-films mee. Daar zijn er veel van; een overzicht kan onmogelijk compleet zijn.
Terug naar Brian Jones, die in 1962 aan de wieg van de groep stond. Hij werd op de late avond van 2 juli 1969 door zijn vriendin Anna Wohlin aangetroffen op de bodem van het zwembad bij zijn huis, Cotchford Farm in East Sussex, buiten Londen. Hij werd doodverklaard in het ziekenhuis. Officiële sterfdatum: 3 juli, omdat Wohlin verklaarde dat hij nog een zwakke polsslag had toen ze hem vond.
Jones was 27. Volgens zijn autopsierapport was hij onder invloed van alcohol en drugs en was zijn dood een tragisch ongeval. Zoals zo vaak staken ook andere theorieën de kop op: Jones zou zijn vermoord, misschien wel door Frank Thorogood, de aannemer die tijdelijk op Cotchford Farm woonde en naar verluidt met Jones ruziede over geld.
The Stones and Brian Jones (2023) laat die theorieën wijselijk voor wat ze zijn. Regisseur Broomfield, die als tiener een keer tegenover Jones in de trein zat en een gesprek met hem aanknoopte, besteedt sowieso nauwelijks aandacht aan Jones’ dood.
Alle eerdere Jones-films waren daar juist zeer op gericht: de biopic Stoned (2005), de Channel 4-documentaire Who Killed the Rolling Stone? (2008) en ook Rolling Stone: Life and Death of Brian Jones (2019) van Danny Garcia. Broomfield richt zich liever op Jones’ leven en rol in de band. Zijn film is beter dan de andere.
Jones was aanvankelijk bandleider. Híj was de bluesfanaat die van de Stones een witte, Britse vertolker van zwarte, Amerikaanse muziek maakte: Muddy Waters, Howlin’ Wolf, Robert Johnson. Veruit de meeste fanmail was voor Brian. Hij beantwoordde zo veel mogelijk brieven persoonlijk. Broomfield opent zijn film met zo’n ontroerend vriendelijke, uitgebreide brief, gericht aan ene Doreen.
Alles veranderde toen de nieuwe Stones-manager Andrew Loog Oldham in 1963 besloot dat de band zich op poppubliek moest gaan richten, met eigen nummers. De twee talentvolste songschrijvers, Jagger en Richards, werden de nieuwe blikvangers.
Jones was een vindingrijk muzikant, die in de laatste jaren van zijn leven iets beslissends toevoegde aan Stones-hits als Paint It Black (de sitar!), maar liedjes schrijven deed hij niet. Hij was er niet goed in. Het frustreerde hem dat Jagger en Richards ineens de koers bepaalden en alle aandacht kregen.
Al schreef Brian Jones geen liedjes, hij componeerde in 1967 wel de muziek voor de West-Duitse film Mord und Totschlag (regie Volker Schlöndorff), waarin zijn geliefde Anita Pallenberg de hoofdrol speelde. De film (Engelse titel: A Degree of Murder) is op dvd verkrijgbaar, maar Jones’ soundtrack verscheen nooit zelfstandig. Hij staat wel op YouTube.
Jones gleed af, werd grootverbruiker van drank en drugs en versleet de ene vrouw na de andere (hij bezwangerde zeker vijf van hen), van de zorgzame Linda Lawrence tot de wilde Anita Pallenberg, tot zij ‘overstapte’ naar Keith Richards, tot Brians ontzetting.
Jones vond spelen met zijn kameraad Jimi Hendrix of The Beatles (hij speelt saxofoon in You Know My Name (Look Up The Number)) eigenlijk leuker dan spelen met de Stones. Hij kon lief en charmant zijn, maar ook cynisch, egoïstisch en manipulatief. In de vroege zomer van 1969 werd hij uit de band gezet; een maand later was hij dood. Bassist Bill Wyman en drummer Charlie Watts kwamen naar de uitvaart, Jagger en Richards niet.
Dat ligt nog altijd gevoelig. Mick en Keith lieten zich niet door Nick Broomfield interviewen. Alleen ex-bassist Wyman komt uitgebreid aan het woord. Hij neemt het op voor zijn oude maatje.
Eén aspect wil Broomfield duidelijk onderstrepen, en dat is in zekere zin nieuws: Brians ondergang had alles te maken met afwijzing door zijn ouders. Hij had een dominante, conservatieve vader en een moeder die geen steun bood. In 1960 zetten ze hun zoon het huis uit, omdat ze hem een onhandelbare nietsnut vonden. Dat kwam nooit meer goed, een berouwvolle brief van vader Jones ten spijt.
Volgens velen eindigden de jaren zestig op 6 december 1969, toen tijdens het Stones-concert op het Altamont Speedway Free Festival een jongen werd doodgestoken door Hells Angels. Maar voor The Rolling Stones, zo betoogt Broomfield, eindigde de sixtiesdroom al vijf maanden eerder.
The Stones and Brian Jones (2023). Documentaire.
Regie Nick Broomfield. 93 min., vanaf 25/4 in de bioscoop.
Een selectie uit het enorme aanbod van documentaires over The Rolling Stones
On the road
De titel misleidt, want dit pretentieloze en daarom zo leuke beeldverslag volgt de hele band (niet alleen Charlie) rond twee optredens in Ierland. We zien de Stones zoals we ze daarna nooit meer zouden zien: piepjong, beleefd en nog volmaakt onschuldig te midden van de typische jarenzestigchaos en hysterische fans van die tijd. Heerlijke interviews ook, bijvoorbeeld met een dan nog onbezorgd antwoord gevende Mick Jagger. Charlie was bedoeld als promotiefilm, met manager Andrew Loog Oldham als producent, maar belandde destijds op de plank en werd pas in 2012 officieel uitgebracht.
De klassieker. De filmmakers die The Rolling Stones volgden tijdens de laatste weken van 1969, konden niet vermoeden dat ze op tournee in Californië een van de grootste concertdrama’s uit de geschiedenis zouden vastleggen. Tijdens het toch al opgefokte Altamont Speedway Free Festival werd de 18-jarige Meredith Hunter doodgestoken door een van de Hells Angels die als ordedienst waren ingehuurd.
Het drama van Altamont is de climax van de film, die niet aan voice-overs of interviews doet, maar de beelden zonder toelichting voor zichzelf laat spreken: een ongepolijst, met recht legendarisch portret van het reizende Stones-circus op de drempel van de jaren zeventig.
Zeven jaar na Charlie Is My Darling: een andere wereld. De Stones op tournee door de VS in 1972. Regisseur Robert Frank gaf band en roadies camera’s waarmee ze zelf mochten filmen. Resultaat: een aanstootgevende collage en legendarische puinzooi, met een coke snuivende Jagger, een wiet rokende Mick Taylor en een heroïne spuitende groupie. Verboden door de rechter, nooit officieel uitgebracht. Wel als bootleg vindbaar, ook online. In plaats van Cocksucker Blues verscheen in 1974 de krachtige concertfilm Ladies and Gentlemen: The Rolling Stones, die zich beperkt tot de ‘voorkant’ van dezelfde tournee uit 1972.
Ja ja, ons eigen Paradiso! In 1995 deden de Stones een korte, ‘uitgeklede’ tournee langs kleine zalen, die een album en beeldregistratie opleverde: Stripped, opgenomen in Londen, Parijs en Amsterdam. De heruitgave Totally Stripped is uitgebreider en gaat vergezeld van een documentaire met beelden van repetities, interviews en studiowerk. Op zichzelf is die docu niet zo spectaculair, maar wel leuk vanwege de deels Nederlandse setting (plus de constatering dat de knappe Stones in 1995 natuurlijk nog helemaal niet oud waren, al vonden we toen van wel: begin vijftig, waar hadden we het over).
De beelden van Zuid-Amerika en de dolle Stones-fans aldaar zijn prachtig, en het unieke concert in Cuba (het eerste van een grote rockband in dat land) mooi om mee te beleven, inclusief de hobbelige aanloop. Maar wat Olé Olé Olé! echt uniek maakt, is het feit dat het de enige tourdocumentaire is waarin we de oude Stones kunnen observeren: zeventigplussers die de roestige motor weer opstarten voor een tournee. Alleen al de moeite waard vanwege de gesprekken tussen Mick en Keith. We zien veel backstagegezelligheid en onderlinge lol. Dat is vast niet nep, maar pas op: de mooie film is een productie van de Stones zelf. Eventuele vuile was bleef binnen.
In de studio
Ook wel One Plus One of, in later jaren, Sympathy for the Devil, de raarste van alle Stones-films. Jean-Luc Godard wilde in Londen een film maken met The Beatles óf The Rolling Stones. The Beatles hadden er geen zin in, de Stones wel, maar Godard vindt zichzelf het belangrijkst in dit avant-gardistische politieke pamflet, met beelden van de Black Panthers, marxistisch-revolutionaire lezingen, in scène gezette vrouwenexecuties en wat dies meer zij. Een intrigerende artistieke ansichtkaart uit het politieke chaosjaar 1968 is deze film beslist. Interessante Stones-aspecten: we zien in de studio het nummer Sympathy for the Devil ontstaan én Brian Jones compleet van het pad raken.
In 1971 vluchtten de Stones om fiscale redenen naar Frankrijk voor de opnamen van wat Exile on Main St. (1972) zou worden, een van hun beste albums (verrassend, gezien de alle vrienden, vriendinnen en drugs in Villa Nellcôte). Jammer dat het niet zo’n beste (en te lange) documentaire is. De hoeveelheid beelden uit 1972 was blijkbaar beperkt: regisseur Kijak had veel nieuwe interviews nodig om er iets van te maken. Hij had strenger moeten schiften. Al die beroemdheden die het album de hemel in prijzen: we hadden best zonder gekund. Niet bepaald het Get Back van de Stones.
Het bandverhaal
Een documentaire die de héle carrière van de Stones bestrijkt is er nog niet. De lange tv-documentaire 25x5 deed dat op het moment van verschijnen wel: van de oprichting in 1962 tot de verschijning van Steel Wheels in 1989. In al zijn degelijke conventionaliteit is 25x5 een van de beste Stones-docu’s, waarin de bandleden opmerkelijk rustig vertellen over hun jeugdjaren en privéleven. Veel muziek. 25x5 is nooit op dvd of blu-ray verschenen, maar staat wel in VHS-kwaliteit op YouTube, al dan niet in delen.
Wél commercieel verkrijgbaar, maar alles wat 25x5 bijzonder maakt heeft Truth and Lies niet: geen nieuwe interviews, geen bijzondere beelden, geen interessante kijk op het verhaal van de band en – een rechtenkwestie – er klinkt geen noot Stones-muziek. Sommige edities bevatten een half uur bonusmateriaal, waaronder beelden van het huwelijk van Mick Jagger met Bianca Pérez-Mora Macías in 1971. Niet kopen. Dan liever door de matige beeldkwaliteit van 25x5 heen kijken op YouTube.
De enige recente biografische Stones-documentaire. Crossfire Hurricane biedt niet het beste verhaal (dat doet 25x5), maar wel de bijzonderste beelden. De Stones zijn zelf de producenten, Brett Morgen de uitstekende regisseur. De bandleden geven nieuwe, exclusieve interviews die we alleen horen: ze komen niet in beeld. Opvallend: de vertelling loopt van 1962 tot 1981, het jaar waarin de laatste écht onvergetelijke Stones-hit Start Me Up verscheen. Is het de bedoeling dat Crossfire Hurricane een vervolg krijgt, dat de draad in 1981 weer wordt opgepikt? Je zou het vermoeden, maar niets wijst erop.
De bandleden
Mick Jagger staat te boek als een man die nooit het achterste van zijn tong laat zien. Dat imago schudt hij in de tv-documentaire Being Mick niet af. Hij filmt zichzelf met een kleine handcamera, ontmoet beroemde vrienden (Bono, Bob Geldof) en praat veel zonder veel te zeggen: een Mick-specialiteit. Vooral bedoeld om het soloalbum Goddess in the Doorway te promoten, maar als Jagger-documentaire nauwelijks van belang.
De enige documentaire over Keith Richards verscheen ook al omdat hij een soloalbum aan het maken was: Crosseyed Heart (2015). Keith is cool, ontspannen en joviaal en hij vertelt leuk over de muziek die zijn jeugd kleurde, de blues en de Stones. Leuker dan Being Mick is Under the Influence zeker, maar toch kan ook deze film niet voor serieuze documentaire over de man in kwestie door. Beschikbaar op Netflix.
Gitarist Ronnie Wood trad in 1975 toe tot The Rolling Stones, maar had toen al een muzikaal leven achter de rug. In Somebody Up There Likes Me vertelt hij dus niet alleen over de Stones, maar ook zijn jaren in The Birds, Jeff Beck Group en The Faces, met Rod Stewart. Geen opzienbarende of spectaculair goede documentaire, wel een charmante en sympathieke feelgoodvertelling. Kan ook niet anders, als Ronnie de hoofdrolspeler is.
Bill Wyman, de onbewogen bassist die in 1993 besloot dat hij wel lang genoeg Rolling Stone was geweest, heeft niet de coolness van Mick of Keith of de joviale charme van Ronnie Wood, maar in alle bescheidenheid wel het mooiste verhaal. Van alle films over individuele Stones is The Quiet One het intiemst. Wyman is zelf de verteller. Anders dan zijn oude bandmakkers weet hij alles nog en heeft hij ook alles bewaard: zijn huis is een Stones-museum annex -archief, en het is een beetje ontroerend om hem er als een oude archivaris in te zien zitten.
Beeldregistraties van Stones-concerten zijn er in overvloed, van The T.A.M.I. Show (1964; de jonge Stones als onderdeel van een programma met onder meer The Beach Boys, The Supremes, Marvin Gaye en Chuck Berry) tot recente uitgaven van concerten uit de tournees Bridges to Babylon, A Bigger Bang, Licks en GRRR! Meestal betreft het rechttoe-rechtaanconcertregistraties, maar sommige concertfilms zijn meer dan gewone concertfilms. Denk met name aan Shine a Light (2007): twee concerten in het New Yorkse Beacon Theatre, door regisseur Martin Scorsese gefilmd alsof je erbovenop zit en in het publiek staat. Hij lardeerde de registratie, met muzikale gasten als Jack White en Christina Aguilera, met interviews en andere documentaire elementen.
Een ander voorbeeld is The Rolling Stones Rock and Roll Circus (1968), de speciale tv-revue in circus- en variétésetting die de Stones in december 1968 bedachten en lieten filmen, met optredens van onder meer Yoko Ono, The Who, Jethro Tull en John Lennon, als lid van de gelegenheidsband The Dirty Mac. De BBC zou het spektakel uitzenden, maar de Stones gingen ervoor liggen omdat ze, tegen de tijd dat ze zelf de bühne betraden, uitgeput en allesbehalve nuchter waren en daardoor niet op hun best. Pas in 1996 kwam de film beschikbaar. Dat was van historisch belang, want het zou de laatste keer blijken te zijn dat Brian Jones met de Stones op een podium stond, zeven maanden voor zijn dood.
Vroeg of laat moeten er natuurlijk goede documentaires over het leven van Mick Jagger en van Keith Richards komen. Die zijn er gek genoeg nog niet; het zal hun bewuste keuze zijn. Ook over drummer Charlie Watts (1941-2021) is nog geen documentaire verschenen: hij mag niet de enige zonder ‘eigen’ film blijven. Ook zeer welkom: een documentaire over de Stones in Nederland, van het Kurhaus in 1964 tot de Johan Cruijff Arena in 2022 en de veertig concerten daartussenin.
Mick Jagger acteerde vrij veel, te beginnen met de misdaadfilm Performance (1968) en de titelrol in Ned Kelly (1970). In 2019 speelde hij nog in The Burnt Orange Heresy. Ook Ronnie Wood (o.a. 9½ Weeks in 1986) en Keith Richards hadden (kleine) filmrollen. Grappig was Richards’ rolletje in twee Pirates of the Caribbean-delen (2007 en 2011): Johnny Depp modelleerde de hoofdfiguur Jack Sparrow naar ‘Keef’.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant