Home

Graven in een zwart verleden: ‘Ik zie niet in waarom ik me zou moeten schamen’

Hans Blom wijdde zijn wetenschappelijke carrière aan de Tweede Wereldoorlog, maar het kistje op zijn werkkamer, met daarin een schat aan relikwieën over het verzetsverleden van zijn vader, liet hij ongemoeid. Tot zoon Onno, schrijver en biograaf, zich in de familiegeschiedenis wilde verdiepen.

De strafdossiers van de familie Blom waren zo dik dat er een karretje voor nodig was om ze te vervoeren. Onno Blom ziet zichzelf nog zitten in de studiezaal van het Nationaal Archief in Den Haag, samen met zijn vader, terwijl een stapel archiefdozen hun kant op werd gereden. Processen-verbaal, vonnissen, rapporten van naoorlogse instanties. Een trolley vol Blom, de neerslag van een fout verleden.

Hans Blom (81), oud-directeur van het Niod, het Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies, was op de hoogte van zijn familiegeschiedenis. Ook zijn zoon Onno (54), schrijver, biograaf en literair criticus, kende de grote lijnen van het oorlogsverleden dat de Haagse familie Blom tijdens de Tweede Wereldoorlog uiteen dreef: Jan, de vader van Hans en de opa van Onno, zat in het verzet, terwijl de rest van de familie, Jans ouders en zijn zeven broers en zussen, fanatieke NSB’ers waren.

Het was geen geheim verleden maar wel een verborgen verleden. Want de Blommen zwegen. Of, zoals Hans zegt: ‘Op vragen aan mijn vader kwam een kort en bevredigend antwoord, maar er zat geen aanmoediging in.’

Historicus Hans Blom voelde nooit de behoefte om te reconstrueren wat er in zijn familie was gebeurd. Op zijn werkkamer stond een kistje te verstoffen met daarin een schat aan relikwieën over het verzetsverleden van zijn vader – hij had het jarenlang niet meer geopend. Totdat hij werd meegevoerd door het enthousiasme van zijn oudste zoon, die het verhaal over de familie Blom voor zich zag.

Schrijver Onno Blom verdiepte zich de afgelopen decennia in het leven en het werk van Jan Wolkers en Gerrit Komrij, van de oude Harry Mulisch en de jonge Rembrandt. Hij wist, kortom, veel over beroemde kunstenaars, maar wat wist hij eigenlijk over zijn eigen familie?

Deze week verschijnt Oorlogsduif, geschreven door Onno, maar gedragen door zijn vader, wiens stem en eruditie in het hele boek weerklinken. Hun fascinerende zoektocht vormt het fundament van de familiekroniek, een reis langs archieven, plaatsen en getuigen, die stap voor stap blootlegt waar zo lang over is gezwegen.

Limonadefabrikant J.C.H. Blom sloot zich in 1933 met zijn hele gezin aan bij de NSB, de partij die daadkracht uitstraalde in een periode dat het land er sociaaleconomisch slecht voor stond en politici er een rommeltje van maakten. Blom bleef jarenlang penningmeester van de NSB-groep in het Haagse Regentessekwartier, zijn kinderen waren lid van onderafdelingen van de partij. Twee zoons meldden zich in de oorlog zelfs aan bij de Waffen-SS, maar werden afgekeurd.

Er was één afvallige: oudste zoon Jan zegde na een jaar zijn lidmaatschap op, werd na de Duitse inval gemobiliseerd, brak met zijn familie en liet in het najaar van 1944 zijn jonge gezin achter om zich aan te sluiten bij verzetsgroep De Duif die in Friesland actief was.

Hans en Onno Blom reisden langs de Friese dorpjes waar hun vader en opa Jan zat ondergedoken. Ze vonden de brieven die hij vanaf het Friese platteland schreef aan zijn jonge vrouw in Leiden. Ze reconstrueerden de laatste maanden van verzetscommandant Philip Pander, de beste vriend van Jan, die vier dagen voor de bevrijding van Zwolle met negen anderen aan de oever van de IJssel werd geëxecuteerd. Ze ontdekten dat een van de tien de executie overleefde, en een verklaring heeft afgelegd over die noodlottige gebeurtenis. Ze bezochten het kamp waar de Blommen, verdacht van collaboratie, na de bevrijding werden geïnterneerd.

Een paar jaar lang trokken vader en zoon samen op, waarbij Hans zich niet zonder zelfspot opwierp als ‘de onderzoeksassistent van mijn zoon’.

Twee tantes van Hans, Map en Door, allebei ver in de 90, waren bereid om na ruim vijfenzeventig jaar stilte te vertellen over hun NSB-verleden. Het levert ontroerende maar ook pijnlijke scènes op. Map, die zich aan het einde van de oorlog zelfs aanmeldde om het Duitse leger te ondersteunen, bleek nog altijd verontwaardigd over de anderhalf jaar celstraf die ze na de bevrijding had gekregen. ‘Anderhalf jaar!’, zei ze. ‘Je moet er tegenwoordig een moord voor plegen.’

‘Het is goed dat Onno het boek heeft geschreven’, zegt Hans, terwijl hij zich installeert in de werkkamer van zijn zoon, verstopt in een hofje in de Leidse binnenstad. ‘Onno is in het diepste van zijn gedachten een dichter. Hij heeft het literaire schrijven tot de kern van zijn bestaan gemaakt, bij mij is dat de wetenschap. Als ik ga schrijven, wordt het zwaar gedocumenteerd en diep doordacht. Enerzijds, anderzijds, veel voetnoten. Dat is voor de lezer hard werken, en het wordt al snel saai gevonden. Al denk ik daar zelf natuurlijk anders over.’

In de uren die volgen zal Hans geregeld uitweiden, om zichzelf soms ineens te onderbreken: ‘Nu ben ik weer college aan het geven.’

Onno, in de stoel ernaast, luistert bedachtzaam, grijpt een keer in (‘Je hebt helemaal nog geen antwoord gekregen op je vraag’), plaagt soms zijn vader en trekt het gesprek dan weer zijn kant op. ‘Ik ben blij dat ík het mocht opschrijven’, concludeert hij halverwege het gesprek. ‘Anders was het een twaalfdelige serie geworden. Dat heb je nu wel gehoord hè? Maar dan stond wel alles erin.’

Is het niet paradoxaal dat Hans zijn wetenschappelijke carrière heeft gewijd aan de Tweede Wereldoorlog maar dat kistje op zijn werkkamer ongemoeid heeft gelaten?

Hans: ‘Ik heb nooit de behoefte gevoeld om de details uit te zoeken. Toen ik directeur werd van het Niod besefte ik dat ik mijn familiegeschiedenis beter zelf naar buiten kon brengen voordat het door een ander zou worden onthuld. Ik vind dat het verleden van je vader of je opa geen rol hoort te spelen bij benoemingen, maar ik was niet zo naïef dat ik dacht dat er geen problemen over zouden kunnen ontstaan.

‘Op mijn verzoek heeft een vertrouwde collega bij het Niod de naoorlogse strafdossiers van mijn familie onderzocht, ik kreeg een uittreksel. Ik heb de voorzitter van de sollicitatiecommissie geïnformeerd en daarna de minister; niemand vond dat dit een rol mocht spelen. Vervolgens heb ik het verhaal verteld aan een journalist van Vrij Nederland. Dat heeft heel goed gewerkt.

Onno: ‘Mijn vader bestudeert de grote lijnen, hij heeft als historicus gedacht: je eigen familie, je eigen sores, die horen daar niet bij. Ik kijk daar op een andere manier naar.’

Hans: ‘Ik ben wel opgeschoven. Dit boek bevat de geschiedenis van een burgerlijke familie ten opzichte van de grote geschiedenis, het gaat over gewone mensen die beslissingen nemen met grote gevolgen.’

Wat opmerkelijk dat tante Door en tante Map aan het boek hebben meegewerkt. Waarom deden ze dat?

Onno: ‘Ik denk dat ze, behalve om ons ter wille te zijn, wilden praten om begrip op te roepen voor hun positie. Zij waren de jongsten, ze zijn grootgebracht met het NSB-gedachtegoed. Ze hebben ons willen laten zien dat hun ideeën voortkwamen uit goede bedoelingen, ze benadrukten steeds dat zij het beste voor Nederland voor ogen hadden. Je kunt je afvragen of dat helemaal klopt. Ik denk zelfs dat het niet klopt, maar zo hebben ze het zichzelf ingeprent. Ik twijfel niet aan hun bedoelingen, ze hadden geen kwaad in de zin, maar ze zagen de consequenties niet. Mijn familie heeft weggekeken.’

In het boek vraag je je af wat je de tantes hebt aangedaan. Wat is het antwoord?

Onno: ‘Daar ben ik naïef in geweest. Ik wandelde een zwart verleden binnen omdat ik nieuwsgierig was naar wat er was gebeurd. Het begon voor mij met de spullen in het kistje van mijn grootvader: wat had hij in het verzet allemaal meegemaakt? Ik ben met de tantes gaan praten zonder dat ik goed tot me heb laten doordringen hoe pijnlijk dat voor ze zou zijn. Ze waren tot alles bereid. We mochten hun strafdossiers inzien. Ze gingen zelfs mee naar Westerbork, waar ze na de oorlog zijn vastgezet.

‘Vlak voordat we daarnaartoe gingen, merkte ik dat het rommelde tussen de tantes. In december 1942 werd mijn overgrootvader in opdracht van de nazi’s benoemd tot bewindvoerder over de fabriek van een Joodse ondernemer in Den Haag, een fabriek die geariseerd diende te worden. Map had Door gebeld om te waarschuwen dat ze daar niet over moest praten. Toen dacht ik opeens: wat ben ik aan het doen? De tantes waren al heel oud, ze zaten in een rolstoel, het was koud toen we naar Westerbork gingen. Waarom? Omdat ik zo nodig dat boek wilde schrijven?

Hans: ‘Ons gevoel werd nog versterkt toen ze zeiden dat ze dood hoopten te zijn als het boek uitkwam.’

Onno: ‘Dat is ook gebeurd, ze zijn inmiddels allebei overleden.’

Vlak voordat ze overlijdt, zegt tante Door dat ze zich verraden voelt. Wat bedoelde ze daarmee?

Onno: ‘Ik vond die reactie op een bepaalde manier ontroerend. Ze erkende dat de familie het in de oorlog verkeerd had gezien, en vond het goed dat de familiegeschiedenis werd verteld. Maar ze voelde zich tegelijk door ons verraden, door haar eigen neef en achterneef, op wie ze was gesteld, omdat die het hele verhaal publiekelijk zouden maken. Het schokte me om te horen wat ze had gezegd, maar als schrijver dacht ik: hier klinken slotwoorden.’

Hebben ze het achterste van hun tong laten zien? Onno, jouw broer Just, die psychotherapeut is, zei dat hij zich dat bijna niet kon voorstellen.

Onno: ‘Niet altijd, denk ik. Als Map naar Door belt om te zeggen dat ze niet moet praten over het beheer van die Joodse onderneming, dan besef je dat ze niet helemaal open zijn. Ik denk dat vooral Map af en toe heel behendig omging met wat ze nog wist, ze heeft een verhaal gemaakt waarin ze zelf kon geloven. De tantes wisten niet wat er met de Joden gebeurde, daar hielden ze zich sterk aan vast. Ze wisten het niet, dus hoe konden ze dan schuldig zijn?’

Terwijl de bordjes met ‘Voor Joden verboden’ toch ook in Den Haag hingen.

Hans: ‘Het is een vorm van leepheid, de aandacht steeds trekken naar dingen die relatief net wat onschuldiger waren. Het kan ze niet zijn ontgaan dat de bezetter, gesteund door de NSB, een zeer anti-Joods beleid voerde. Wat ze niet wisten, waren de details van de industriële moord in Auschwitz.

‘Internalisering heet dat geloof ik in de psychologie, intens gaan geloven in wat voor jou een acceptabele situatie is. Het was na de oorlog een morele noodzaak om door te kunnen leven.’

Onno: ‘Ik wilde die mechanismen absoluut in het boek analyseren en beschrijven. Voor je het weet denkt de lezer dat ik het gedrag van mijn familie aan het goedpraten ben.’

Jullie zijn op zoek gegaan naar het lot van Bram Lens, de Joodse meesterknecht uit de limonadefabriek van de familie Blom. ‘Wat zou er van Bram zijn geworden?’, vraagt tante Map zich in het boek af. ‘Ik heb nooit meer iets van hem gehoord.’

Hans: ‘De tantes vertelden op een bijna vertederende manier over Bram. Hij staat op foto’s van de fabriek, hij was zelfs op het zilveren bruiloftsfeest van mijn grootouders.’

Onno: ‘Maar niemand van de familie heeft ooit meer bij de instanties naar hem geïnformeerd, en dat is pijnlijk. Ze hebben het gewoon van zich afgehouden. Abraham Lens is vermoord in Auschwitz, met zijn vrouw en dochter, maar daar kwamen we pas achter nadat de tantes waren overleden. Jammer genoeg hebben we het ze niet meer kunnen vertellen.’

Hans, waarom zegde uw vader zijn NSB-lidmaatschap op?

Hans: ‘Na de oorlog hebben veel NSB’ers verteld over hun motieven en ik denk dat die aanvankelijk ook voor mijn vader golden. Het ging niet goed met Nederland, de NSB leek een oplossing te bieden. Hij heeft zijn lidmaatschap opgezegd omdat ambtenaren geen lid mochten zijn van een extremistische partij. Gered door de gong.’

Daarmee bedoelt u dat het ook anders had kunnen verlopen?

Hans: ‘Stel dat het ambtenarenverbod er niet was gekomen, dan was hij mogelijk lid gebleven. We weten niet wat er dan was gebeurd. Hoewel hij op de universiteit in antinazistische kringen verkeerde. Aanvankelijk was NSB-leider Anton Mussert niet antisemitisch, maar dat veranderde al snel, en daarna werd de Jodenhaat in de beweging steeds feller. Daar zag mijn vader niets in. En in het officierenmilieu waarin hij vanaf de mobilisatie zat, nam het nationalisme een krachtige vorm aan die zich juist tegen de Duitsers richtte. Dat was de vijand!’

Bij zijn aantreden als hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, in 1983, hield Hans Blom een oratie die voor opschudding zorgde. Daarin keerde hij zich tegen het goed-foutdenken waarmee de geschiedschrijving over de Tweede Wereldoorlog was doordrenkt. Het was te makkelijk, betoogde hij, om met de morele en politieke opvattingen van nu de mensen van toen de maat te nemen.

Dat zou professor Blom wel zo gezegd hebben vanwege zijn eigen familiegeschiedenis, klonk het later. Al in 1983 waren er verwijten dat hij vergoelijkend optrad, moreel verderfelijk bezig was. Nu, ruim veertig jaar later, neemt hij daar opnieuw krachtig afstand van: ‘Ik bestudeer het verleden om het zo goed mogelijk te begrijpen en te reconstrueren. Historici zijn geen morele rechters. De gevoelens van toen interesseren me, niet mijn eigen gevoelens van nu.’

Nu het boek er is, oordeelt u nog steeds niet over uw familie?

Hans: ‘Ook voor mijn eigen familie kan ik de analyse laten overheersen boven het makkelijke oordelen achteraf. Het boek is niet bedoeld om goed te praten of te veroordelen.’

Onno: ‘Ik ben meer in de ban van goed en fout dan mijn vader. De oorlog is voor mij begonnen als een jongensboek. Veel van mijn literaire helden waren jongens tijdens de Duitse bezetting: Hermans, Reve, Mulisch en Wolkers. Zij hebben mij gevormd. Het is nooit mijn bedoeling geweest om mijn familieleden de maat te nemen, ik heb geprobeerd om hun intenties te begrijpen. Ik veroordeel ze niet, pleit ze ook niet vrij. Maar bij alle informatie die we hebben gevonden, schrijf ik wel op wat het met me doet. Je leest dat het me raakt en dat ik sommige beslissingen echt niet begrijp.

‘Dat is het verschil met mijn vader, die ook bij dit persoonlijke verhaal op afstand blijft staan. Ik gebruik mijn verbeeldingskracht, vertel zelfs een terugkerende droom. Daar zou mijn vader zijn handen nooit aan branden.’

Onno, je citeert in je boek George Orwell: ‘Geschiedenis wordt geschreven door overwinnaars.’ Jullie zitten aan de goede kant, dat is wel makkelijk.

Onno: ‘Vlak voordat tante Map overleed heb ik haar gezegd dat ik er niet op uit was om haar te veroordelen, maar dat ik wilde begrijpen wat er was gebeurd. Toen zei ze: Jij hebt makkelijk praten, want Jan was goed. En daar heeft ze natuurlijk een punt.

Hans: ‘Het is wel prettig dat mijn vader aan de verzetskant zat. Maar ik ben niet eens echt trots op hem. Ik realiseer me zo goed hoe toevallig dat was. Hij werd gered door de gong, dat heb ik niet voor niets gezegd.’

Welk inzicht heeft het boek jullie opgeleverd?

Hans: ‘Wat het boek zo mooi illustreert, is hoe individuele beslissingen, soms doordacht, soms intuïtief, de loop van het leven kunnen bepalen. Mijn overgrootvader noemde de inval van de Duitsers een rotstreek. Kantelmoment, denk je dan. Totdat hij op 11 mei 1940 vanwege zijn NSB-lidmaatschap door Nederlanders wordt opgesloten en er onderweg in de trein naar de gevangenis doden vallen. Dat versterkt zijn band met de NSB.’

Na de oorlog komt het weer goed tussen verzetsman Jan Blom en zijn familie, hoe is dat gegaan?

Hans: ‘Dat is een gezamenlijk besluit geweest van mijn ouders en daar heb ik wel bewondering voor. Het grootste deel van mijn familie is na de bevrijding in kamp Westerbork opgesloten, mijn opa is daar vlak na aankomst overleden aan dysenterie. Voor zijn broers en zusters wilde mijn vader niets doen, die moesten hun straf maar uitzitten, maar zijn invalide moeder wilde hij niet laten creperen. Hij heeft haar een tijdje in huis genomen, met zijn oudste zus die voor haar zorgde. Toen alle familieleden uit de gevangenis waren, heeft hij er een streep onder gezet. Ze hadden een fout gemaakt, ze waren gestraft.

‘Mijn ooms en tantes hebben daarna altijd gezwegen, ze besloten om niet meer achterom te kijken. Ze hadden allemaal hetzelfde werkethos en een onverwoestbaar goed humeur.’

Onno: ‘Maar achter dat zwijgen zat natuurlijk ook een sluimerende angst voor ontmaskering.’

Speelt die angst nog steeds? Een aantal tantes heeft kinderen.

Onno: ‘De meeste ooms en tantes zijn kinderloos gebleven, de Blommen richtten zich na de oorlog vooral op elkaar. Dat lijkt me geen toeval. Een aantal nazaten vindt het heel moeilijk dat de familiegeschiedenis naar buiten komt, die willen absoluut niet worden genoemd. Nog altijd speelt er schaamte en groot ongemak over wat er is gebeurd. Mijn vader heeft ze tijdens ons onderzoek steeds op de hoogte gehouden.’

Hans, diplomatiek: ‘We blijven zoveel mogelijk in gesprek.’

Die schaamte speelt niet bij jullie?

Hans: ‘Ook nu ik alles weet, zie ik niet in waarom ik me zou schamen, en ook niet waarom ik trots zou moeten zijn. Ik ben niet verantwoordelijk voor wat mijn familieleden hebben gedaan.’

Onno, je schrijft aan het einde van je boek dat je wijzer en treuriger bent geworden. Waar zit het verdriet?

‘Ik ben van 1969, het jaar van de maanlanding, het jaar dat Jan Wolkers Turks Fruit schreef. Ik ben opgegroeid in vrede en weelde. De afgelopen jaren heb ik me verplaatst in de omstandigheden van de Tweede Wereldoorlog, ik kreeg dingen onder ogen die mij hebben geschokt, zoals de pijnlijk gedetailleerde beschrijving van de executie van Philip Pander en de persoonskaarten van vermoorde Joden. Bovendien zie ik om mij heen de reflexen uit die tijd terug.

Er is een oorlog gaande in Oekraïne die op allerlei manieren lijkt op de Tweede Wereldoorlog. De afkeer van vluchtelingen in Europa, het virulente, populistische nationalisme van Wilders. Ik zou bijna het woord waakzaam gaan gebruiken.’

Jullie zoon en broer Just zei: wij kunnen in de familie enorm ouwehoeren, maar over emoties praten is wat lastiger. Heeft dit boek jullie dichter bij elkaar gebracht?

Onno: ‘Wij hebben altijd een goede verstandhouding gehad en veel interesses gedeeld. Samen je eigen familiegeschiedenis onderzoeken, dat brengt je evident dichter bij elkaar. We deelden de vreugde als we iets moois in de archieven vonden en de teleurstelling als een spoor doodliep. Mijn vader is niet iemand die geneigd is om heel veel over emoties te spreken, maar je voelt wel dat hij ze heeft.’

Hans: ‘We gaan niet eens een uurtje even zitten voelen, zal ik maar zeggen.’

Onno, lachend: ‘Dat zou-ie niet volhouden. Maar af en toe breek ik er gewoon doorheen. Dan pak ik hem even beet. Hij kan ook niet tegen mijn broertje en mij op. Mijn broer is nog eens vijf centimeter langer en twintig kilo zwaarder. We nemen hem gewoon af en toe samen even vast en dan heeft hij niks in te brengen.’

Vindt u dat heel onplezierig?

Hans: ‘Nee hoor, ten eerste weet ik beter.’

Onno, op de nasale toon van zijn vader: ‘Bij mij jongen, heeft de familiegeschiedenis een hoogtepunt bereikt. Dat zegt hij vaak.’

Hans: ‘Dat heb ik van mijn vader, die zei dat ook altijd. Maar Just heeft gelijk. De band die ik voel met mijn kinderen en kleinkinderen is wezenlijk belangrijk in mijn leven. Maar het is niet zo dat we dat geregeld uitspreken en elkaar om de hals vallen.’

Hebben jullie getwijfeld of pijnlijke dingen wel moesten worden opgeschreven?

Onno: ‘Dit boek is onder ede van de waarheid geschreven. Alles is gebaseerd op documenten en gesprekken, zoals een wetenschapper dat zou doen. Maar bij het schrijven van het verhaal heb ik wel een beroep op mijn verbeelding gedaan. Ik weet dat het geheugen hapert en dat herinneringen daardoor kunnen vervormen en dat je tijdens het schrijven zaken naar je hand zet. Daar kom ik ook voor uit.’

Hans: ‘Alleen volstrekte eerlijkheid is acceptabel. Anders bestaat er een risico dat het verhaal zal worden ervaren als goedpraten. En dat is nou juist wat we niet willen. Zodra je gaat manipuleren met het materiaal, krijgen eventuele verwijten een grond.’

Onno: ‘Voor mijn Wolkers-biografie gold hetzelfde. Wolkers heeft, toen hij tegen de 60 liep, een affaire gehad met een veel te jong meisje. Zij had hem brieven geschreven, die hij had klaargelegd om voor een roman te gebruiken. Bovendien schreef hij erover in zijn dagboek. Ik kon niet doen alsof ik dat explosieve materiaal niet had gevonden in zijn archief, ook al stuitte de inhoud me tegen de borst. Ik moest in de biografie dingen naar buiten brengen die niet voor iedereen leuk waren. Ik aarzelde daar wel over, toen, en nu weer. Wie ben ik om voor een ander te beslissen om iets zeer persoonlijks te onthullen? Je moet soms genadeloos zijn.’

Onno, volgens Just heeft dit boek jouw leven ingrijpend beïnvloed. Het heeft hem opgeslokt, zei hij, zoals hij zelfs bij Wolkers niet had zien gebeuren.

Onno: ‘Als schrijver moet je altijd een grote inspanning leveren en daar moet je ook niet over zeuren. Dit is een boek dat ik maar één keer kan maken. Samen met mijn vader mijn eigen familiegeschiedenis onderzoeken, door het schrijven van zo’n verscheurend verhaal tot zelfinzicht komen. Het heeft ervoor gezorgd dat ik veel van mezelf heb gevergd en ook van mijn gezin. Dat is mijn broertje niet ontgaan.’

Om half 3 zet Hans zijn fietshelm weer op, om jongste kleindochter Sophie van school te halen: ‘Dat is mijn taak vandaag.’ Na zijn vertrek klapt Onno het bruine kistje open dat bij zijn computer staat, meegenomen uit de werkkamer van zijn vader, ontdaan van de stoflaag. Daar ligt de oproep voor de mobilisatie, het vervalste persoonsbewijs. ‘En hier, kijk eens’, hij vouwt een groen papiertje open: een telegram van prins Bernhard om Onno’s grootmoeder met de dood van haar man te condoleren.

De afgelopen jaren heeft hij zich omringd met de spullen die hem de weg hebben gewezen en die hem dierbaar zijn geworden: een ingelijste familiefoto van het gezin Blom, de memoires van zijn oma, in fijn handschrift op multomapblaadjes, de brieven van zijn overgrootvader.

‘In een van de brieven bracht opa Jan vreselijk nieuws: zijn beste vriend was opgepakt en hij was de Friese nacht in gevlucht. Hij kon zich voorstellen, schreef hij aan zijn vrouw, dat ze wilde dat hij ermee ophield. Maar daar kon geen sprake van zijn. Dat vind ik ontroerend, zijn familie was het belangrijkste wat hij had, maar hij bleef trouw aan zijn verzetsgroep.’

‘Die onverzettelijkheid tekende ook de rest van de familie, want die bleven tot het bittere einde toe trouw aan de NSB. Dat is voor mij zo’n fascinerend inzicht. Een paradox. Wat je prijst in de een, verketter je bij de ander. Ik maak me geen illusies. We worden allemaal meegesleurd door de geschiedenis, ik ook.’

Onno Blom, Oorlogsduif. Een familiekroniek. De Bezige Bij. 

Cv Hans Blom

4 januari 1943 Geboren in Leiden.

1961-1968 Studie geschiedenis in Leiden.

1970 Wetenschappelijk medewerker Universiteit van Amsterdam.

1975 Proefschrift over de muiterij op het oorlogsschip De Zeven Provinciën.

1979 Onderzoeker in de zaak van oorlogsmisdadiger Pieter Menten.

1983 Hoogleraar Nederlandse geschiedenis Universiteit van Amsterdam.

1996 Directeur van het Niod.

1996-2002 Leider Srebrenica-onderzoek.

2007 Afscheid Niod.

2010-2011 Cleveringaleerstoel in Leiden.

2010-2018 Bestuursvoorzitter Verzetsmuseum.

Hij is getrouwd en heeft twee zoons.

Cv Onno Blom

1 september 1969 Geboren in Leiderdorp.

1994 Afronding (cum laude) studie Nederlandse taal- en letterkunde en Culturele Studies in Amsterdam.

1995 Literair journalist bij Trouw.

2000 Hoofdredacteur van uitgeverij Prometheus.

2004 Adjunct-directeur van uitgeverij De Bezige Bij.

2010 Literair criticus bij de Volkskrant en Nieuwsweekend op NPO Radio 1.

2017 Proefschrift Het litteken van de dood, de biografie van Jan Wolkers.

2018 Wint de Nederlandse Biografieprijs.

2019 Biografie De Jonge Rembrandt, presentator van tv programma Het Raadsel Rembrandt.

2020 Boek De wondergrijsaard, over het late leven van Harry Mulisch.

Hij woont samen, heeft drie dochters en een zoon.

Fotografie

Foto’s Desiré van den Berg, assistent Dominik Wagner.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next