Ook na de verlaging van de middenhuren blijft verhuur een lucratieve bezigheid. Met het voorspelde aantal afhakende verhuurders zal het wel loslopen.
Minister De Jonge gaat spannende weken tegemoet. Zelfs als zijn wet om de huren in het middensegment te reguleren het deze week haalt in de Tweede Kamer, wordt de Eerste Kamer nog een behoorlijke hobbel. Voor- en tegenstanders zijn dit keer niet eens principieel verdeeld – wie wil er niet meer betaalbare huurwoningen? – maar verschillen wel hemelsbreed van mening over de te verwachten effecten van de wet. Dat maakt het een lastig debat, omdat niemand precies kan voorspellen hoe het gaat lopen.
Het verlagen van de middenhuren is een speerpunt in De Jonges offensief om meer grip te krijgen op de woningmarkt. In de Wet Betaalbare huur staat dat voortaan niet alleen een maximale huurprijs geldt voor sociale huurwoningen, maar dat ook de huurprijs in het middensegment aan banden wordt gelegd. Aan de hand van een puntenstelsel zou de maximale huur in het middensegment op maximaal 1.123 euro kunnen uitkomen. Gemeenten moeten er streng op gaan toezien dat verhuurders niet te veel vragen.
Dat streven verdient steun. Iedereen die zich de afgelopen jaren nog wel eens in dit deel van de huurmarkt heeft begeven, weet dat het de spuigaten uit loopt met de huren. In de grote steden zijn huurprijzen boven de 2.000 euro voor nog geen 40 vierkante meter niet ongebruikelijk. Dat heeft met redelijkheid helemaal niets meer te maken. Te veel huurwoningen zijn beleggingsobjecten geworden die slechts dienen ter vermeerdering van het kapitaal van de eigenaar.
Sinds De Jonge zijn wetsvoorstel presenteerde, gaat het vooral over de vraag of hij er wel mee bereikt wat hij voor ogen heeft. Niet alleen woningeigenaren, maar bijvoorbeeld ook enkele hoogleraren en de Raad van State waarschuwen voor een averechts effect: de wet kan in hun ogen wel leiden tot meer groei van het aantal woningen met een middenhuur, maar ook tot een krimp van de vrije huursector als geheel omdat eigenaren hun woning te koop zullen zetten zodra ze hun winstkansen kleiner zien worden.
Dat is geen flauwekul. Zeker op korte termijn is het effect ongewis en het fundamentele probleem van de huurmarkt (het tekort aan woningen) is pas opgelost als er meer is gebouwd. Aan de andere kant moet de overheid soms ook normeren: hoe willen we dat de zaken in Nederland geregeld zijn? Als we betaalbaar wonen als een grondrecht beschouwen, mag een overheid dat ook afdwingen. De grote institutionele verhuurders zullen zich er naar gaan gedragen en de particuliere verhuurders volgen vanzelf.
Bovendien zijn de scherpste kantjes van de wet er allang afgevijld, in reactie op alle kritiek. Er zijn uitzonderingen voor nieuwbouwwoningen gemaakt, om te voorkomen dat de bouw stokt. Ook is de maximaal toegestane jaarlijkse huurverhoging alweer wat verhoogd. Experts rekenen voor dat het te behalen rendement voor verhuurders ook ná de wetswijziging nog rond de 6 procent per jaar ligt. Daarmee blijft verhuur een zeer lucratieve investering, dus met dat aantal afhakers zal het wel loslopen. Dit is geen wet zonder nadelen, maar uiteindelijk geldt hier het voordeel van de twijfel.
In het Volkskrant Commentaar wordt het standpunt van de krant verwoord. Het komt tot stand na een discussie tussen de commentatoren en de hoofdredactie.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant