Jack Courant is 100 jaar. Hoe kijkt deze oudste huisarts van Nederland, die op zijn 18de een levensbepalend besluit nam, terug op de eeuw die achter hem ligt?
In de woonkamer van Jack Courant staat een leunstoel die duidelijk niet bedoeld is voor gasten. De zitting is bijzonder laag en bovendien bezet; er staat een ingelijste foto op van een Poolse herdershond, die een paar jaar geleden tot Courants grote verdriet overleed. De 100-jarige was 85 jaar toen hij Doebie als puppy kocht. De verkoper vertelde bezorgd ‘dat deze honden wel 15 jaar kunnen worden’, de hondenliefhebber voor hem schromelijk onderschattend.
Hoe zien uw dagen eruit?
‘Ik heb altijd veel gewandeld met de hond. Nu ga ik alleen, elke dag, met de rollator. Ik luister veel naar klassieke muziek, en ga elke week naar een concert in het Concertgebouw – dat doe ik al 75 jaar. Van de absolute schoonheid van klassieke muziek kan ik erg genieten. Met mijn wekelijkse concertbezoek ben ik begonnen na ‘terugkomst’ uit de oorlog – na al die jaren van leugens en ellende. Ik ging altijd met mijn vrouw, en nu met mijn vriendin Elly.’
Hoe waren die dagen na de bevrijding?
‘Geweldig, ik voelde mij eindelijk weer vrij en ontspannen. Het gevaar was geweken. Ik had bijna drie jaar ondergedoken gezeten. Ik ging terug naar Amsterdam en kon terecht bij een Joodse arts die ook de oorlog had overleefd, met zijn gezin. Zijn huis werd een soort centrum voor het kleine beetje dat Joods was en terugkeerde uit de kampen en de onderduik. Ik kon er met mijn moeder, die Auschwitz had overleefd, blijven logeren totdat we een woning kregen toegewezen. Later zou ik met een van zijn dochters trouwen.
‘Mijn jongere broer Wim was tijdens de dodenmars in het voorjaar van 1945 neergeknald, mijn vader was vermoord in Auschwitz. Mijn moeder heeft geluk gehad. Toen de Russen naderden, ontstond paniek in Auschwitz, de gevangenen moesten het kamp uit - en lopend naar Duitsland: de dodenmars. Op dat moment lag mijn moeder met roodvonk in de ziekenbarak en kon daar blijven. Ze is door de Russen bevrijd en naar Odessa gebracht. Vanuit daar heeft een zakenman haar en een paar anderen drie maanden later mee terug naar Nederland genomen. Toen ik mijn moeder in Groningen uit een vrachtwagen zag stappen, zag ik een klein, mager vrouwtje in een Russisch uniform.’
Deelden u en uw moeder elkaars oorlogservaringen?
‘We spraken er niet veel over, maar hebben het niet verzwegen. We hadden genoeg ellende meegemaakt en moesten ons leven hervatten. Mijn moeder ging werken en ik bereidde mij voor op mijn examen hbs-b, ging daarna medicijnen studeren en werd huisarts.
‘In mijn werk heb ik goed contact met mijn patiënten altijd als belangrijkste ervaren. Het belang daarvan ging ik pas goed begrijpen toen een patiënt met klachten kwam die ik niet begreep en niet kon oplossen, hij werd maar niet beter. Ik besloot hem ’s avonds uit te nodigen in mijn praktijk en liet hem uitgebreid zijn verhaal vertellen. In het gesprek kwam de oorzaak van zijn klachten aan het licht. De man was de chauffeur van een bekende Nederlander en durfde niet meer te rijden op dat niveau, hij kon het psychisch niet meer aan, zijn lichaam blokkeerde. Ik vroeg of hij een week mijn chauffeur wilde zijn. Dat ging goed, zijn blokkade verdween en hij kon weer aan het werk. Ik wist: ik ben op de juiste weg, het gaat om aandacht en vertrouwen. Ik ben minder snel recepten gaan uitschrijven en meer tijd gaan vrijmaken voor gesprekken met patiënten.’
Wat is een van uw dierbaarste jeugdherinneringen?
‘Mijn moeder die op het balkon staat van ons huis aan de Boterdiepstraat en roept: ‘Jongens, kom eens kijken!’, en mijn broertje Wim en mij trots haar pudding laat zien. Er is een foto van, die mijn vader zal hebben gemaakt – vastgelegd huiselijk geluk. Ik zal een jaar of 14 zijn geweest.
‘Ik ben opgegroeid in een warm gezin, met gevoel voor elkaar. Mijn moeder werkte in een diamantfabriek; de hele familie van mijn vader en hij zelf ook. Wie uit een arm Joods gezin kwam, probeerde in de diamantindustrie werk te vinden. Maar mijn vader was een goed pianist en waagde de stap naar het onzekere bestaan in de muziek. Dat is hem gelukt, met vallen en opstaan. Hij had een jazzorkest, maar kon niet goed met geld omgaan. Ik weet nog dat in een periode dat er geen rooie cent was, ik met mijn moeder stond te wachten bij een tramhalte. Ineens zagen we op de verlichte reclamezuil onze vader staan! ‘Waar haalt hij het geld vandaan?!’, riep mijn moeder boos. Zo probeerde hij natuurlijk geld te halen.
‘Als mijn ouders aan het werk waren, zorgde onze oma voor ons. Ik herinner mij dat de buurvrouw in plat Amsterdams tegen haar zei: ‘Ach Betje, je moet maar zo denken: elk mens heb zijn eigen gebrek.’ Die uitspraak heb ik mijn leven lang gebruikt, als grap.’
Wat is het beste besluit dat u ooit heeft genomen?
‘Nadat ik in juli 1942 een oproep had gekregen voor een werkkamp in Polen, besloot ik meteen: ik ga niet. ‘Ik laat mij niet als een mak schaap afmaken’, zei ik tegen mijn ouders, pakte mijn koffer, rukte de ster van mijn jas en vertrok. Ik was 18 jaar en had de moed. Ik besloot naar Bussum te gaan, naar de hoofdonderwijzer van de lagere school, meneer Dekker, met wie ik een goede band had. Die lieve man schrok zich een ongeluk, hij vond het veel te gevaarlijk mij in huis te nemen. Dat begreep ik wel. Ik mocht één nacht blijven. De volgende ochtend ben ik naar mijn beste vriend in Heemstede gegaan. Ook daar mocht ik maar één nacht logeren, in de bollenschuur. Ik was wanhopig en dacht: ik spring uit de trein. Maar ik besloot naar Amsterdam te gaan om afscheid te nemen van een rijke oom en tante, die naar Amerika zouden vertrekken. Daar vertelde ik dat ik geen onderduikadres kon vinden, waarop hun dienstmeisje Jo meteen zei: ‘Joh, dan ga je toch met mij mee!’ Ze woonde met haar man Gerrit in een klein huisje in Rotterdam, ik mocht op de grond slapen. Daar heb ik twee perioden ondergedoken gezeten, tussendoor heb ik met mijn vader in Groningen en Paterswolde gewoond, en later ben ik zonder hem ondergedoken in Veendam – al die tijd met een vervalst persoonsbewijs.’
Uw vader was als onderduiker vindingrijk met zijn vermomming en zogenaamde baan als journalist.
‘Schei toch uit, die vermomming is hem fataal geworden. Omdat hij bang was in Groningen, waar hij vaak had opgetreden, herkend te worden, droeg hij een snor, een donkere bril en een hoedje. Daardoor viel hij juist op. Hij ging geregeld op reis met zijn valse persoonsbewijs, ook naar mij in Rotterdam. Op het station in Amsterdam is hij er bij een controle door die viezeriken uitgepikt. Het ergste is dat ik blind was voor het gevaar dat hij liep. Ik had hem moeten waarschuwen dat hij met die vermomming de aandacht op zich vestigde.’
Is het mogelijk alle oorlogsleed dat u en uw familie is aangedaan te verwerken?
‘Dat kan ik niet zeggen. De laatste jaren ben ik vooral bezig met mijn broertje. Ik moet vaak denken aan de manier waarop hij godverdomme is afgeslacht tijdens de dodenmars – dat is niet te verwerken. Moet je je voorstellen hoe hij nauwelijks gekleed, in de bittere kou moest lopen, onder begeleiding van die schoften en werd neergeknald toen hij niet meer kon. Dat maakt mij woedend en verdrietig. Niet dat ik er elke dag mee bezig ben, ik kan ook heel vrolijk zijn. Je kunt er wanhopig van worden en toch verdergaan met je leven. Ik kan genieten van mijn kopje koffie en al het heerlijks wat ik beleef, van muziek, van uitgaan. Al met al is het mooi om te leven.
‘Het besef dat ik er wel goed vanaf gekomen ben, geeft een schuldgevoel. En ook een schuldbewustzijn, naar de man van het gezin waar ik het laatste deel van de oorlog kon onderduiken. Ik kreeg een relatie met zijn vrouw. Ze ging geraffineerd te werk. Ik had een scheur in mijn broek die ze wilde maken. Terwijl ik op de bank lag, heeft ze mij dubbel genaaid. Daarna vroeg ze mij verschillende keren naar een kamertje in huis te komen, waar ik met haar heb geslapen. Ik vond het niet prettig, maar kon niet weigeren. Dat het veel voor haar betekende, besefte ik toen we op de dag van de bevrijding voor het raam naar buiten stonden te kijken – en zij in tranen was.’
Niet u, maar deze vrouw had reden zich schuldig te voelen; in uw afhankelijke positie had u geen andere keuze dan toe te geven aan haar avances.
‘Daar ben ik het mee eens. Toch heb ik mij schuldig gevoeld tegenover haar man. Hij heeft zijn leven geriskeerd door mij in huis te nemen. Hij heeft mij hartelijk ontvangen, spelletjes met mij gespeeld, mij geleerd een borrel te drinken, een leraar voor mij in huis gehaald.’
Volgt u het nieuws over het geweld in Israël en Gaza?
‘Ja, en ik vind het menselijke leed dat wordt aangericht natuurlijk vreselijk. Geweld zal dit conflict niet oplossen. Het ziet er heel erg somber uit. Ik heb verdriet van de moordlust, de angst en de verwaarlozing. Ik heb alleen vertrouwen in de goedheid van de mens in een-op-een contact, zodra de groep groter wordt, kan het misgaan. Op kleine schaal is de mens een prachtig iets en kan het veel voor een ander doen. Dat heb ik zelf mogen ondervinden.’
geboren: 10 maart 1924 in Amsterdam
woont: zelfstandig, in Amsterdam
beroep: huisarts
familie: drie kinderen, vier kleinkinderen
weduwnaar: sinds 2009
Nieuw! Voor de Volkskrant interviewde Marjon Bolwijn al meer dan honderd 100-jarigen en voor deze podcast spreekt zij een aantal van hen opnieuw.
Video wordt geladen...
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant