Poppodia, theaterzalen en kunstinstellingen laten zich van hun beste kant zien. De Volkskrant liep ze allemaal af.
Een bel. Een zucht. Een doffe slag. Op de eerste avond van zijn ‘residentie’ op het driedaagse festival Motel Mozaïque speelt jazzdrummer Tom Skinner een fragiele show in de Arminiuskerk met daegeumspeler Hyelim Kim. Kim benut de grote Koreaanse fluit tot het uiterste, soms laat ze alleen haar zachte adem bijna geruisloos door de daegeum gaan, om op een ander moment schelle tonen of juist een serene melodie te voort te brengen. Hoe dan ook zijn de composities doelgericht spaarzaam, en houdt de kerk haar adem in.
Maar Motel Mozaïque blijft een festival en dus zijn er verstorende geluiden. Dit keer vooral van de bar die in het diepste van de kerk is opgezet. Die bescheidenste der festivalgeluiden werken wonderwel samen met het moois op het podium: een blikje dat sissend opent, de doffe klap van een sluitende koelkastdeur, de goedkeurende pinpiepjes.
Over de auteur
Els de Grefte is popredacteur van de Volkskrant.
Tom Skinner geeft elke dag van het Rotterdamse festival een andere show. Het boetiekfestival draait niet alleen om jazz, er is genoeg (eigenwijze) pop, folk, punk, hiphop en elektronische muziek te vinden. Voor ieder wat wils dus, maar vooral een grote snoepwinkel voor de avontuurlijke muziekliefhebber.
De festivallocaties zijn verspreid over de stad en daarmee dient Motel Mozaïque ook als een visitekaartje van cultureel Rotterdam: poppodia, theaterzalen en kunstinstellingen laten zich van hun beste kant zien.
Zo zie je op vrijdagavond in de Kunsthal de veelbelovende popact Luna Morgenstern. Zij is van de generatie die bijzonder goed met breakbeats overweg kan, zonder daarbij iets van haar vocale helderheid in te leveren. Het zit haar niet mee: in de te goed verlichte hal waar ze optreedt hangt een borrelsfeer, waar groepen vrienden nog eens de week met elkaar doornemen. Puur door haar onverstoorbare zelfvertrouwen weet ze steeds meer de aandacht op haar fijnzinnige elektropop te krijgen.
Als het optreden is afgelopen en je per ongeluk een verkeerde uitgang neemt, loop je zomaar tegen de illustraties van Mark Janssen aan. De weg naar de uitgang voert door het hele museum en langs alle tentoonstellingen: geen suppoost die je tegenhoudt. Nergens is verdwalen zo verrukkelijk en profijtelijk als op een goed festival.
Eenmaal buiten fietsen de ov-fietsers langs het glimmende Depot Boijmans Van Beuningen weer richting het centrum, waar ook naar hartelust rondgedoold kan worden. Zo kun je op zoek naar een optreden in Worm zomaar terechtkomen in een andere Worm-ruimte, waar kunstenaars Lieve Fikkers en Hélène Vrijdag werken aan hun ecofeministische weefwerken. Op het kleine podium, waar de bezoeker meteen ook op staat, werken de kunstenaars aan verschillende touwconstructies in houten lijsten. Tussen de garenklossen op de grond staat een koffiezetapparaat te pruttelen.
Een deur verderop is dan wel het alternatieve poppodium, waar dit weekend eigenwijze dansbaarheid centraal staat. Het hoogtepunt in Worm is de Vlaamse synthtovenaar Bolis Pupul, die alleen op het podium met zijn analoge synthesizers uit de jaren tachtig een speelse feestsfeer creëert waar niemand immuun voor is. Hij kan zichzelf minutenlang achter de knopjes verliezen in het knutselen van de meest levendige beats, maar ook als volleerd popster over het podium bewegen om Completely Half te zingen.
In poppodium Rotown, vanaf Worm via de skateboardende jongens op Westblaak langs Kabouter Buttplug de Nieuwe Binnenweg op, heerst de gitaar. Er staan ‘meer van hetzelfde maar toch leuk’-indiebandjes zoals New Dad en Mary In The Junkyard, maar ook bijvoorbeeld het bijzonder feestelijke CVC. Het publiek krijgt een onweerstaanbaar vrolijke kakofonie van funkrock met Spaanse en retro-invloeden voor de kiezen, terwijl de vrienden op het podium vooral lol trappen met elkaar. Dat komt de kwaliteit en vooral de beleving overigens alleen maar ten goede.
De opmerkelijkste locatie van het festival is zonder twijfel de bouwput waar Library Card op zaterdag speelt. Op de plek waar een kunstmatig surfbad wordt gebouwd, staat de Rotterdamse postpunkband onder een afdakje van zwart zeil. Het publiek draagt gele bouwhelmen, meer voor de gimmick dan het daadwerkelijke bouwrisico. De vunzig piepende gitaren en onderkoelde maar geagiteerde praatzang vindt een natuurlijk thuis op het natte beton.
Later op de avond is de heropleving van ravegeluiden ook op Motel Mozaïque onmiskenbaar aanwezig. Op vrijdag doen vooral de Zweedse tweelingbroers van Deki Alem het genre eer aan in de donkere schoenendoos van Perron. De duistere en bijtende combinatie van drum-’n-bass en rap valt hier buitengewoon goed.
In de grote zaal van het theater wordt een dag later het festival afgesloten door het Vlaamse duo Lander & Adriaan, die geïnspireerd door de energie van hun liveshows steeds meer keiharde rave uit hun drumstel en talloze synths knallen. Ondanks dat de muziek van de jazzmuzikanten niet altijd een makkelijk dansritme heeft, ontstaat er een vrije clubsfeer die deze theaterzaal waarschijnlijk nooit eerder gezien heeft. Kruisbestuiving tussen de kunsten: alweer een kenmerk van een goedgeslaagd festival.
Tom Skinner
Tom Skinner speelde elke dag een andere show op Motel Mozaique. Op donderdag in de Armeniuskerk met Hyelim Kim, op vrijdag met zijn jeugdvrienden Dave Okumu en Tom Herbert in Worm, niet geheel toevallig eveneens uitstekende muzikanten. De gitaargrooves van Okumu en de stabiele bas van Herbert leidden tot een lossere set, waarbij gerust gedanst en gejoeld kon worden. Op zaterdagmiddag klopte alles bij de Voices of Bishara-band: Skinner bedient met alle ledematen tegelijk een variatie aan bellen en drums.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant