Historicus Arjan Nuijten promoveert op de manier waarop het Nederlandse drugsbeleid in dertig jaar vorm kreeg. Ideologie, zo ontdekte hij, was daarbij minder belangrijk dan meebewegen en de schade beperken.
De Nederlandse coffeeshop met hasj en cannabis werd een internationaal symbool van de Nederlandse tolerante houding rond drugs. Maar klopt dit imago wel? Historicus Arjan Nuijten onderzocht via lokale archieven hoe Arnhem, Amsterdam en Heerlen hun drugsbeleid tussen de jaren zestig en 2001 vorm hebben gegeven. In zijn proefschrift Regulating Paradise – The Local Origins of Harm Reduction in the Netherlands, dat hij 23 april verdedigt aan de Universiteit van Amsterdam, laat hij zien dat het anders zit.
Over de auteur
Margriet Oostveen is wetenschapsredacteur van de Volkskrant. Ze schrijft over sociale wetenschappen, geschiedenis en maatschappij. Eerder trok ze tien jaar als columnist door Nederland.
Zelf ook drugs gebruikt?
‘Als student soms. Het verbaasde me als historicus dat de beleidskant van ons drugsbeleid nog nauwelijks onder de loep is genomen.’
Nederlands drugsbeleid was vaak helemaal geen kwestie van tolerantie of pragmatisch zijn, schrijft u. Maar van meebewegen en de schade proberen te beperken.
‘Topambtenaar Eddy Engelsman op het ministerie van Volksgezondheid stelde het eind jaren negentig internationaal voor alsof het Nederlandse drugsbeleid topdown, wars van ideologie, vanuit een neutrale positie en ‘evidence based’ was ontworpen. Maar als je goed kijkt in die steden, dan zie je dat de aanleiding juist vaak morele afkeuring was.’
Hoe?
‘Als er overlast op straat ontstond rond gebruikers, of dat nu van cannabis of heroïne was, dan probeerde de politie die eerst te bestrijden. Pas als dat niet lukte en burgers over de overlast bleven klagen ging de gemeente luisteren, zoals naar artsen of bonden van drugsgebruikers. En dan pas was de conclusie: misschien moeten we toch wat meer tolereren.’
Zo komen de methadonverstrekking en het openen van gebruikersruimten pas goed van de grond als de aidsepidemie begint.
‘Ja, de methadonverstrekking begint al eind jaren zeventig, maar wordt dan nog betwist. Pas als verslaafden met een migratieachtergrond door de stad zwerven en aids zijn intrede doet, ontstaat het besef dat mensen anderen kunnen besmetten: dat willen we indammen.’
We waren allesbehalve tolerant.
‘Tolerantie lijkt eerder een imago dat de politiek zichzelf eind jaren negentig heeft aangepraat.’
‘Nederland gidsland’. Hoe kwam dat zo?
‘Neem de methadonverstrekking. Dat wordt geïnstitutionaliseerd bij de GGD’s. En dan werkt het. En dan kunnen we het ook zo verkopen aan het buitenland: dit werkt, evidence based, beter dan een ‘war on drugs’. Daar zat ook wel wat borstklopperij bij.’
Het succes van de latere coffeeshops begint met een al bijna vergeten fenomeen: dat van jeugdcentra met eigen huisdealers.
‘Dat begint eind jaren zestig in Amsterdamse centra als Paradiso en Fantasio. De jeugd rookt cannabis en de gemeenteraad vindt dat problematisch, die wil voorkomen dat jongeren via dealers ook aan de heroïne gaan.
‘Dus de afspraak wordt dat jeugdcentra informele huisdealers aanwijzen. Die zorgen dat het bij cannabis blijft en krijgen een seintje als de politie langskomt. Er was toen al een deal met de politie.
‘Ik interviewde zo’n vaste huisdealer in Paradiso: Koert Lindijer. Hij vertelde dat hij als huisdealer niet bijzonder veel verdiende, maar wel genoeg om zijn eerste reizen naar Afrika te financieren. Later werd hij daar correspondent voor NRC Handelsblad.’
En wanneer er toch dealers met heroïne binnenkwamen?
‘Er zijn nogal wat verhalen dat men zo’n heroïnedealer er dan gezamenlijk uit schopte. Het fenomeen huisdealer werkte dus, en verspreidde zich in de jaren zeventig tot in Rotterdam, Groningen en Leeuwarden.
‘Veel jeugdcentra werden poppodia met huisdealers. De huisdealer in de Hippo in Leeuwarden werd zelfs officieel aangesteld, inclusief vrijbrief van het openbaar ministerie. Maar in Arnhem en Heerlen kwam de huisdealer dan weer helemaal niet voor. Daar reageerde de driehoek van burgemeester, politie en OM hard en was men allesbehalve tolerant.’
Hoe leidde de huisdealer tot coffeeshops?
‘Toen in de jaren zeventig de discussie rond de Opiumwet en het decriminaliseren van softdrugs begon, was de huisdealer een manier om dat vorm te geven. In de richtlijnen voor de uitvoering van de Opiumwet kwam te staan dat een huisdealer in jeugdcentra moest worden getolereerd als daar binnen de driehoek overeenstemming over was.
‘Daarvan maakten handige jongens gebruik die toen coffeeshops begonnen. Zij presenteerden die zaak als een ontmoetingsplaats met een huisdealer. Oprichter Henk de Vries van coffeeshopketen The Bulldog hield zelfs lang vol persoonlijk niets met de verkoop van softdrugs te maken te hebben: dat deed zijn huisdealer.’
Henk de Vries zou dankzij The Bulldog, geopend in 1975, in de Quote 500 van rijkste Nederlanders belanden met een geschat vermogen van 125 miljoen euro. Toen deze richtlijnen van het OM in de jaren tachtig eenmaal openbaar werden, leidde dat tot een forse stijging van het aantal coffeeshops.
U noemt dit ‘een onverwacht resultaat in plaats van een gewenste uitkomst’. Alsof het beleid hier met de makers op de loop ging.
‘Het Nederlandse drugsbeleid blijft een kwestie van bijschaven en steeds opnieuw beter afstemmen. Dat vergeten we weleens.’
In het licht van de huidige rol van Nederland in de internationale cocaïnehandel bleek de vermeende tolerantie ook nauwelijks houdbaar.
‘We hadden hier lichte straffen. Maar die zijn in dertig jaar enorm verhoogd, ook om ons in lijn te brengen met de rest van Europa.’
Zijn coffeeshops ook het resultaat van onze intolerantie voor harddrugsverslaafden?
‘Daar komt het uiteindelijk wel op neer.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant