Schoolkrijt, munten, katjes, griotten en kokindjes. Honderd procent Nederlands erfgoed, zou je zeggen. Niet dus, ontdekte cultuur- en wetenschapshistoricus Marieke Hendriksen, die de geschiedenis van drop in Nederland beschrijft in Het grote dropboek.
Drop maken is eenvoudig, als je 17de-eeuwse recepten moet geloven. Alles wat je nodig hebt is zoethoutwortel, gember, anijsolie en ‘een weinig opium’. Maak een aftrekseltje van het zoethout, kook dat in tot het dik wordt, kneed het door elkaar met de overige ingrediënten en draai er ‘koekjes’ van ‘welke men tegen scherpe longvogten en hoesten kan gebruiken’.
In de praktijk blijkt het toch wat lastiger, schrijft cultuur- en wetenschapshistoricus Marieke Hendriksen in Het grote dropboek, dat onlangs verscheen. Tijdens haar onderzoek probeerde Hendriksen, verbonden aan het NL-Lab, een onderzoeksgroep van het Humanities Cluster van de KNAW, een recept te maken uit een apothekershandboek uit 1698.
Na een paar uur pruttelen, het bijmengen van de andere ingrediënten (minus opium, dat stuitte op wetten en praktische bezwaren) en nog eens een paar uur indampen in de oven had ze een stapel brosse pastilles. Onooglijke zwarte brokjes, maar wel met een intense smaak, schrijft ze.
Over de auteur
Ernst Arbouw is schrijver en wetenschapsjournalist en schrijft voor de Volkskrant over uiteenlopende onderwerpen.
Hendriksen volgt in haar boek hoe drop in de loop van de geschiedenis veranderde van medisch product tot snoep en in Nederland uiteindelijk zelfs nationaal erfgoed. Nederlanders eten gemiddeld twee kilo drop per persoon per jaar, en zijn daarmee met gemak de grootse dropeters ter wereld. Toch lijkt drop als typisch Nederlands product een recent verzinsel.
Even vanaf het begin: u bent als historicus gespecialiseerd in cultuur- en wetenschapsgeschiedenis, en dan vooral in de vroegmoderne tijd. Hoe komt u op ‘drop’ als onderwerp?
‘Drop stond op mijn radar vanaf het moment dat ik bij het NL-Lab kwam. We doen breed onderzoek naar Nederlandse cultuur en identiteit, en daar hoort bijvoorbeeld ook bij hoe zoiets als drop, of kaas, verbonden is met de cultuur. Ik wist vanuit de medische geschiedenis dat zoethoutbereiding in de Nederlanden veel voorkwam, maar dat gebeurde óók in de omringende landen. Dus dan is de vraag: op welk moment zijn we drop gaan zien als typisch Nederlands product?’
U ontdekte dat één man verantwoordelijk is voor het idee dat drop een Nederlands product is.
‘Mijn intuïtie zei dat de associatie tussen Nederland en drop uit de 19de eeuw stamt, de periode van de vorming van de natiestaat, maar het idee is veel recenter. Nederlandse dropfabrikanten hadden zich na de Tweede Wereldoorlog verenigd in het Centraal Instituut voor de Dropverwerkende Industrie, dat onderzoek deed naar kwaliteit van grondstoffen en mogelijke medische toepassingen van drop.
‘Midden jaren zestig begon een chemicus van dat instituut interviews te geven waarin hij verklaarde dat drop goed was voor de gezondheid, goed paste bij het Nederlandse klimaat en dat het ‘een typisch Nederlands product’ was.’
Voedsel, traditie en identiteit hangen vaak nauw met elkaar samen. Dat kan op nationale schaal – denk aan thee in Groot-Brittannië – maar het kan ook regionaal, zoals bij Limburgs zoervleisj of de Groninger eierbal. Vaak is het een verband dat in de loop der jaren is gegroeid, maar in andere gevallen gaat het om moderne inventies, een proces dat Hendriksen ‘vererfgoedisering’ noemt.
De nationale toe-eigening van drop is een schoolvoorbeeld van dergelijke vererfgoedisering, legt zij uit. In Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en de Scandinavische landen wordt net zo goed drop gegeten, maar het idee dat het een typisch Nederlands product is, is vanaf de publicaties in de jaren zestig een eigen leven gaan leiden.
Tegelijk is het verband tussen drop en Nederland voor vrij veel Nederlanders behoorlijk reëel.
‘Nederlanders zijn wereldwijd de grootste dropconsumenten. Die twee kilo per persoon per jaar is nogal absurde hoeveelheid als je het mij vraagt. Het zou best kunnen dat het idee van drop als ‘typisch Nederlands product’ een zelfversterkend effect heeft. We waren toch al niet vies van drop, en als je dan leest dat het óók nog eens een echt Nederlandse gewoonte is...’
Veel Nederlanders zien drop inmiddels als nationaal erfgoed, maar hoe kijken mensen in omliggende landen daar eigenlijk tegenaan?
‘Ik heb een kleine internationale online poll gedaan – absoluut niet representatief, zeg ik er voor de zekerheid bij. Als je vraagt welke landen mensen associëren met drop, dan krijg je als antwoord vooral Nederland, maar ook Scandinavische landen en tot op zekere hoogte Duitsland en Groot-Brittannië. Iemand noemde spontaan dat bij het plaatsje Pontrefact in Yorkshire van oudsher zoethout wordt gekweekt.’
Als het gaat om erfgoed en traditie is het interessant dat de merknamen van Nederlandse dropfabrikanten die u beschrijft al bijna honderd jaar onveranderd zijn.
‘Ja. Bedrijven als Klene en Venco zijn voorbeelden van merknamen met een lange geschiedenis, ondanks fusies en internationale overnames. Interessant genoeg zie je dat die lange geschiedenis gefolkloriseerd wordt. Klene presenteerde zich in reclames met de zogenaamde kleinzoon van de oprichter. Opmerkelijk, want het is allang geen familiebedrijf meer en als je de jaartallen ernaast legt, dan klopt het sowieso niet. Iets langer geleden adverteerde Venco voor ‘drop zoals drop hoort te smaken’, met een verwijzing naar het verleden.’
Hoewel drop tegenwoordig in de allereerste plaats snoepgoed is, zijn er nog steeds sporen van de medische oorsprong van zoethoutbereiding. Keelpastilles die zich in hun slogans richten op ‘zangers en rokers’ en apotheken waar nog altijd drop op de toonbank staat.
Hendriksen schrijft in haar boek dat tijdens en kort na de Tweede Wereldoorlog in Nederland onderzoek werd gedaan naar het effect van zoethout op maagzweren. Niet eens een heel gek idee. Maagzweren worden veroorzaakt door een bacterie (Helicobacter Pylori) en zoethout heeft een bescheiden, maar bewezen antibacteriële werking.
U beschrijft hoe u met een 17de-eeuws apothekershandboek probeert drop te maken in eigen keuken. Niet het soort werk waaraan je denkt bij historisch onderzoek.
‘Het is in de eerste plaats een vorm van bronneninterpretatie. Wat staat er? Wat bedoelen ze daarmee? Als je het dan zelf gaat doen, blijkt het best ingewikkeld.’
Want?
‘Zoethoutpasta en Arabische gom worden al snel een plakkerige boel, zelfs als je nauwkeurig doet wat in het recept staat. Kennelijk zijn er toch trucjes, dingen die niet in een recept staan, waarschijnlijk omdat de mensen die de recepten gebruikten en schreven dat destijds wisten – zogeheten ‘belichaamde kennis’.
Los van die vaagheid: bij sommige recepten zijn er ook praktische problemen te overwinnen. U noemt een bereidingswijze die vraagt om ‘een weinig opium’.
‘Dat ik heb ik maar niet geprobeerd, maar ik kan me voorstellen dat het enorm goed hielp tegen hardnekkig vastzittende hoest.’
Uiteindelijk bent u met een oud recept naar een dropfabriek gegaan.
‘Dan merk je dus wat ‘belichaamde kennis’ betekent. Ik stond in het lab met een voedseltechnoloog, iemand die alles weet van de bereiding van drop. Hij keek naar het recept en wist met een paar minieme aanpassingen – een beetje melasse in plaats van suiker bijvoorbeeld – echt geweldig lekkere dropjes te maken.’
Wat was er zo lekker aan?
‘Het recept had een erg hoog percentage Arabische gom. Dat zorgt voor dropjes die smelten in je mond, als chocolade. Moderne supermarktdrop bevat vaak gelatine of zetmeel als vervanging voor gom, dan mis je dat.’
Tot slot: kunt u na vijf jaar cultuur- en wetenschapshistorisch onderzoek over drop nog onbekommerd een zak kokindjes leegeten?
‘Nee sorry, ik ben bang dat ik een enorme dropsnob ben geworden. Ik eet eigenlijk het liefst delicatessedrop van kleine fabrikanten. Maar als je drop van de supermarkt haalt, dan zijn kokindjes geen slechte keuze. In de meeste drop zit 1 tot 2 procent zoethoutextract, bij kokindjes is dat meer dan 8 procent. Dat verschil proef je.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant