Kamer en kabinet zeuren te veel over de Belastingdienst. Alleen zij zelf kunnen ervoor zorgen dat de belastingheffing weer op orde komt.
Een zuchtend Tweede Kamerlid is geen zeldzaam verschijnsel, zeker niet in debatten over de onvoorziene gevolgen van wetten die ooit veelbelovend leken. Zuchtende Kamerleden in debatten over toekomstige wetten zijn daarentegen zo zeldzaam dat ze dienen als de kanarie in de kolenmijn: er is iets helemaal mis aan het gaan.
Het gebeurde deze week in de beraadslagingen over de pogingen om in Nederland fatsoenlijk belasting te heffen op vermogen. Aan goede wil ontbreekt het niet. Alle fracties zijn het erover eens dat de winst uit vermogen – of het nou om spaargeld, beleggingen of onroerend goed gaat – een belangrijke bron van inkomsten dient te zijn voor de belastingdienst. Dat besef heeft zelfs veel aan kracht gewonnen nu de politieke strijd om ‘bestaanszekerheid’ zo enthousiast wordt gevoerd: wie de belasting op arbeid (‘de hardwerkende Nederlander') wil verlagen, zal het geld elders moet halen.
Nu de ‘grote internationale bedrijven’ de dominante partijen hebben weten te overtuigen dat er ten onrechte hun kant wordt opgekeken, resteren de vermogenswinsten. En waarom ook niet. Vermogen heeft de neiging haast vanzelf te groeien en draagt daarmee in hoge mate bij aan de welvaartskloof die het humeur van het land nogal beïnvloedt. Het Sociaal en Cultureel Planbureau stelde het vorig jaar nog vast: de tegenstelling arm-rijk wordt ervaren als de sterkste bron van sociaal conflict.
Jammer alleen dat het niet wil lukken. Sinds de Hoge Raad in 2021 de toenmalige vermogensbelasting van tafel veegde omdat die voor ‘voorzichtige spaarders’ te hoog uitpakte, zoekt het kabinet naar manieren om het wel goed te doen. De uitdaging is om de werkelijke opbrengsten uit vermogen te belasten, zoals in heel veel andere landen gewoon gebeurt. Maatwerk dus, maar zoals bekend zorgt dat weer voor een ander probleem: de Belastingdienst die het niet aan kan. De dienst denkt zeker 600 tot 850 nieuwe medewerkers nodig te hebben om het goed te kunnen doen. Die zijn er niet. De streefdatum van 2025 is allang uit zicht, inmiddels durft staatssecretaris Van Rij ook niet meer te beloven dat het in 2027 lukt.
Dat is de prijs die kabinet en Kamer betalen voor jarenlang achterstallig onderhoud aan het belastingstelsel. Bij de Belastingdienst werken nog altijd 25 duizend mensen, maar daarvan zijn er een heleboel bezig met de uitvoering van het veel te complex geworden regelwerk, met al z’n aftrekposten en heffingskortingen. Om over de toeslagen nog maar niet te spreken.
Er is geen partij in de Kamer meer te vinden die denkt dat het zo door kan gaan. Helaas zijn er slechts enkele (ChristenUnie, D66 en Volt) die ook een serieuze poging hebben gedaan om een samenhangend nieuw stelsel te ontwerpen, al moet gezegd dat Pieter Omtzigts NSC er ook een prioriteit van zegt te willen maken.
Misschien biedt dat kansen. Elf jaar geleden alweer presenteerde een zware commissie van economen en ambtenaren een baanbrekend en hoogst aantrekkelijk voorstel voor een nieuw, veel simpeler stelsel. Vol met praktische ideeën die zo kunnen worden uitgevoerd.
Eén van de commissieleden zal toch wel beschikbaar zijn voor Omtzigts programkabinet?
In het Volkskrant Commentaar wordt het standpunt van de krant verwoord. Het komt tot stand na een discussie tussen de commentatoren en de hoofdredactie.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant