Sinds haar jeugd legt journalist Angela Wals al haar esthetische keuzes langs een meetlat van goede smaak. Kan dit wel, of is het ordinair? Nu juist de stijlkeuzes die ze altijd heeft vermeden bij ‘de elite’ opduiken, vraagt ze zich af: wie bepaalt wat ordinair is?
Kan dit wel? Dit keer drong de vraag zich op bij twee Swarovski-steentjes: gepolijste stukjes kristal die de glans van een echte diamant imiteren. Een vrouw luisterend naar de naam Star had ze met beugellijm op mijn hoektand en de tand ernaast geplakt. Op de terugweg van deze schoonheidsbehandeling gleed ik verrukt met mijn tong langs het glimmende reliëf.
Zoals bij alle esthetische keuzes in mijn leven was dit er een van het hart en het hoofd. Het hart is eenduidig: dit vind ik mooi, dit past bij mij. Was het hoofd net zo simpel, dan was dit artikel bij dezen beëindigd.
Over de auteur
Angela Wals is historicus en journalist en schrijft voor de Volkskrant over cultuur en maatschappij.
Nee, in dat hoofd probeer ik de blik van buiten te incorporeren, poog ik te zien hoe anderen mij zien en leg ik alle voorkeuren – zoals nepdiamantjes op tanden – langs een meetlat van goede smaak. Is het ordinair? Die vraag sluimert onder alles waarmee ik mezelf in mijn volwassen leven heb behangen. Bang om een uithangbord te zijn voor mijn sociale klasse. Die van ‘hardwerkende doeners’ zou mijn moeder zeggen. Ik zou dikke schijt (vulgair taalgebruik?) kunnen hebben aan hoe ik overkom, maar ja, dat heb ik niet.
Dus wát schetst de laatste tijd mijn verbazing als ik om me heen kijk: overal zie ik de flamboyante en aanwezige stijlkeuzes die ik altijd zorgvuldig heb gecureerd of voor de zekerheid juist heb geëlimineerd.
Het komt misschien omdat de Volkskrant twee jaar geleden Y2K (Year 2000) aankondigde als de modestijl die ‘zo ordi is dat het ook wel iets heeft’. De naveltruitjes, bubblegumkleuren en strasletters op een in velours gestoken kont uit de vroege zero’s zouden een revival doormaken bij een nieuwe generatie. Supermodel Bella Hadid – die haar strings tot haar middel optrekt, en haar naveltruitjes tot haar kin draagt – is een van de boegbeelden.
Ik zie ze nog zitten op het bakstenen muurtje van de aula van mijn middelbare school in Purmerend: een rijtje extreem lage heupbroeken met daarboven een uitstekende string (whale tail) en tribal tatoeage (aarsgewei of tramp stamp), scherp in de gaten gehouden door een zwerm puberale boys die hun kans afwachtten een ruk aan die strings te geven en de boel te ‘flossen’.
Mogelijk is er ook iets doorgesijpeld van de mob wife-trend – de zoveelste aesthetic die begin dit jaar op TikTok opdook en zich vertaalde in uitbundige kledingkeuzes van artiesten bij de Grammy’s. Het kan weer luidruchtig en ordinair, schreef onze moderedacteur. ‘Alles wat blinkt, glimt en een luipaard- of slangenprint heeft mag weer uit de kast, evenals bontjassen, lange, zorgvuldig gemanicuurde nagels, big hair en veel make-up.’ De maffiavrouwen uit The Sopranos dienen als referentiekader. Het was ook de smaak van mijn iconische Amsterdamse oudtante aan wie alles glom, van huid tot haar. De look wordt door het internet geanalyseerd als een tegenreactie op die andere trend: quiet luxury, ingetogen, maar wel heel duur.
En wie had kunnen bevroeden dat de nepnagel, aanplakwimper en vet getekende wenkbrauw – dankzij én ondanks de Kardashians – zo ingeburgerd zouden raken? ‘Het versieren van de nagels met steentjes of tekeningen is een trend in grote steden’, schreef de Volkskrant onlangs hierover. En verdomd als het niet waar is: ze duiken nu ook in ónze kantoortuin op.
De mannen dan? Eén woord: schakelketting. Joost Klein, die heel Europa heeft laten kennismaken met het matje, de Aussie en de schakelketting, mag daarbij niet ongenoemd blijven. Zijn look was sinds de jaren negentig alleen te vinden op feestkledingwebsites.
Dat is natuurlijk hoe de cyclus van mode werkt: wat tien jaar geleden nog lelijk werd gevonden, is nu moker lit. Maar het opduiken van ‘ordinair’ in modetrends is voor mij nogal verwarrend. Want als de elite wier goedkeuring ik hoopte weg te dragen zich zonder consequenties de ordinaire dingen kan aanmeten die ik angstvallig heb geprobeerd te vermijden, waar ben ik in al die jaren dan in godsnaam zo druk mee geweest? Bestaat ordinair wel? En: wie bepaalt wat het is?
Het Latijnse ordo, waarvan ordinair is afgeleid, betekent: rij, regelmaat, volgorde. De oudste Nederlandse betekenis van ordinair is: volgens de regel, wettig. Zo noemde men de dokter in tegenstelling tot de kwakzalver een ordinaire geneesheer. De betekenis schoof op van wettig naar gewoon, alledaags. Zo wordt het nu nog gebruikt: ‘Ik dacht dat ik doodging, maar het bleek een ordinaire buikgriep.’ Toch heeft het woord vandaag de dag vooral een negatieve connotatie: gebrek aan smaak en beschaving.
Het synoniem vulgair maakte een vergelijkbare etymologische ontwikkeling door. Het Latijnse woord vulgus betekent het gewone volk of de massa. Nu: plat, pauper, goedkoop, nep, weinig verfijnd, volks en excessief. Het is opvallend dat neutrale woorden die juist werden gebruikt om het meest voorkomende en de meeste mensen aan te duiden een belediging zijn geworden. Er schemert iets door van de klassenmaatschappij waarin ze zijn gevormd.
‘Smaak is in de eerste plaats afkeer, walging en viscerale intolerantie voor de smaak van anderen’, schreef de Franse socioloog Pierre Bourdieu. In Distinction, zijn klassieke onderzoek uit 1979 naar de smaak van Parijse intellectuelen (waaruit hij zelf niet voortkwam), betoogde Bourdieu dat smaak voortdurend wordt beïnvloed door sociale interacties en machtsstructuren. Slechte smaak bestaat niet, stelde hij, het is een uitsluitend label dat hogere klassen gebruiken om hun eigen culturele kapitaal te bevestigen en zichzelf te onderscheiden van de rest.
‘Ordinair is altijd een waardeoordeel, je gaat het natuurlijk niet over jezelf zeggen’, zegt ook Irene Stengs, onderzoeker bij het Meertens Instituut en bijzonder hoogleraar antropologie van ritueel en populaire cultuur aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Stengs is geïnteresseerd in alles dat samenhangt met ‘gewoonheid’ en ook hoe dat politiek wordt ingezet. Neem Henk en Ingrid van Geert Wilders. Of de manier waarop Caroline van der Plas zichzelf voor de gewone burger positioneert. ‘Wat als ordinair wordt gezien, of juist normaal, ligt aan de context waarin je je bevindt en de groep mensen waarvan je je wilt onderscheiden,’ aldus Stengs.
Ordinair bestaat dus eigenlijk niet, in elk geval niet als objectief gegeven, maar iedereen heeft er wel een idee bij – en een bijbehorend waardeoordeel. Ik vroeg aan een aantal mensen uit mijn directe omgeving – die is tegenwoordig wit, hoogopgeleid, Randstedelijk, links, met veel cultureel kapitaal – vrij te associëren op het woord ordinair. Een greep uit de reacties: panterprints, leggings, jeggings, nepnagels, tatoeages, voetbalshirts, nepwimpers, netpanty’s, vechtsport, pancake op het gezicht, tongpiercings, grote oorringen, geen boekenkast in huis, skinny jeans bij mannen, in de voortuin zitten (en bier drinken), spugen op straat, het woord ‘geil’, het woord ‘tongen’, grapjes over of referenties aan seks, (nep)goud, gouden kettingen, navelpiercings, naveltruitjes, lakleer, synthetische stoffen, kinderen met gel in hun haar, babymeisjes met sieraden of ingewikkeld haar, strings, coupe soleil, badslippers, trainingspakken, kleding met teksten of merknamen, plat praten, doei zeggen in plaats van dag, hard telefoneren, commerciële televisie, heel bruin zijn, gourmetten, barbecueën, eten voor de tv, McDonald’s, pizza hawaï, Spanjevakanties, kermis en campings.
Ik moet denken aan meneer en mevrouw Wurmhout, de ouders van Matilda in Roald Dahls gelijknamige boek (1988). Moeder is een platinageblondeerde vrouw met uitgroei en zware make-up die niet kookt en alleen maar geïnteresseerd is in bingo. Vader draagt een lelijk pak en een opzichtige stropdas en is een oplichter. Ze hebben geen oog voor hun geniale dochter, wel voor de tv die altijd aanstaat. Op weinig subtiele wijze wordt duidelijk gemaakt hoe slecht de smaak is van deze kleinburgerlijke wannabe’s. In dit verder briljante en betoverende boek zitten een hoop vooroordelen van Dahl over de lagere middenklasse verweven. Je reinste klassisme, zeggen sommige lezingen.
De helft van bovenstaande lijst kwam trouwens voor in mijn jeugd: dorps, praktisch opgeleide ouders, weinig cultureel kapitaal – ordinair in de etymologische zin van het woord. Het idee van ordinair waarmee ík ben opgegroeid trapte naar boven en richtte zich op de smaak van de nouveau riche – Porsches, botox, te grote huizen en haarimplantaten. Én trapte naar beneden, want ordinair overlapte met ‘asociaal’. Daarmee werd letterlijk ‘niet sociaal’ bedoeld, het gedrag van mensen die geen rekening hielden met hun omgeving door bijvoorbeeld hun zooi niet op te ruimen.
Mijn opa en oma hadden het niet breed. In de moestuin – nu Instagram-esthetiek – moest mijn vader als kind onkruid wieden, anders was er veel minder te eten. Goede smaak was de moeite die je deed om de boel netjes te houden. Mijn oma, met een voorliefde voor rinkelende gouden armbanden en porseleinen beeldjes, was altijd alles aan het glimmend wrijven en schoonmaken. Als het maar ‘proper’ was. Een bril van het ziekenfonds en in een tweedehands pak naar de kerk, maar wel gestreken en zonder vetvlekken.
Ik ben niet de enige sociale stijger die de voorkeuren van hoger op de ladder altijd nauwlettend in de gaten hield. De Engelse schrijver en cultuurcriticus Nathalie Olah (35) komt uit een arbeidersgezin uit Birmingham en is daardoor van jongs af aan beïnvloed door ideeën over smaak. Haar vader migreerde uit Hongarije en haar opa is een Roma, vertelt ze in een videogesprek. ‘Roma’s worden binnen de Britse context vaak gekarakteriseerd als een groep mensen zonder smaak, zoals alle van oorsprong reizende gemeenschappen vaak smakeloos worden gevonden.’
In haar vorig jaar verschenen boek, Bad taste: or the politics of ugliness (met een luipaardprint als cover), beschrijft Olah dat ze snel doorkreeg dat haar financiële zekerheid afhing van de vraag of ze het gedrag en de voorkeuren van de machtigen kon evenaren: leraren, toelatingspersoneel van universiteiten, rekruteerders, werkgevers en verhuurmakelaars. ‘Ik heb vrienden die waarschijnlijk harder hebben gewerkt dan ik en slimmer waren dan ik, maar moeilijker op bepaalde plekken kwamen, omdat ze minder goed wisten hoe ze de culturele trends en tendensen moesten lezen’, zegt Olah. ‘Als er over sociale mobiliteit wordt gepraat – werk hard, krijg een goede baan en je bent succesvol – wordt vaak voorbijgegaan aan dit illusoire idee van ‘goede smaak’. Daarom wilde ik dit boek schrijven.’
Goede smaak kun je bereiken door een goed uitgeruste consument te worden. ‘Door met de juiste mensen om te gaan, de juiste tijdschriften te lezen en jezelf bloot te stellen aan de juiste culturele stromingen’, schrijft Olah. Wie succesvol de esthetische codes van de machthebbers weet te kraken, heeft smaak, en dus klasse. Heb je het niet, dan is dat het resultaat van persoonlijk en moreel falen.
Dat geldt vandaag meer dan ooit, zegt Olah, want ‘onze generatie is ongezond geobsedeerd met esthetiek en voorkomen’. Een van de oorzaken is dat veel onbetaalbaar is geworden voor jongere generaties. Mede door de huizenmarkt wordt de vermogenskloof groter. ‘Je kunt netjes de professionele ladder hebben beklommen, bijvoorbeeld advocaat zijn, en toch geen huis kunnen kopen. Bij gebrek aan echt kapitaal leunen jongere generaties op cultureel kapitaal om status en een gevoel van eigenwaarde te verschaffen.’ Smaak is alles wat ze hebben, tenminste tot de erfenis doorkomt. Deze statusangst wordt versterkt doordat we via schermen de hele dag worden gebombardeerd met visuele informatie.
Ik realiseerde het me nooit, maar het ontcijferen van de voorkeuren van de dominante cultuur van de meest invloedrijken – ‘de beheerders van geld en kansen’ – waarover Olah het heeft, is precies waarmee ik altijd bezig ben geweest. Veel transklassers – zeker degenen met een migratieachtergrond – herkennen deze neiging om te codeswitchen: het manipuleren van je imago en stijl, bepaalde manieren perfectioneren en je accent veranderen.
Smaak is macht. En om als elite het onderscheid te kunnen blijven bevestigen wordt goede smaak steeds diffuser en meer niche, tot een punt waarop het voor de aspirerende klasse nauwelijks nog met het blote oog is te zien. Neem het witte T-shirt, dat een enorme status in onze maatschappij heeft verworven. Het lijkt een neutraal product: elke rang en stand kan een wit T-shirt betalen. Maar alleen de mensen die ‘in the know’ zijn zoals Olah dat noemt, weten wat het juiste witte T-shirt is, van het juiste materiaal, de juiste tint wit.
Irene Stengs noemt deze kennis ‘vanafgewetendheid’. Tatoeages zijn een goed voorbeeld, ooit ordinair en nu heeft iedereen ze. ‘En toch is het onderscheid zichtbaar voor de connaisseurs.’ De mensen die er iets vanaf weten, weten: die geometrische tatoeage aan de binnenkant van je arm getuigt van goede smaak, en dat Chinese teken op je schouderblad is plat en niet authentiek. Bij wijze van spreken dan hè, want ik kan het niet goed genoeg benadrukken: ordinair ligt besloten in the eye of the beholder.
Wie ‘in the know’ is, bezit ook de speelruimte om een ordinair element te pakken en tot kitsch te verheffen. Stengs: ‘Toen ik studeerde had ik een koekoeksklok in mijn kamer, dat was natuurlijk een grap, want zo’n klok was enorm burgerlijk. Ik speelde met een element dat in andere interieurs mooi werd gevonden.’ Ze schreef ook een boek over hoe André Hazes in status verschoof van ‘volks’ naar ‘van het hele volk’ toen hij na zijn dood een fenomeen werd en klassenbreed bon ton werd gevonden.
Net als mensen kunnen dus ook voorwerpen, sieraden, interieur en kleding door rangen en standen reizen. Dat klinkt heel klassenoverstijgend en potentieel emanciperend, maar dat is het niet. Niet als iets wordt geridiculiseerd dat door andere mensen normaal wordt gevonden. Deze verplaatsing van ordinair naar kitsch, zoals een mob wife bij de Grammy's, of een aristocraat die in trainingspak gaat lopen, gebeurt namelijk heel bewust. Het ordinaire element getuigt juist van goede smaak, want je hebt het zorgvuldig geselecteerd en gecombineerd met andere ingewijde esthetiek. Ook al is het panterprintje nu in alle vier de hoeken van de smaakmatrix te vinden – van high brow naar low brow, van vreselijk naar briljant – het onderliggende klassisme is daarmee niet ineens verdwenen. De hogere klasse houdt uitsluiting juist in stand, want zij bepaalt wat ordinair is, en wat niet.
Ook très ordinaire: werkkleding. Ik zie mensen die nog nooit een waterpomptang hebben vastgehouden, nu exact dezelfde blauwe overall dragen die mijn vader droeg om auto’s te repareren zodat-ie genoeg geld kon verdienen om in het weekend een Hugo Boss-pak aan te kunnen trekken. Het ‘work jacket’ van het Franse merk Le Laboureur in de kleur ‘Bugatti blue’ kost 120 euro en heeft vier zakken die handig zijn voor ‘je portemonnee, zakdoek, zakmes of snoeischaar’. Superhandig, inderdaad.
Mijn Swarovski-steentjes zijn natuurlijk ook camp. Daar heb ik over nagedacht: ze zijn niet te groot, niet te veel en netjes gecombineerd met de quiet luxury van bandplooibroeken en overhemden. Tegelijkertijd afwijkend genoeg om er een vleiend verhaal mee te kunnen vertellen over waar ik vandaan kom en hoezeer ik dan wel niet ben opgeklommen.
Ik zou graag willen dat smaak iets leuk en luchtigs is, een democratische spielerei met stijlen, waarbij er helemaal niets op het spel staat. Maar zo heb ik het nooit ervaren en de realiteit is ook weerbarstiger dan dat.
Als ik schrijf dat ik met enige verbazing naar deze bewust ingezette kitsch kijk, bedoel ik eigenlijk dat ik jaloers ben op de zorgeloosheid waarmee sommige mensen dit kunnen doen. Of zoals een vriendin – ook een dochter van een automonteur – het formuleerde: ‘Niet iedereen kan het zich veroorloven eruit te zien alsof ze door de gevonden voorwerpen van een camping zijn gerold.’ Doelend op de hobo-chique stijl van menig Randstedelijke millennial.
Of zoals Nathalie Olah het formuleert: ‘Ik zou nergens zijn geweest als ik me had gedragen als Boris Johnson, continu iedereen zou beledigen en mijn haar nooit zou wassen. Dan was ik niet op Oxford toegelaten, en had ik mijn eerste baan niet gekregen. Degenen met geld hoeven zich geen zorgen te maken over cultureel kapitaal, zij hebben kapitaal. Ze kunnen doen wat ze willen.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant