Home

Dat het enige Israëlische slachtoffer van de Iraanse vergeldingsactie een 7-jarig bedoeïenmeisje is, is volgens haar familie geen toeval

Afgelopen week viel bij de vergeldingsactie van Iran op Israël één zwaargewonde: Amina el-Hassouni, een 7-jarige Israëlische be­doeïen. Maar ‘tragisch ongeluk met meisje, artsen vechten voor haar leven’, is niet het hele verhaal. Want waarom was er net boven haar bedoeïenendorp geen luchtafweer?

Een gat van 15 bij 25 centimeter aan de rand van het flinterdunne tinnen dak, daar waar dat op de buitenmuur van het huis rust. Hier boorde zich in de nacht van zaterdag op zondag tegen twee uur een brok metaal ter grootte van een telefoontje door de dakplaat. Het was een granaatscherf van een van de raketten die Iran op Israël had afgeschoten, of van het Israëlische projectiel dat de raket uit de lucht had gehaald.

Over de auteur
Rob Vreeken is correspondent in Istanbul voor de Volkskrant. Hij schrijft over Turkije, Iran, Israël en de Palestijnse gebieden. Voorheen specialiseerde hij zich op de buitenlandredactie in mensenrechten en het Midden-Oosten.

Een van de leverkleurige tegels in de kamer is beschadigd. Het brokstuk kwam daar neer, ketste af en vloog horizontaal in het hoofd van de 7-jarige Amina el-Hassouni, die met haar moeder Nadia in de kamer lag te slapen. Het maakte het meisje tot het enige zwaargewonde slachtoffer van de Iraanse aanval.

‘Ze bloedde hevig’, vertelt haar oom Suleiman el-Hassouni, de 49-jarige tweelingbroer van vader Mohammed, enkele dagen later terwijl hij schuin onder het gat zit. Met zijn zusje achterin reed een broer van Amina vanuit het dorp Al-Fura in razende vaart door de woestijn naar de eerste hulp in Arad, de dichtstbijzijnde stad. Daar pikte een ambulance haar op.

Sindsdien ligt Amina in het ziekenhuis van Be’er Sheva, de grootste Israëlische stad in de Negev-woestijn. Ze is een paar keer geopereerd, artsen houden haar in slaap. Haar toestand blijft ernstig, de ouders zijn bij haar. De familie gaf Israëlische media een foto van een dromerig kijkend meisje met twee vrolijke staartjes. ‘Amina houdt van zingen en dansen. Ze doet het goed op school’, werd erbij gezegd.

Bedoeïenendorp

Maar ‘tragisch ongeluk met meisje, artsen vechten voor haar leven’, dat is niet het hele verhaal. Het incident zegt ook iets over de maatschappelijke positie van de Israëlische bedoeïenen, de bevolkingsgroep waartoe Amina en haar familie behoren. Het is het verhaal van achterstelling door de staat, van het niet-erkennen van een manier van leven die de overheid een doorn in het oog is.

El-Hassouni geeft een rondleiding door Al-Fura, een van de tientallen Israëlische bedoeïenendorpen, waarvan de meeste in de Negev-woestijn liggen. Het dorp omvat twintig huishoudens, alle behorend tot de familie El-Hassouni. De optrekjes zijn zeer eenvoudig. De meeste huizen zijn omheind met zinken golfplaten, bij veel bestaan ook de muren uit metalen platen. Er lopen geiten rond, kippen, honden. Babykameeltjes zuigen melk uit de hoog hangende tepels van hun moeders.

Bestrating ontbreekt. Alles is zand en stenen, net als op de lichtbruine heuvels rondom het dorp, waarop de schaapskudden toch nog eetbaar gewas weten te vinden. Bereikbaar is Al-Fura alleen over onverharde hobbelpaden.

‘Dit is ons leven’, zegt El-Hassouni, die zelf in een soortgelijk dorp verderop woont. ‘Een kwetsbare samenleving. Een zwaar bestaan. Geen wegen, geen waterleiding, geen elektriciteit, niets. Geen enkele overheidsvoorziening. En het zou zo mooi kunnen zijn, met al die ruimte, met de natuur. Als we maar erkend zouden worden.’

Nooit erkend door de overheid

Erkenning, daar draait het allemaal om. Sinds de stichting van Israël is de rurale levenswijze van de Arabisch sprekende bedoeïenen nooit erkend door de overheid. Die had andere plannen met het land, namelijk het stichten van moderne steden en moderne landbouwbedrijven voor de merendeels Joodse inwoners van de Joodse staat.

De bedoeïenen pasten niet in dat plaatje. Hun gemeenschappen kregen het stempel ‘niet-erkende dorpen’. Met wortel en stok probeert de overheid al decennialang aan hun bestaan een eind te maken. De stok bestaat uit druk en dwang, meestal in de vorm van gedwongen sloop. De wortel is de verlokking van het leven in een gereguleerde stedelijke omgeving, met alle geneugten van dien: stromend water, elektra, wegen, onderwijs, ziekenhuizen. Het is voor hun eigen bestwil, is het idee.

‘Zie je ons zitten op 75 vierkante meter, driehoog, met onze grote families? vraagt El-Hassouni. ‘De meeste mensen hebben hun vee, hun kuddes. Mijn tweelingbroer fokt kamelen en schapen. We kunnen niet wennen aan het stedelijk leven. De regering zou landbouwdorpen voor ons moeten stichten, dat zou een perfecte oplossing zijn.’

Grabbelton aan jurisprudentie

‘De regering probeert de bedoeïenen in de steden te concentreren om hun traditionele levenswijze af te schaffen’, zegt Nati Yefet, woordvoerder van de Regionale Raad van Niet-Erkende Bedoeïenendorpen. De Joodse Yefet behoort zelf niet tot de bevolkingsgroep in kwestie. ‘Als verslaggever van de krant Haaretz heb ik veel over bedoeïenen geschreven. Zo ben ik dit werk gaan doen.’

Het beleid is er volgens hem op gericht de Arabieren in Israël in de ‘kleinst mogelijke gebieden’ te concentreren. Bij de andere Arabieren is dat al gelukt, bij de bedoeïenen nog niet. ‘Dat is het punt. Het is een strijd om het land.’

Als verslaggever verdiepte hij zich in de geschiedenis van die strijd, die veelal juridisch werd uitgevochten. Er waren rechten op land uit de Ottomaanse tijd, verordeningen van het Brits Mandaat, oude grondtransacties die nooit op schrift waren gesteld; een grabbelton aan jurisprudentie, waaruit de overheid kon plukken wat haar goed uitkwam. Voor Yefet staat overeind dat de meeste bedoeïenen historisch recht hebben op het land waar hun voorouders al woonden.

Eind jaren zestig, zegt hij, begon de staat steden te stichten voor bedoeïenen, ‘zodat er land zou vrijkomen voor gebruik door Joden’. Een regeringswoordvoerder zou zeggen: voor algemeen gebruik. Deels was het beleid effectief: van de 210 duizend bedoeïenen in Israël – van wie tweederde in de Negev – woont nu ongeveer 60 procent in ‘erkende’ steden. Ook wordt er gewerkt aan de bouw van ruim tien gated community’s voor Joodse Israëliërs in de Negev en het Noord-Israëlische Galilea, volgens Yefet om het leefgebied van de bedoeïenen in te perken.

Alles is tijdelijk in de dorpen

Aan de lopende band worden zogeheten sloopbevelen uitgegeven. Dagelijks worden er huizen gesloopt. Suleiman el-Hassouni vertelt hoe dat in zijn werk gaat. ‘Een inspecteur plakt een officiële brief op je voordeur, waarin staat dat het pand over twee of drie weken gesloopt moet zijn, anders doet de overheid het. Protesteren heeft geen zin. ‘Het bouwwerk is illegaal’, zal de inspecteur dan zeggen. Niemand verzet zich als later de bulldozers gaan slopen, want ze komen met een grote politiemacht.’

Afgelopen week waren alweer inspecteurs actief in Al-Fura, alsof er geen Iraanse aanval is geweest. El-Hassouni heeft vijf keer zo’n sloopbevel gekregen. Elke keer sloopt hij maar zelf, en elke keer bouwde hij een eindje verderop een nieuw huis. Of een nieuwe werkplaats, zoals een half jaar geleden.

‘Alles is tijdelijk in onze dorpen’, zegt El-Hassouni, en zo ziet het er inderdaad uit. Het tijdelijk karakter van de dorpen, met hun huizen van eenvoudig materiaal, maakt ook dat de bewoners tijdens de raketaanval nauwelijks beschutting hadden. Een gewoon huis met een stevig dak had de scherf die Amina trof vermoedelijk wel tegengehouden.

En dan zijn er nog twee factoren die de bedoeïenen zaterdag extra kwetsbaar maakten. De roemruchte Israëlische luchtafweer, de Iron Dome, werkt niet boven de niet-erkende dorpen. Immers: ze bestaan officieel niet, dus er valt niets te beschermen. In de afgelopen maanden vielen er al zeven doden door Hamas-raketten vanuit Gaza. Bovendien zijn de dorpen niet alleen verstoken van water en elektra, maar ook van schuilplaatsen en schuilkelders.

Dit terwijl veel van de bedoeïenendorpen in de Negev rond luchtmachtbasis Nevatim liggen, een van de belangrijkste militaire bases van het land. Daarmee was Nevatim het voornaamste doelwit van de Iraanse aanval. Het luchtgevecht tussen Iraanse raketten en drones en de Israëlische Arrow-luchtafweer speelde zich grotendeels hier af, pal boven de niet-erkende dorpen.

Het mag een wonder heten dat er maar één gewonde is gevallen. Een buurman van Suleiman el-Hassouni bijvoorbeeld had geluk dat hij niet thuis sliep; een brokstuk van 1,5 meter vloog door zijn dak en kliefde zijn bed doormidden.

‘Het was een spektakel’, zegt Mohammed, een 27-jarige kantoorbediende die met vrienden Ismail en Motaz aan een colaatje zit op het terras van een benzinestation in de buurt. ‘De hemel was vol vuur en lichtflitsen. Voortdurend klonken explosies.’ Hij was heus bang, maar wilde niets missen en bleef kijken. Een half uur duurde het schouwspel, toen nam het af.

Mohammed en zijn kameraden wonen in Hura en Kseifa, twee erkende bedoeïenensteden. Ze staan op het punt vrienden te bezoeken op de Westoever, Palestijns gebied op tien minuten rijden. De grensovergang is geen probleem. Zoals alle bedoeïenen in Israël hebben ze Israëlisch staatsburgerschap; ze mogen gaan en staan waar ze willen.

Op papier Israëlisch

Voelen ze zich als bedoeïen trouwens onderdeel van het Palestijnse volk? De jonge mannen denken na. ‘Dat ligt eraan wie het vraagt en waar’, zegt Motaz met een veelbetekenend lachje. Oftewel: op de Westoever noemt hij zich Palestijn, in Israël is het meestal verstandig jezelf Israëliër te noemen. En wat is het antwoord als je het jezelf vraagt? Mohammed: ‘Mens.’

De bedoeïenen weten niet goed hoe ze zich moeten verhouden tot de staat Israël. Op papier zijn ze Israëliërs, maar het lijkt alsof ze er in de Joodse staat niet echt bij horen. Dienstplicht hebben bedoeïenen niet, ze mógen wel in het leger. Veel van hen gingen zo’n 25 jaar geleden vrijwillig onder de wapenen. Het versterkte de band tussen bedoeïenen en Joden, zegt El-Hassouni. Sindsdien is de gevechtsbereidheid drastisch afgenomen. ‘Een gevolg van de sloopbevelen. Dat maakt mensen boos. Ze vragen zich af waarom ze zouden vechten voor een land dat hen niet als volwaardige burgers behandelt.’

De oom van Amina slaat zijn armen om zijn jongste kind, de 3-jarige Sahr. Het jongetje is al de hele week gespannen. Hij was wakker die nacht, hij heeft alles meegemaakt. Sindsdien kijkt hij regelmatig angstig in de lucht. Aan de muur, op een halve meter van het gat in het dak, hangt een spreuk uit de Koran: ‘Zijn troon strekt zich uit over Hemel en Aarde. Hij voelt geen vermoeidheid als Hij ze bewaakt en behoudt.’

‘Ik ben bang voor een oorlog met Iran’, zegt El-Hassouni. ‘Ik wil een grote kuil graven. Daar zet ik een container in en bedek die met aarde. Dan heb ik een schuilkelder. Zonder wil ik hier niet blijven.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next