Dat een individu bij een conflict met de overheid vermorzeld kan worden, is voor sociaal advocaat Renske Imkamp (34) altijd een drijfveer geweest. Maar haar rol gaat verder dan alleen tegenwicht bieden, vindt ze.
‘De machtsbalans tussen de overheid en de individuele burger is uit evenwicht, per definitie. Voor de kwaliteit van zijn leven heeft de burger de overheid soms heel hard nodig, maar dat is niet wederkerig: de overheid heeft wel burgers nodig, maar niet de individuele burger. Bovendien beschikt de overheid over macht en doorgaans veel meer kennis. Mijn ideaal is die strijd minder ongelijk te maken, vooral voor mensen die in de knel zijn geraakt.’
Als sociaal advocaat staat Renske Imkamp een gemêleerd gezelschap bij van ALS-patiënten, ouders met kinderen met een beperking, ptss’ers met angststoornissen en jongeren met een psychische of lichamelijke beperking: ‘Ik heb altijd zo’n tachtig tot honderd zaken onder me.’ Als 34-jarige is Imkamp een opvallend jeugdige verschijning in de sterk vergrijzende wereld van de sociaal advocatuur – een trend die haar zorgen baart. ‘Voor sommige zaken is nu al geen advocaat meer te vinden. Het gevaar is dat mensen die geen advocaat kunnen betalen, hun recht niet meer kunnen halen.’
Over deze serie
In Het Ideaal interviewt Fokke Obbema mensen die hun leven aan een ideaal wijden.
Haar betrokkenheid voert ze terug op haar jeugd in een Nijmeegs gezin, waarin beide ouders juristen zijn – haar moeder jeugdstrafrechter, haar vader werkzaam bij de Raad voor de Kinderbescherming. Aan tafel bespreekt hij met zijn dochter kwesties die spelen bij de klachtencommissie van een jeugdgevangenis. ‘Ik leerde daardoor al vroeg dat er nog een heel andere wereld dan de mijne is.’ Op haar gymnasium ergert ze zich aan leerlingen die ‘meenden dat ze het volkomen aan zichzelf hadden te danken dat het hen voor de wind ging. Terwijl ze geprivilegieerd waren, net als ik.’
Na de middelbare school doet ze in Utrecht twee studies, filosofie en rechten. Bij de eerste voelt ze zich meer thuis: ‘Ik kwam daar mensen tegen die een stuk kritischer naar de maatschappij keken dan rechtenstudenten. Voor de meerderheid van de rechtenstudenten draaide het om geld verdienen op de Zuidas, in de sociale advocatuur waren ze totaal niet geïnteresseerd. Tijdens mijn studie werd ook geen woord aan het bestaan daarvan gewijd.’
Dat de sociale advocatuur toch in haar vizier komt, is te danken aan haar vrijwilligerswerk bij een asielzoekerscentrum. Dat doet zij vanaf haar eerste studiejaar, als 18-jarige, boven op haar twee studies. Verontschuldigend: ‘Ik ging heus nog wel naar de kroeg, hoor. Maar ik ben altijd nogal serieus geweest, andere scholieren noemden me wel spottend ‘de volwassene’. Daar plaagt mijn dertien jaar oudere vriend me ook nog weleens mee.’
Waarom verkoos u de juridische wereld boven de filosofie?
‘Tijdens mijn vrijwilligerswerk op het asielzoekerscentrum ervoer ik hoe prachtig het is iets direct voor iemand te kunnen betekenen. Ik was 18 en hield spreekuur voor mensen uit Somalië, Irak en Afghanistan – gezinnen, maar ook alleenstaanden uit oorlogsgebieden, hun verhalen vond ik indrukwekkend. Ik ontmoette een ouder Afghaans echtpaar waarvan de dochter twee dagen eerder voor hun ogen door de Taliban was ontvoerd. Die mensen waren helemaal getraumatiseerd, ze konden alleen maar huilen. Ik was even oud als hun dochter en moest hun verhoor voorbereiden. Die ontmoeting raakte me diep.
‘Mijn taak was juridisch, maar ook sociaal – mensen kalmeren en geruststellen. Dat vond ik toen al een mooie combinatie. Ik leerde omgaan met grote verschillen: de een wil het naadje van de kous weten, de ander wil juist alleen maar geruststelling, weer een ander is vooral in de war en vraagt veel aandacht. Na enige tijd kreeg ik een betaalde baan voor 20 uur per week bij de Utrechtse noodopvang, met als taak het begeleiden van uitgeprocedeerde asielzoekers. De gemeente had ons een aantal slooppanden voor hun opvang gegeven. Die mensen zaten tussen wal en schip: in Nederland konden ze geen status krijgen, terug naar hun land was geen optie. Ik vond het frustrerend dat ik zo weinig voor ze kon betekenen.’
U koos uiteindelijk niet voor asielrecht, maar voor de sociale zekerheid. Waarom?
‘Het verschil is in mijn ogen niet zo groot. In beide gevallen gaat het om burgers die het zwaar hebben en die in een conflict met de overheid zijn terechtkomen – het gaat om klein tegenover groot, de kwetsbare tegenover de machtige. Dat machtsverschil maakt mij altijd strijdbaar, het is erg bevredigend zo’n strijd te winnen. Bij de sociale zekerheid gaat het niet om leven en dood zoals bij het asielrecht, maar wel om zaken die voor een individu wezenlijk zijn, omdat ze zijn kwaliteit van leven bepalen.’
Kunt u een voorbeeld geven?
‘Een van mijn eerste zaken ging over een 20-jarige jongen die niet kon lopen en het verstandelijk vermogen van een 6-jarige had. De gemeente wilde hem zijn acht jaar oude handbike afnemen, nota bene nadat zijn ouders hadden gevraagd of hij een nieuwe kon krijgen – hij was te groot voor zijn oude geworden. Pas na anderhalf jaar kregen ze van de gemeente antwoord: een nieuwe handbike was onmogelijk, bovendien zou zijn oude worden opgehaald. Hij had al een rolstoel, luidde het argument. Zijn moeder belde me in paniek, ze durfde het haar zoon niet te vertellen. De handbike was van levensbelang voor hem, alleen daarmee kon hij zich zelfstandig verplaatsen.
‘Toch hield de gemeente voet bij stuk. Uiteindelijk kwam die op haar standpunt terug, nadat ik met een spoedzaak had gedreigd. Een half jaar later kreeg hij alsnog zijn nieuwe handbike. Die gebruikt hij nu elke dag. ‘Het is een onderdeel van zijn lichaam geworden’, vertelde zijn moeder me onlangs. Juridisch stelt zo’n zaak niks voor, maar voor zo’n jongen maakt het alle verschil van de wereld. Aan zo’n overwinning houd ik wekenlang een goed gevoel over. Ik vind het mooi dat ik eraan heb bijgedragen dat hij zich zelfstandig kan voortbewegen.’
Hoe valt de ongelijke machtsverhouding tussen burger en overheid te bestrijden?
‘Ik kan dat machtsverschil uiteraard niet wegnemen, maar wel een gedeelte ervan opheffen. De burger staat op achterstand omdat hij van niets weet, terwijl de gemeente een afdeling heeft die permanent dit soort zaken beoordeelt. Die achterstand in kennis overbrug ik, want ik ken de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie. Op dat vlak valt het machtsverschil dus weg te werken. Inmiddels ben ik zozeer in de materie thuis, dat ik rechters en gemeenteambtenaren cursussen erover geef. Dan probeer ik ze meteen begrip voor de positie van mijn cliënten bij te brengen.’
Ontbreekt het daaraan?
‘Een belangrijke bron van conflict is dat de burger zich door de overheid niet serieus genomen voelt. Vaak gaat er al in het begin iets fout in de communicatie tussen ambtenaar en burger, waarna het erg kan escaleren. Wat de gemeente vaak onderschat, is hoe kwetsbaar een burger zich voelt wanneer hij een probleem op tafel moet leggen dat hij zelf niet kan oplossen. Neem een moeder met een kind met gedragsproblemen. Voor haar is de gemeente inschakelen erg spannend, ook omdat ze weet dat die niet per se haar vriend is. De gemeente kan bijvoorbeeld Veilig Thuis inschakelen bij een vermoeden van huiselijk geweld.
‘Ik heb wel meegemaakt dat ambtenaren aankondigen met drie man op huisbezoek te komen, zonder aan te geven met wie ze willen spreken, waarover ze het willen hebben en wat de gevolgen kunnen zijn. Of dat ambtenaren gestelde diagnoses in twijfel trekken en naar trauma’s vragen, wat ronduit gevaarlijk kan zijn. Als de gemeente zorgvuldiger met de bejegening van kwetsbare mensen omgaat, scheelt dat veel procedures, daarvan ben ik overtuigd.’
Sinds de toeslagenaffaire van 2017 zou je verwachten dat de overheid zich bewuster is van de kwetsbare positie van burgers.
‘Bij de rechter zie ik wel dat er meer oog is gekomen voor wat in het jargon het beperkte ‘doenvermogen’ van de burger wordt genoemd, diens vermogen zichzelf staande te houden. Maar bij gemeenten is dat bewustzijn nog niet zo ingedaald, is mijn indruk. Soms wordt er constructief over een oplossing voor een conflict meegedacht, maar er zijn tientallen gemeenten, groot en klein, die dat niet blijken te kunnen en iedere keer in dossiers blijven terugkomen.
‘Een kernprobleem is dat de wetgever de vraag wat de burger aan voorzieningen mag verwachten in de wet onbeantwoord heeft gelaten en daarmee over de schutting naar gemeenten heeft gegooid. In de Wmo (Wet maatschappelijke ondersteuning, red.) en de Jeugdwet staat dat de burger geen recht op voorzieningen heeft wanneer hij het op ‘eigen kracht’ kan. Volkomen vaag, de wet en de wetsgeschiedenis zeggen niets over wanneer daar sprake van is. Dat gaat bijvoorbeeld mis bij ouders met een gehandicapt kind. Dat vergt soms bovenmenselijke offers, zoals ’s nachts ieder half uur het kind omdraaien. Toch kunnen gemeenten de houding aannemen: u wilde toch zelf kinderen? Of: u kunt dit op eigen kracht, wanneer een van u stopt met werken.
‘Rechters zitten er volgens mij ook mee in hun maag, omdat ze zich gedwongen zien zelf te bepalen wat ‘eigen kracht’ inhoudt. Dit probleem speelt al sinds 2015, maar Den Haag heeft het nog steeds niet opgelost, ongelooflijk.’
Wat zegt u dat?
‘Voor mij illustreert dit het machtsverschil tussen overheid en burger. Als individu heb je iets wezenlijks van de overheid nodig om je leven te kunnen leiden, maar omgekeerd is dat niet het geval. Met als gevolg dat de overheid rechtsonzekerheid en rechtsongelijkheid jarenlang laat voortbestaan. De burger weet niet goed wat hij aan zijn overheid heeft. Die onzekerheid ervaar ik zelf ook. Ik kan mijn cliënten niets voorhouden over de te verwachten uitkomst van hun procedure, terwijl die wel jarenlang kan gaan duren.’
Is de sociale advocatuur wel in staat het machtsverschil te verkleinen?
‘In principe wel, maar dan moeten we wel met genoeg mensen zijn – we zijn een kleine minderheid waarvan velen in de komende tien jaar met pensioen gaan. Veel sociaal advocaten bouwen nu al hun praktijk af. Dat is zorgelijk. Gelukkig zie ik weer belangstelling ontstaan bij rechtenstudenten en hebben we met Zuidas-kantoren een uitwisseling van stagiaires opgezet. Dat is wel hoopvol.’
Betaalt u een prijs voor het nastreven van uw ideaal?
‘Werken in de sociale advocatuur betekent hard werken voor een relatief laag inkomen – uiteraard vergeleken met de Zuidas, maar ook met de ambtenaren die in procedures tegenover me zitten. Zij hebben pensioen en zwangerschapsverlof, wat ik niet heb. Maar ertegenover staat dat ik mensen help. Soms door hun zaak te winnen, altijd door een last van hun schouders te nemen. Ze voelen het als een grote verlichting wanneer ik hun omgang met de overheid overneem. Hun blijdschap daarover geeft me een goed gevoel. Dat krijg ik ook wanneer een cliënt het aandurft voor zichzelf in de rechtszaal op te komen, dat vergt vaak een grote zelfoverwinning. Winnen we de zaak, dan is dat helemaal bevredigend. Niet alleen draagt dat bij aan iemands welzijn, maar het werkt ook door op anderen. Lotgenoten horen ervan en dat sterkt bij hen de overtuiging dat het zin heeft tegen de overheid te procederen. Dit werk geeft me het gevoel iets zinvols met mijn leven te doen, ik ben er trots op dat ik dit mag doen.’
Boektip
Leven met Lidewij, Bert Natter.
‘Dit boek ontroerde me, omdat het een niet-sentimenteel beeld geeft van het leven van Lidewij, de meervoudig beperkte dochter van de schrijver. Mijn eigen juridische kijk op kinderen als Lidewij is maar beperkt. Natter brengt een veel rijker en breder perspectief op het bestaan van zijn dochter prachtig onder woorden.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant