Home

Kinderen vond Anita nog weerzinwekkender dan alle zebrapaden, regenpakken en witte kadetjes bij elkaar

Bij de tramhalte stond ik te piekeren over een uiterst onbelangrijk vraagstuk (namelijk: waarom korten Amsterdammers sommige straatnamen altijd af (‘De Ferdinand Bol’, ‘De Gerard Dou’, ‘De P.C. Hooft’ (soms zelfs ‘De PC’)), terwijl ze dat bij andere straatnamen juist nooit doen? Niemand zal ooit de Utrechtsestraat, de Churchilllaan of de Uiterwaardenstraat afkorten tot ‘De Utrechtse’ ‘De Churchill’ of ‘De Uiterwaarden’.)

Ik schrok op uit mijn overpeinzingen toen er een vrouw van mijn leeftijd kwam aanlopen met een kinderwagen. Ik had haar zeker veertig jaar niet gezien, maar ik herkende haar onmiddellijk: Anita.

Over de auteur
Sylvia Witteman schrijft voor de Volkskrant columns over het dagelijks leven.

Ergens in mijn hectische middelbareschooljaren was ik in een klas met vier Anita’s beland, en met een van die Anita’s raakte ik bevriend. Ze was klein en tenger, half Indisch of half Surinaams (iemands kleur of afkomst deed er in de jaren tachtig veel minder toe dan nu) en haar altijd wat kouwelijke gestalte ging steevast schuil onder een ruige zelfgebreide sjaal van restjes wol in tientallen kleuren.

Anita was overal tégen. Tegen de maatschappij in het algemeen, en tegen een heleboel nevenverschijnselen van die maatschappij in het bijzonder: zebrapaden, witte kadetjes, regenpakken, bankstellen, snijbloemen, schone kleren, auto’s, supermarkten, fietsverlichting, en wat dies meer zij.

Ook had ze grote bezwaren tegen het fenomeen ‘liefde’. Dat was een sluw zoethoudertje van de ‘mannenmaatschappij’. Want waar draaide die zogenaamde liefde op uit? Op het krijgen van kinderen! En kinderen vond Anita nog weerzinwekkender dan alle zebrapaden, regenpakken en witte kadetjes bij elkaar.

‘Stel je voor, dan zit je daar op je bankstel, met zo’n smakkende big aan je tiet’, smaalde ze walgend. ‘En dan moet je wéér zo’n strontluier verschonen, en zo gaat het maar door, tot je zo afgestompt bent dat je nog dolblij bent met een bos bloemen van zo’n lul van een man. En dan moet je weer met je benen wijd, en dan krijg je negen maanden later nóg zo’n krijsende big.’ Ze had gehuiverd bij de gedachte.

Ook van die school werd ik weer verwijderd, en ik verloor het contact met Anita. Maar daar stond ze nu, bij de tramhalte, nog even klein en tenger als toen, haar sjaal niet meer ruig en kleurig, maar zacht en wit, als een kadetje.

Ze herkende mij ook, en na de onstuimige begroeting keek ik nieuwsgierig onder de kap van de kinderwagen, waarin een blakende baby zoet lag te slapen.

‘Mijn kleinzoon’, zei Anita. ‘Mijn derde al.’ Ze verschikte teder iets aan zijn mutsje . ‘Een heel gedoe, hoor’, voegde ze er haastig aan toe.

Maar haar stralende glimlach sprak boekdelen.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next