De Belgisch-Congolese rapper Baloji liep overal tegen muren toen hij een film wilde maken. Toch kwam zijn debuutfilm Augure er – en met het succes daarvan is de filmwereld helemaal om.
De familiereünie biedt een fijne voedingsbodem voor verhalenvertellers op zoek naar sociaal ongemak. Vrijwel nergens anders kunnen dialogen zo mooi en pijnlijk schuren, borrelen oude vetes en weggestopte geheimen zo nadrukkelijk aan de oppervlakte. Zo ook bij Baloji (45), de muzikant, rapper, kostuumontwerper, acteur, scenarist en filmer die vorig jaar zijn speelfilmdebuut maakte met Augure.
Tegelijk is sociaal ongemak bij Baloji slechts het begin. In Augure neemt de van oorsprong Congolese Belg Koffi (Marc Zinga) zijn zwangere Belgische vriendin Alice mee naar zijn geboorteland om haar voor te stellen aan zijn familie. Koffi werd achttien jaar geleden verstoten door zijn moeder, omdat ze zijn moedervlek beschouwde als zabolo, een teken van de duivel. De goedbedoelde reünie komt nauwelijks van de grond: Koffi wordt wederom verbannen en raakt verzeild in een bevreemdend, duister ritueel.
Over de auteur
Berend Jan Bockting schrijft voor de Volkskrant over film.
En hier onderscheidt Baloji zich van andere vertellers. Koffi komt in een soort droomstaat, waarin een masker aan zijn hoofd wordt vastgetimmerd. Dat mag op papier vreemd klinken, maar in het universum van Baloji oogt zoiets vanzelfsprekend, nachtmerrieachtig én bloedstollend mooi. In een wervelende, kleurrijke filmstijl neemt de kunstenaar zijn publiek mee in een gedachtenwereld waar Koffi zichzelf opnieuw dient uit te vinden. Soepel mengt hij in het verdere verloop van Augure Congolees magisch realisme met invloeden uit westerse sprookjes (Hans en Grietje).
Het is mei 2023. Baloji Tshiani – hij gebruikt zijn voornaam als artiestennaam – zit in Le Palais des Festivals, het hart van het filmfestival van Cannes, waar zijn film de dag ervoor in première is gegaan. Eindelijk erkenning voor de alleskunner die weigerde zich in een conventioneel filmhokje te laten stoppen. ‘Ik voel me al járen filmmaker, maar werd tot voor kort nooit zo gezien’, zegt hij. ‘Het was extreem lastig om de belangrijke mensen in de filmwereld van mijn ideeën te overtuigen.’
De zoon van een Congolese moeder en een Belgische vader, geboren in Lubumbashi en opgegroeid in Oostende, maakte vanaf zijn 15de naam als MC Balo in Starflam, de Luikse hiphopformatie waar hij in 2005 uit stapte om zijn muziekcarrière te vervolgen als soloartiest. Het woord tovenaar, de vertaling van zijn voornaam in het Swahili, werd in interviews veelvuldig gebruikt om zijn versmelting van Congolese rumba met onder meer house en hiphop te verklaren. Zijn werk is hoogst persoonlijk: op zijn debuutalbum Hotel Impala (2008) richtte hij zich tot zijn moeder, die hij sinds zijn vertrek uit Congo niet meer had gezien.
Het maken van videoclips smaakte naar meer – een duik in het bruisende straatleven van Kinshasa in Karibu Ya Bintou en het in een broeierige club gefilmde Le Jour d’Après zijn volgens The Guardian ‘minimeesterwerkjes’. Maar hij liep tegen een muur op. ‘Bij filmproductiehuizen en financieringsfondsen kreeg ik steevast te horen dat ik alles verkeerd deed. De hardnekkige gedachte was: daar heb je die rapper die per se een film wil maken.’
Toen werd het 2018, hij weet het nog goed, en besloot hij zich niets meer aan te trekken van de poortwachters van de Belgische filmwereld. ‘Tegen iedereen die me in een hokje wilde stoppen zei ik op een dag: fuck it. Ik begon mijn eigen korte films te maken en werd ook mijn eigen producent: dat maakte nog eens extra duidelijk wat ik precies wilde maken, want ik spendeerde mijn eigen geld. Ik ontwikkelde mijn eigen magisch realistische benadering van film. Ik leerde door te doen.’
Inmiddels is de Belgische filmwereld volledig om. Na zijn selectie voor Cannes werd Augure ingezonden als de Belgische vertegenwoordiger bij de Oscars in de categorie beste internationale film (zonder de shortlist te halen). Vorige maand verzilverde de film vijf Magritte Awards, de belangrijkste filmprijs van Franstalig België, onder meer voor de mede door Baloji gecomponeerde muziek en zijn zelfontworpen kostuums.
Hij begrijpt de initiële huivering bij de fondsen overigens wel. ‘We leven in een maatschappij waarin we film kijken als een voetbalwedstrijd. Gefocust op het wedstrijdverloop: op de plot, de anekdote, het script. We proberen soms krampachtig te voorspellen wat er nog meer gaat gebeuren. We vinden het moeilijk ons te laten verrassen, en hebben minder oog voor de muziek, sfeer, poëzie. Ik dacht: misschien kan ik die kijkhouding een beetje bijsturen. Proberen met wat filmregels te breken.’
In Augure speelt hij met het idee van synesthesie, een neurologisch verschijnsel waarbij bijvoorbeeld muziek als kleur wordt waargenomen. De gevoelswereld van Koffi wordt verbeeld met een breed palet aan audiovisuele associaties: geluid, muziek, kleur, texturen. Baloji: ‘Eerst is hij een buitenstaander, dan versmelt hij langzaam met zijn omgeving. Ik wilde daar een zintuiglijke ervaring van maken. Maar ik breek ook met de regels door niet Koffi’s witte Belgische vriendin als hoofdpersonage te kiezen, zoals enkele financiers graag zagen, maar Koffi zelf.’
Koffi’s verhaal is niet letterlijk het zijne, al ervaarde hij een vergelijkbare desoriëntatie toen hij voor het eerst sinds jaren Congo bezocht. ‘Ik ontmoette mijn moeder voor het eerst in 2016. Ik had een adres, maar kon haar huis niet vinden. Ik vroeg de weg en een man op straat zei: ‘Je kunt hier niet verder rijden, maar dat betekent niet dat de straat stopt.’ Het klinkt misschien stom, maar die opmerking betekende veel voor me. Ik zat vast in mijn westerse manier van denken. Die man zei me dat ik moest stoppen met zoeken op de manier zoals ik het ooit heb geleerd en moest leren kijken met een Congolese blik.’
Hij maakte Augure om die contradictie te laten zien, zegt hij. Baloji tikt voorzichtig barstjes in het beeld van de Europeaan die zijn of haar levenshouding centraal zet. Dan praat hij zachtjes, alsof hij tegen zichzelf spreekt in de spiegel: ‘Nee, nee, je hebt niet altijd gelijk.’
Muziek voor mama
Baloji verhuisde op zijn 3de met zijn Belgische vader naar Oostende en ontmoette zijn Congolese moeder pas in 2016 voor het eerst als volwassene. ‘Ik wilde haar een album geven dat ik speciaal voor haar had gemaakt. Dat dit een veelbetekenend gebaar zou zijn, bleek een buitengewoon westerse gedachte. Mijn album interesseerde haar eigenlijk niet. Ik ben haar oudste zoon, wat voor haar écht belangrijk was is de vraag hoe ik voor haar zou kunnen zorgen.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant