Ondanks de rakettenregen uit Iran moeten we niet vergeten dat Gaza, Netanyahu en zijn destructieve regering er nog steeds zijn, betoogt de Israëlische auteur Etgar Keret. Zonder nieuw leiderschap dat wél streeft naar een betere toekomst zal er niets veranderen.
Een paar weken geleden keek ik bij Saturday Night Live naar de openingsmonoloog van de Egyptisch-Amerikaanse komiek Ramy Youssef. Tegen het einde had hij het over tot God bidden om ‘een eind te maken aan het geweld’ en ‘het Palestijnse volk te bevrijden’, waarop het publiek reageerde met een donderend applaus. Als doorgewinterde Israëliër schatte ik het enthousiaste publiek in als progressieve, pro-Palestijnse New Yorkers.
Maar meteen daarna zei Youssef dat hij ook bad voor de vrijlating van alle gijzelaars. Het applaus daarvoor was even enthousiast. Op dat moment besefte ik dat, in tegenstelling tot wat ik las op mijn sociale media met hun strikte scheiding tussen Israël-fans en Israël-haters, de rest van de mensheid in het algemeen heel menselijk is: als ze zien hoe een in paniek zijnde jonge Israëlische vrouw naar Gaza wordt meegesleurd, willen ze dat ze wordt vrijgelaten; als ze een hongerlijdend Palestijns gezin in een geïmproviseerde tent zien rouwen om hun overledenen, willen ze dat er een eind komt aan hun lijden.
Over de auteur
Etgar Keret is een Israëlische schrijver, bekend om zijn absurdistische korte verhalen, graphic novels en scenario’s voor film en televisie. Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Ja, ik weet dat er nu een hoop mensen zullen opspringen om uit te leggen dat je het Palestijnse leed niet kunt vergelijken met Israëlische leed of vice versa en dat de ene kant blaam treft terwijl de andere kant domweg geen andere keuze had. Toch, afgezien van alle uitleg en redeneringen, hoe hartstochtelijk ook, blijft er een kern van waarheid over: leed is leed en het is gewoon menselijk om te willen dat daar zo snel mogelijk een eind aan komt.
Het afgelopen half jaar heb ik dezelfde dag keer op keer in gedachten opnieuw beleefd, alsof ik elke ochtend weer op 7 oktober wakker werd. Op tv vertoont een eindeloze reeks herhalingen steeds nieuwe onvoorstelbaar heldhaftige daden, steeds nieuwe gruwelijkheden, steeds meer onderzoek, en steeds meer hartverscheurende getuigenissen van die verschrikkelijke dag.
Het voortschrijden van de tijd heeft me nog geen millimeter verder weggebracht van die zaterdagochtend. Want hoe kan er ook maar iets echt veranderd zijn als de gijzelaars nog steeds worden vastgehouden in Gaza, de geëvacueerde Israëli’s nog steeds niet terug kunnen naar hun huis en ik nog steeds het gedreun hoor van helikopters die gewonde soldaten naar het ziekenhuis brengen, niet ver van waar ik woon?
De regering weigert het over de toekomst te hebben en smoort ieder gesprek over wat bekendstaat als ‘de dag erna’. Wat hen betreft kan 7 oktober altijd voortduren. In het afgelopen half jaar zijn strategie en slogans onveranderd gebleven en het zwakke Israëlische leiderschap blijft ons maar vage beloftes doen van een ‘beslissende overwinning’ in plaats van realistische doelen te stellen en te proberen die te halen.
Al maandenlang hamert minister van defensie Yoav Gallant erop dat Hamasleider Yahya Sinwar bibberend in zijn ondergrondse schuilplaats zit terwijl de Israëlische tanks boven zijn hoofd langs denderen en Netanyahu blijft ons verzekeren dat onze troepen elk moment Rafah kunnen binnenvallen. De regering lijkt zich tevreden te stellen met het eindeloos herhalen van lege beloften terwijl wij burgers ons verschuilen in de vertrouwde situatie van deze zich maar voortslepende catastrofe.
Elke gedachte over hoe Gaza moet worden herbouwd, elke stap richting een duidelijke en stabiele toekomst: het is allemaal taboe. Desalniettemin wordt regelmatig gesproken over nieuwe Joodse nederzettingen in Gaza en over een ‘vrijwillige verplaatsing’ van de Palestijnen, zowel in het Israëlische parlement als bij het Internationaal Gerechtshof in Den Haag.
‘Na wat ze op 7 oktober hebben gedaan’, stelt het departement van Netanyahu, ‘moeten we ze geen eigen staat cadeau doen.’ Daarbij zou ik de volgende kanttekening willen maken: een staat is niet iets wat je als geschenk of straf ontvangt. Een eigen staat is een grondrecht van iedere natie. Het bloedbad van 7 oktober was afschuwelijk, maar het recht van de Palestijnen om hun eigen leiders te kiezen en over hun eigen lot te beschikken bestaat al vijftig jaar – en wordt ze ook al vijftig jaar ontzegd – en heeft geen uiterste houdbaarheidsdatum.
Om te voorkomen dat de Palestijnen dit recht verwezenlijken, heeft Netanyahu al lang geleden een doctrine bedacht waarin Hamas goed van pas komt. En inderdaad, gezien hun fundamentele wereldbeeld, is er volstrekte overeenstemming tussen Hamas en het messianistische rechtse blok dat het beleid van Netanyahu’s regering bepaalt: beide kanten zijn het erover eens dat er in dit land slechts plek is voor één natie; het enige waar ze het niet over eens zijn, is welke natie dat is.
Voor Netanyahu en zijn extremistische ministers Itamar Ben-Gvir en Bezalel Smotrich heeft Hamas enorm de voorkeur boven welke andere Palestijnse vijand dan ook: die kan misschien net zo wreed en vastberaden zijn, maar wel bereid tot het compromis van een tweestatenoplossing.
Persoonlijk ben ik voorlopig niet van plan om vrijwillig mijn huis te verlaten en mijn Palestijnse buren zijn dat evenmin. In het algemeen zijn mensen er niet happig op om hun land of hun vrijheid op te geven en daaraan kan noch Netanyahu noch Sinwar iets veranderen. De enige haalbare verandering is het vervangen van dit rampzalige leiderschap door een regering die het beu is dat we vastzitten in deze chaotische realiteit en die niet bang is om te streven naar een betere toekomst.
Vertaling: Leo Reijnen
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant