De komende tijd mogen vakbondsleden meepraten over de nieuwe pensioenregeling. De belangen van generaties lopen soms sterk uiteen. Toch bediscussiëren veel van de schaarse aanwezigen liever de al aangenomen Pensioenwet, dan de uitvoering ervan. De aanhoudende politieke onzekerheid helpt daarbij niet.
‘We zijn hier vandaag niet om de Pensioenwet opnieuw tegen het licht te houden, we zijn hier voor de uitvoering ervan’. Het is niet voor het eerst dat Roelf van der Ploeg zich met woorden van die strekking richt tot zijn toehoorders in het FNV-hoofdkantoor in Utrecht. Ja, er was jaren ‘gedonder in de polder’ over de wet, er is door voor- en tegenstanders uitgebreid over gedebatteerd, benadrukt hij. Maar nu die er eenmaal ligt, is het ‘een feit’ en ‘onvermijdelijk’.
Oftewel: Van der Ploeg is deze dag niet naar Utrecht gekomen om de jarenlange pensioendiscussie dunnetjes over te doen. Daar heeft hij ook geen baat bij. Samen met Peter Seesing, vakbondsbestuurder bij FNV overheid, moet de pensioenadviseur van onderwijsvakbond AOb de enkele tientallen aanwezigen overtuigen van de nieuwe pensioenregeling die ze hebben ‘uitonderhandeld’.
Over de auteur
Hessel von Piekartz is politiek verslaggever voor de Volkskrant en schrijft over de volksgezondheid, pensioenen en sociale zekerheid.
Lees hier alles over de kabinetsformatie.
En dat staat dus los van de vraag of de leden zich wel of niet kunnen vinden in de Pensioenwet, willen Van der Ploeg en Seesing graag duidelijk maken.
Nu de wetgever heeft gesproken en de Pensioenwet vorig jaar is aangenomen, is het stokje namelijk overgedragen aan vakbonden en werkgeversorganisaties. Aan de wet zelf kunnen ze niets meer veranderen, maar ze moeten de nieuwe regeling wel vormgeven. Bijvoorbeeld door de hoogte van de premie te bepalen en door vast te leggen wat er gebeurt als de pensioenfondsen de komende jaren overgaan, het zogenoemde transitieplan.
Seesing en Van der Ploeg onderhandelden het afgelopen jaar over de pensioenregeling voor het ABP, het grootste pensioenfonds van Nederland met drie miljoen leden in de sectoren overheid en onderwijs. Dat deden ze in de zogenoemde ‘Pensioenkamer’, waarin vertegenwoordigers van vakbonden en werkgeversorganisaties zitten. Allemaal achter gesloten deuren.
Nu komen die resultaten dus naar buiten en mogen vakbondsleden zich erover buigen en uiteindelijk een stem uitbrengen. En daarom staan Seesing en Van der Ploeg vandaag dus voor een zaal met allemaal mensen die een pensioen hebben opgebouwd of nog opbouwen bij het ABP.
De moeilijkste uitdaging voor Seesing, Van der Ploeg en de andere onderhandelaars was de herverdeling van de bijna 500 miljard euro in het pensioenfonds. De wet schrijft voor dat die verdeling ‘evenwichtig’ moet zijn, maar het is onduidelijk wat dat precies inhoudt.
Een lastige puzzel dus. Want hoe voorkom je dat sommige leeftijdsgroepen erop achteruitgaan als je al die miljarden verdeelt? Hoe vul je de reservepot aan voor tegenvallers in de toekomst? En krijgen gepensioneerden nog wat om de niet gecompenseerde inflatie uit het verleden goed te maken?
Dat gebeurt niet alleen bij het ABP. Voor elk pensioenfonds moet de nieuwe pensioenregeling minutieus worden uitgewerkt en moeten bonden en werkgeversorganisaties het resultaat aan hun leden voorleggen. Zorgpensioenfonds PFZW beet het spits af in december en dit jaar volgen naar verwachting nog vele andere. De komende tijd zullen er dus nog vergelijkbare bijeenkomsten worden gehouden door het hele land.
Ook voor Van der Ploeg en Seesing is het optreden in Utrecht een van de vele. Ze zijn deze weken op een ware tournee door Nederland, al valt hier en daar de animo nog wat tegen. Bij de twee aparte presentaties die deze woensdag in Utrecht worden gegeven – een voor gepensioneerde vakbondsleden, een voor werkende – blijken opgeteld amper zeventig mensen aanwezig. ‘Laag, voor een sexy onderwerp als pensioenen’, grapt Seesing.
Het is dan ook ‘de hogere krijgskunde van de pensioenwereld’ die op de agenda staat, benadrukt de FNV-bestuurder meermaals. En dat die voor vele aanwezigen nog in nevelen is gehuld, blijkt wel als Seesing heeft opgemerkt dat er tussendoor vragen gesteld mogen worden. Het duurt niet lang voor de eerste handen de lucht in gaan.
In de vragen tekent zich een duidelijk verschil af tussen de groepen. Gepensioneerden vragen zich bijvoorbeeld af of hun pensioen nog omhoog gaat. Daar ligt een bredere discussie aan ten grondslag: in het oude stelsel konden de pensioenen namelijk lang niet meestijgen met de inflatie, omdat fondsen grote buffers moesten aanhouden. Veel gepensioneerden willen daarom als ze naar het nieuwe stelsel overgaan met terugwerkende kracht worden gecompenseerd met geld dat vrijkomt.
‘Het nieuwe stelsel is niet bedoeld om de ellende uit het oude te repareren’, benadrukt Van der Ploeg direct. Toch is er in het transitieplan wel rekening mee gehouden omdat ‘de achterban dat belangrijk vindt’. In het gangbare scenario gaat er 0,75 procent van de totale pensioenpot van bijna 500 miljard euro naar die zogenoemde na-indexatie. De verenigingen van gepensioneerden vinden dat te laag. Maar volgens Van der Ploeg zou het ‘evenwicht’ tussen generaties anders verdwijnen. ‘Er mogen geen pech- en geluksgeneraties ontstaan, dat was een belangrijk uitgangspunt’, zegt hij. Dat lijkt op begrip te kunnen rekenen van de aanwezige gepensioneerden, gemor uit de zaal blijft uit.
De bijeenkomst met werkende leden staat dan weer meer in het teken van de precieze verdeling van de pensioenpot over alle leeftijdsgroepen. Er is met name aandacht voor de compensatie voor veertigers, van wie er enkele in de zaal zitten. Zij hebben in het oude stelsel nog wel extra betaald aan ouderen toen ze jong waren, maar krijgen die subsidie straks zelf niet meer. Om die achteruitgang te compenseren, is in het plan 3 procent van de pensioenpot extra voor hen gereserveerd.
Een overeenkomst tussen beide groepen, is de bezorgdheid over het nieuwe stelsel en de overgang ernaar. Als een man zegt ‘grote zorgen en vraagtekens’ te hebben bij de uitvoerbaarheid, krijgt hij meteen bijval. De overheid ‘struikelt’ immers over elke grote operatie. ‘Toeslagen’, roept een vrouw. ‘Dit is de grootste wijziging die wij gaan meemaken, maar ik denk dat er niemand is die de garantie kan geven dat dit goed gaat’, zegt ze.
Ook zijn er zorgen over het moment waarop de pensioenen overgaan naar het nieuwe stelsel. Want daar hangt veel van af. Gaat het economisch slecht, en is de pot daardoor kleiner dan aanvankelijk verwacht, dan is er ook minder geld om te verdelen. Dat is inderdaad een ‘spannend’ moment, erkent Seesing. Maar met tegenvallers is wel rekening gehouden, benadrukt hij, al gaan die dan hoe dan ook pijn doen. ‘Met de afspraken die we nu hebben gemaakt, komen we in ieder geval niet voor verrassingen te staan’, voegt Van der Ploeg toe.
Al snel klinken er ook vragen over de Pensioenwet. Sommige aanwezigen twijfelen namelijk of die wet wel overeind blijft. In de Kamer wonnen partijen die er kritisch tegenover staan immers een flink aantal zetels. Onder aanvoering van NSC-Kamerlid Agnes Joseph proberen ze de wet inmiddels ook aan te passen. Aan de formatietafel zitten bovendien ook de PVV en de BBB, twee partijen die helemaal af willen van het nieuwe stelsel.
Sommigen kunnen zich ook goed vinden in de kritiek. ‘Ik ben een leek he’, merkt een man op. ‘Ik houd mij vast aan een actuaris (pensioenwiskundige red.) als Agnes Joseph’, zegt hij. ‘Hoe kijken jullie naar de kritiek in de Kamer?’ Een andere aanwezige: ‘Ik zit hier met de vragen van Joseph in het achterhoofd. Die ziet allemaal spoken en beren.’
Van der Ploeg memoreert dat de vakbonden juist veel kritiek hadden op de strikte regels in het oude stelsel en daarom voor het pensioenakkoord waren waar deze nieuwe wet uit is voortgekomen. ‘Daarvoor heb ik nog in Amsterdam, Utrecht en bij weet ik veel hoeveel demonstraties gestaan’, zegt hij. ‘Nu zitten we in die nieuwe werkelijkheid’.
Die werkelijkheid staat niet ter discussie op deze woensdag in deze Utrechtse zaal, verduidelijken Van der Ploeg en Seesing. Maar wat nou als een meerderheid van de Kamer toch besluit de wet aan te passen, wil een vrouw in de zaal weten. ‘En dat gaat gebeuren, denk ik’, voegt ze er snel aan toe.
‘We houden ons altijd aan de wet’, zegt Van der Ploeg. ‘Als het gebeurt, dan komen we hier terug met een aangepast plan, ook als we het eigenlijk niet eens zijn met de wijziging’, verzekert hij. De pensioenadviseur wijst wel op de problemen die dat met zich mee zou brengen. ‘Sommige fondsen gaan in 2025 al over naar het nieuwe stelsel. Wetende dat een wetswijziging zo anderhalf jaar kan duren, redt de Kamer dat waarschijnlijk niet.’
Het brengt duidelijk de worsteling aan het licht waar vakbonden, werkgeversorganisaties maar bovenal pensioenfondsen nu mee te maken hebben. Terwijl de deadlines voor de overgang naar het nieuwe stelsel eraan komen, hangt de politieke onzekerheid over de wet nog altijd boven de markt.
Ondertussen is er veel aan gelegen om vakbondsleden in ieder geval van deze afspraken te overtuigen. Is een meerderheid van hen tegen, dan betekent dat immers vertraging in het toch al krappe proces. ‘Ik heb het gevoel dat we ja of ja moeten stemmen’, concludeert een toehoorder schamper na het positieve verhaal van de twee vakbondsmannen.
‘Als de grote meerderheid nee zegt, moeten we inderdaad terug naar de onderhandelingstafel. Dat zal een ingewikkeld proces worden’, antwoordt Van der Ploeg nuchter. Maar dat betekent allerminst dat het een referendum is over de wet, benadrukt hij. ‘Wij kunnen niet opnieuw onderhandelen over het stelsel’, besluit hij. ‘We hebben een wet, en die moeten we uitvoeren.’
Een van de belangrijkste wijzigingen in het nieuwe stelsel, is dat het pensioen afhankelijker wordt van rendementen op de beurs. In het huidige stelsel is de hoogte van het pensioen nog een soort belofte. Straks wordt het het verwachte pensioen een optelsom van ingelegde premie en rendement.
Om in het oude stelsel aan de belofte te voldoen, moesten fondsen grote buffers aanhouden. Die worden straks losgelaten. Dat betekent dat het pensioen sneller omhoog kan bij gunstige economische omstandigheden, maar ook eerder omlaag bij tegenvallers.
Daarnaast gaat iedereen in het nieuwe stelsel voor het eigen pensioen betalen. Nu is er nog de doorsneepremie, waarmee jongeren indirect de pensioenopbouw van oudere collega’s subsidiëren. De fondsen gaan nu beleggen naar leeftijd. Ben je jong en bouw je naar verwachting nog lang pensioen op, dan kan het geld langer renderen en kan het fonds met meer risico beleggen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant