Vrijdagmiddag bezocht ik met wat vrienden het onttakelde Louis Couperus Museum. Het initiatief was niet van mij uitgegaan, maar van iemand van wie ik vermoedde dat hij van onttakelde musea hield.
We werden ontvangen door Caroline de Westenholz, oprichter en geldschieter van het museum, die meteen vertelde dat ze was afgestudeerd op de dandy en dat naast Couperus de twee belangrijkste mannen in haar leven dandy’s waren: haar vader, eigenlijk stiefvader, een voordrachtskunstenaar uit het acteursgeslacht Vogel, en haar tweede man, Peter Nathaniel de Bruce ffrench-Hodges. Op de vraag hoe je een dandy wordt antwoordde ze: ‘Je bent het van binnen maar het helpt als je je snor afscheert.’
In haar boek De familie Von Westenholz – van kastelen tot casino’s schrijft ze over haar tweede man: ‘Hij vertelde me dat hij veertien romans geschreven had, een aantal libretto’s voor musicals en diverse toneelstukken, maar toen ik vroeg of hij ook iets had gepubliceerd, antwoordde hij: alleen drie kookboeken.’
Daarna wist ik dat Caroline de Westenholz mijn vrouw was, al zou ik mezelf nu nog hoogst ongaarne dandy noemen. Ze bleek weliswaar ernstig verarmd, dus financieel had ik niets aan haar. Soms weegt liefde zwaarder dan het kasboek.
‘We hebben een halve ton per jaar nodig’, zei Caroline. ‘Maar de gemeente Den Haag geeft ons geen subsidie meer. Shell, Van den Ende. Geen cent.’
Ik liet de naam Bas Heijne vallen en terwijl ik dat deed, besefte ik al dat die ook geen geld had.
‘Mijn tante Ellen zei, niets is zo dood als een dode acteur.’
Ik overwoog dat veel levende Nederlandse schrijvers ook heel dood kunnen zijn. Maar zo’n opmerking leek me niets voor iemand die een wedergeboorte nastreeft als dandy. Noem het morele ambitie.
Het leeggehaalde Louis Couperus Museum bleek de ideale plek om een dergelijke ambitie waar te maken.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant