Home

Schrijver Alfred Birney: ‘Nederlanders snappen nog steeds niet dat de Nederlandse geschiedenis een koloniale geschiedenis is’

Schrijver Alfred Birney, die voor De tolk van Java de Librisprijs kreeg, verdiept zich al zijn leven lang in koloniale en postkoloniale verhalen. Met de gebundelde stukken in zijn nieuwe boek Zwerfpost probeert hij het maatschappelijke debat vooruit te helpen.

Schrijver Alfred Birney (72) eindigt zijn net verschenen verzamelbundel Zwerfpost met een motie over de rijsttafel. Integraal afgedrukt. Als ‘samenvatting’ van het Kamerdebat op 14 juni 2023 over de Nederlandse koloniale oorlog in Indonesië. Een Kamerlid wilde vastleggen dat ‘woke’ de Indische rijsttafel niet racistisch mag noemen en dat het gerecht thuishoort op de lijst van Nederlands immaterieel erfgoed. Birney: ‘Dan ben je toch niet goed bij je hoofd?’ Schaterlach.

Het grote publiek kent Alfred Birney van De tolk van Java – de huiveringwekkende autobiografische roman waarmee hij na dertig jaar schrijverschap in de luwte op z’n 65ste ineens een Bekende Schrijver werd en in 2017 de Libris Literatuurprijs won. Er volgde een optreden bij Zomergasten in 2021, waar hij de harten van televisiekijkend Nederland stal. Giechelend (‘als de tragiek te groot wordt, ga ik lachen’) ontleedde hij Europa’s bedrevenheid om wrede koloniale geschiedenis onder het tapijt te vegen.

Over de auteur

Ianthe Sahadat is journalist bij de Volkskrant met bijzondere aandacht voor cultuur, literatuur en de Surinaamse en Caribische koloniale geschiedenis. 

Een leven lang al verdiept Birney zich in koloniale en postkoloniale verhalen. Zijn kennis haalt hij uit romans, historische werken en zijn eigen leven. Zijn nieuwe boek Zwerfpost (tussen Oost en West) is een selectie van eerder geschreven artikelen, columns, essays, brieven, reisverslagen, lezingen, schotschriften en schrijversportretten.

Het perspectief in de bundel is dat van de Indo (ooit een scheldwoord, inmiddels een gangbare term): de ‘gemengdbloedige’, nazaat van kolonisator (m) en gekoloniseerde (v). De bezetter verwekte een aanzienlijke schare nakomelingen bij de lokale bevolking, schrijft mede-Indo en schrijver Gustaaf Peek ter inleiding van Zwerfpost. ‘Deze kinderen van de lust (…) la­veerden vanaf geboorte tussen kleuren en culturen, identiteiten, macht en onmacht.’ Birney is een van hen.

Die ‘bespottelijke motie’ over de rijsttafel werd ingediend op de dag dat het in de Tweede Kamer ‘eindelijk’ – de laatste keer was in 1969 – ging over de koloniale oorlog die Nederland van 1945 tot 1949 voerde tegen Indonesië. ‘Zo’n motie illustreert voor mij de treurnis’, zegt Birney, terwijl hij water opzet in zijn keuken. ‘Ik doel natuurlijk op het schrijnende gebrek aan kennis van en interesse in de Nederlandse koloniale en postkoloniale historie bij de witte slash blanke Nederlanders.’

Witte slash blanke?

‘Ik heb nog wat moeite met ‘wit’ en ‘zwart’, dat leg ik ook uit in mijn boek. Ik ben net na de koloniale tijd geboren, toen iedereen ‘blank’ en ‘bruin’ zei. Maar we zijn al 75 jaar verder. Ik heb het trouwens veel over terminologie in mijn boek, maar dat weet je, want je hebt het gelezen. Kwam je er een beetje doorheen? Het is nogal een pakket.’

‘Het probleem met het postkoloniale debat in Nederland is dat er geen postkoloniaal debat is’, schrijf je (Birney wil getutoyeerd worden) in Zwerfpost.

‘Ik zal het genuanceerder zeggen: het postkoloniale debat in Nederland is afhankelijk van incidentele oprispingen. En het zijn bijna altijd de ‘Indische’ (maakt aanhalingstekens in de lucht), Surinaamse en Caribische immigranten en hun nazaten die iets aankaarten. Terwijl de verantwoordelijkheid ligt bij alle mensen die het publieke debat bepalen en het onderwijs vormgeven. Politici, bestuurders, schrijvers, recensenten, journalisten, academici, al die lui.

‘Daar gaat Zwerfpost over: dat Nederlanders nog altijd niet snappen dat de Nederlandse geschiedenis een koloniale geschiedenis is.’

Dan, opgewekt: ‘Thee?’ Hij schenkt een kopje Chinese groene thee in. ‘Spekkoek heb ik ook. Of wil je die later?’ Grinnikend: ‘Dan heb je nog iets om naar uit te kijken.’

Birney was die 14de juni speciaal vroeg opgestaan voor het Kamerdebat. Wie De tolk van Java heeft gelezen, weet: Alfred Birney slaapt pas in als de ochtend gloort. In de nachtslaap komt de schim van zijn door oorlog getekende gewelddadige vader spoken, die zijn trauma’s botvierde op zijn Brabantse vrouw en vijf kinderen. Daar begint Birney niet aan. Dus slaapt hij overdag.

Eindelijk zouden ‘de weggemoffelde wandaden van Nederlandse militairen in een land dat niet meer van hen was’ worden besproken in de Tweede Kamer. Een jaar eerder was een omvangrijk onderzoek verschenen (twaalf boeken in totaal), uitgevoerd door zeventien onderzoekers van drie overheidsinstellingen.

De conclusie luidde, vrij samengevat, dat de pijnlijk eufemistische term ‘politionele acties’ definitief de prullenbak in kon, samen met het sinds 1969 geldende officiële Nederlandse regeringsstandpunt dat, op wat ‘excessen’ na, ‘de krijgsmacht als geheel zich correct heeft gedragen’.

Nederlandse militairen gebruikten structureel extreem geweld zoals executies, martelingen en het in brand steken van dorpen. Het resultaat: naar schatting 100 duizend gedode Indonesiërs. Aan Nederlandse zijde vielen enkele duizenden doden.

Birney zit op een van de twee klapstoelen aan de keukentafel (‘hier schrijf ik ook’). De schrijver bewoont een sober ingerichte bovenwoning nabij het Haagse Zeeheldenkwartier (‘ik zeg altijd Zeeroverskwartier’). Verder: een stoel om in te lezen, gitaarkoffers en een wandvullende boekenkast, waar Birney tijdens het gesprek regelmatig naartoe zal lopen (‘Ken je dit boekje? Nee? Dat is maar beter ook’).

Je had meer van het debat verwacht?

‘Je denkt toch: nu gaan ze over iets wezenlijks praten. Dan mag je verwachten dat ze iets gelezen hebben. Maar dat bleek nergens uit. Dat onderzoek heeft 4,1 miljoen gekost, volgens mij hadden de Kamerleden zelfs de samenvatting niet gelezen.

‘Vervolgens gaat het over de grootvader van een minister die in een Japans interneringskamp had gezeten en hoe erg dat was. Noemden ze allemaal een ‘jappenkamp’ trouwens. Maar ‘jap’ is een scheldwoord, net als ‘mof’.

‘Los daarvan, die kampen, dat is dus van vóór 1945. Daar zaten de Nederlanders in, dus dan plaats je de Nederlanders meteen in een slachtofferpositie. Terwijl dit debat nou eindelijk eens moest gaan over hun rol als daders. Nou, dan begint iemand natuurlijk over het Knil, het koloniale leger. Zit je dus weer verkeerd, want die militairen gaven zich in 1945 meteen over. Het waren ándere jongens. Meer dan 100 duizend vers gerekruteerde jongens, die ernaartoe zijn gestuurd om te vechten tegen de Indonesische revolutionairen. En dan komt er ook nog zo’n man van een vaag splinterpartijtje met een neokoloniale motie over de rijsttafel.’

Ineens: ‘Ik werd eens, in verband met mijn roman In de wacht, van etnisch profileren beticht. Maar onder multicultureeltjes is het heel normaal om te vragen hoe de etnische roerbakmix in elkaar zit. Dat hebben wij net ook gedaan. Heel gedoe om dat toen voor de radio uit te leggen.

‘Multicultureeltje, dat is een troetelwoordje dat ik gebruik voor alle kinderen uit de tweede generatie, half of heel, Turks, Iraans, Marokkaans, maakt niet uit. Vind je het wat?’

Ik vind het wel lief klinken.

‘Gelukkig, anders zeg ik het niet meer, hoor.’

Een gesprek met Birney voltrekt zich in grote lijnen zoals Zwerfpost leest: scherp en geestig, soms onnavolgbaar meanderend, doorspekt met op het oog willekeurige anekdotes en details, die via een omweg toch voor iets groters blijken te staan.

In het boek ook veel vertrouwde Birney-elementen: een vleugje Chinese astrologie, gemopper, vegen uit de pan en uitjes. Met een clubje Indo’s en ‘verindischten’ naar de Pasar Malam in Hengelo of op Amerikaans congres-avontuur met Marion Bloem. (Bij de gate: ‘Bloem kwijt.’)

Hebben we de afgelopen decennia enige vooruitgang geboekt, met de Nederlandse blik op het koloniale verleden?

Begint hard te lachen. ‘Nee, zonder dollen, ik ben best optimistisch. We hebben steeds meer intellectuelen met een multiculturele achtergrond, academici, leraren, schrijvers en journalisten. De multicultureeltjes gaan steeds meer meedoen. Dat is eigenlijk de enige manier om die kennis een beetje te verspreiden. Want die hebben per definitie een bredere kijk op de Nederlandse geschiedenis. Daar heb ik mijn hoop op gevestigd, die zorgen ervoor dat het verhaal eindelijk wordt verteld.

‘Daarom vind ik zo’n Kamerdebat ook zo erg. Eén grote poppenkast voor de bühne. Nu kunnen ze zeggen: we hebben serieus aandacht geschonken aan deze zwarte bladzijde en daarmee is het over en uit. En het heeft verder nul invloed op het geschiedenisonderwijs. Daar gaat het gewoon weer over kruidnagels, de Gouden Eeuw en dan door naar het Palingoproer.’

Denk je dat echt?

‘Nou, zo is het heel lang gegaan. Het ging over handel drijven, zeeslagen met de Engelsen, niet over het uitmoorden van alle inwoners van de Banda-eilanden door Jan Pieterszoon Coen. Daarom word ik ook zo boos over de term ‘Indisch zwijgen’. De mensen die uit Nederlands-Indië kwamen, zwegen niet. Er is gewoon niet naar onze ouders geluisterd.

‘Ze kregen geen stem op radio of tv, niet in kranten. Ze werden gedwongen om hun verhaal binnenskamers te houden. Natuurlijk spraken mensen wel met elkaar. Dat hele ‘zwijgen’ is de blik van buitenaf, dat is een neokoloniale term. Zo bleef de geschiedenis in de familiesfeer hangen, inclusief een lawine aan boekuitgaven in eigen beheer. Intussen lezen scholieren al tachtig jaar dezelfde ‘klassiekers’.’

Je bedoelt Max Havelaar en Oeroeg? De novelle van Hella Haasse noem je ‘een tuttig eurocentrisch romannetje’.

Birney gniffelt. ‘Het gaat me niet om Hella Haasse. Maar wat kennen de mensen? Multatuli, Haasse, De stille kracht van Couperus, Orpheus in de dessa van Augusta de Wit. Allemaal geschreven vanuit het koloniale perspectief. Neem de Max Havelaar, literair gezien meesterlijk, maar dat zou een antikoloniaal pamflet zijn. Wat een onzin! Dat gaat dan over de laatste drie pagina’s, hè.

‘Geef die scholieren Winarta van Basuki Gunawan. Dat is een novelle uit 1954 over de Indonesische revolutie vanuit het perspectief van een Indonesiër. In het Nederlands geschreven. Een juweel! Zit vol fijnzinnige humor, bespiegelingen en onaangename scènes – het was wel oorlog, dus er worden kelen doorgesneden en mensen gefusilleerd. Dat ligt al zeventig jaar geduldig op een leespubliek te wachten. Ook zeer geschikt voor lezers die niet van dikke boeken houden.’

Een andere schrijfster die je noemt, is Dé-Lilah. Wie is zij?

‘Dé-Lilah was een van de eerste Indo-Europese schrijfsters. Ze heeft een glorieuze blik op de multiculturele en -raciale koloniale samenleving, ze doorziet alle rangen en standen. Het is pulpfictie, maar van hoge kwaliteit. Tussen 1897 en 1901 schreef ze een paar duizend bladzijden over vrouwenlevens, de verdeel-en-heerspraktijken in de kolonie en de beestachtige wijze waarop Aziaten door Europeanen werden behandeld. Plus hoe de kinderen van deze volkeren zich daartussen een weg moesten zien te vinden.

‘Ze schreef ook over de njai, het Maleise woord voor huishoudster, of ‘concubine’. Daar kregen al die mannen kinderen mee. Elke Indo heeft zo’n voormoeder in de familie. Dé-Lilah zet een contrapunt op het perspectief van de Europeaan, die die meisjes als golddiggers neerzetten.

‘Niemand leest haar boeken. Want die voldeden niet aan de literaire eisen van de Nederlandse literatuurwetenschappers. Dus werden ze niet onderzocht, niet gecanoniseerd en belandden ze ook nooit op leeslijsten.’

Birney gebruikt consequent het woord ‘Indo’ en niet ‘Indisch’. ‘Indisch’ ziet hij als een culturele aanduiding, niet als een etnische. ‘Ik hoor mensen weleens zeggen dat ze een achtste Indisch zijn, maar dat kan dus niet. Ze zijn gewoon Indo. Toen ik kind was, was het een scheldwoord. Zei iemand Indo tegen je, was het gelijk vechten. In de jaren zeventig werd het een geuzennaam. Toen had je van die buttons met I.N.D.O. erop, ‘in dit land door omstandigheden’. Vond ik mooi.

‘Dat was trouwens in de tijd van de Molukkers. Ineens vonden Indo’s het van belang om te laten zien dat wij anders waren. Ik was daar niet zo van. Ik snapte de Molukkers wel en het zijn gewoon mijn broertjes.’

Een van de clichés waartegen je ageert in je boek is ‘tempo-doeloeproza’, nostalgische romans over de ‘goede oude’ koloniale tijd.

Tempo doeloe verwijst naar een vrij specifieke periode, van 1870 tot 1900. Daarna kwamen er verse Europeanen naar de kolonie die niet meer ‘verindischten’. Die spraken geen Maleis, droegen geen sarong, lieten boerenkool uit Nederland importeren, want ze lustten geen rijst. Dus kreeg je schrijvers die met weemoed over een verloren gegaan Indië schreven. Hebben ze lang volgehouden, hoor. Daar zijn hele generaties, geboren in Nederland, mee grootgebracht.

Staat ineens op, loopt naar zijn boekenkast. ‘Je gelooft het niet, maar ik kan zo vijf boeken pakken, van derde-generatie-Indo’s die honderd jaar later nog steeds dwepen met de mooie natuur en de verleidelijke inheemse meisjes.’ Bladert in een boek. ‘Hier: ‘lieflijk Indië’. Is vorig jaar verschenen – zo’n boek gooi ik direct in de hoek.’

Na een korte stilte: ‘Surinaamse schrijvers zouden het toch niet in hun hoofd halen om te schrijven over mooie gebruinde ruggen van ploeterende Afrikanen op een suikerrietplantage? Die vinden geen uitgever, hoor. Als het over Indië gaat, drukken ze alles af.’

Je was ook niet erg positief over Revolusi, het boek van David Van Reybrouck, dat door recensenten lovend is besproken. ‘Kuifje op Java’, noem je het.

‘Ik dacht: leuk, een Vlaming die de Nederlanders eventjes de les komt lezen. Maar niets van dat al. De historici naar wie hij verwijst – allemaal achterhaalde studies. Ik spreek ook geen Bahasa, maar als je naar Indonesië gaat om heel oude mensen te spreken, wat ik op zich een aardig idee vind, leer dan de taal. Kom voorbereid. Dat blijkt niet uit die gesprekken. Ik verwijt hem dat hij ongehinderd door goede voorkennis lukraak mensen is gaan interviewen en vervolgens op handen wordt gedragen.’

Waarom is hij dan zo bejubeld?

‘Omdat mensen helemaal niets weten. Ik klink misschien arrogant, maar ik lees in zijn boek dat hij niet gevoelig is voor nuanceverschillen tussen de mensen die hij tegenover zich heeft. En hij snapt ook niet dat mensen tegenover een belanda (Maleis voor ‘wit’ persoon, red.) nooit het achterste van hun tong zullen laten zien.’

Straks heb je met iedereen ruzie.

Schouderophalend: ‘Nou, de eerste generatie Indo’s wilde me toch al nooit. Ik werd als linkse Indo gezien. Tot de Libris. Toen steeg ik in aanzien, was ik ineens de Indo die de Libris wint.’

Is je leven erg veranderd sinds je doorbraak?

‘Nou, ik leef nog steeds als kluizenaar. Het is leuker om een bekende schrijver te worden als je in de 30 bent. Ik was al 65, dan heb je niet meer zo veel puf om regelmatig lezingen te verzorgen.

‘Op straat roept iemand soms wat. Laatst nog, in Scheveningen. Twee Turkse jongens, volgens mij, herkenden me van achteren. Meneer Birney! Wat krijgen we nou, dacht ik, want ze zaten in mijn dode hoek. Fietsten langs, duimen omhoog. Dat vond ik wel leuk. Want ook zij zijn geïnteresseerd in Neerlands koloniale geschiedenis. Hoe zou dát nou komen?’

Wie is Alfred Birney?

Alfred Birney (20 augustus 1951, Den Haag) groeide deels op in internaten (na zijn 13de) en leidde tot zijn 25ste een zwervend bestaan. Hij verdiende zijn geld als gitaarleraar en muzikant tot hij zijn hand blesseerde. In 1984 won hij een dierenverhalenwedstrijd van de Volkskrant, met zijn verhaal ‘De brave mol’. In 1987 debuteerde hij met de roman Tamara’s Lunapark. Voor De tolk van Java kreeg hij de Libris Literatuurprijs. Hij schreef een twintigtal boeken, vele artikelen en columns.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next