Na het zien van de klimaatdocumentaire An Inconvenient Truth nam Tim Fransen radicaal afstand van zijn ‘oppervlakkige’ vrienden. Hij kreeg de obsessieve neiging de wereld helemaal te begrijpen, om er daarna zinnige dingen over te kunnen zeggen. ‘Uiteindelijk zijn we zonder briefing op aarde neergezet, dus is het wel goed om alles een beetje te onderzoeken.’
‘Ik doe nog even mijn pantoffeltjes aan’, zegt filosoof en cabaretier Tim Fransen vlak voordat hij plaatsneemt voor het interview. ‘Schrijf dat maar niet op. Dat is niet goed voor mijn imago, ik ben toch die bad boy uit de Bijlmer.’
Fransen (36), die weliswaar opgroeide in Amsterdam-Zuidoost, wordt eerder geassocieerd met het tegenovergestelde: in elk van zijn drie cabaretvoorstellingen heeft hij stilgestaan bij zijn cum laude afstuderen in de filosofie. ‘Dat betekent dat je een 8 gemiddeld moet hebben gehaald’, zei hij in 2015 in zijn eerste show, Het failliet van de moderne tijd. ‘Je kunt dus weleens een 7 halen, maar die moet je dan compenseren met een 9. En ik wil niet opscheppen, maar ik heb tijdens mijn studie behoorlijk wat zesjes gehaald.’
In elke show sta je even stil bij je cum laude afstuderen. Is dat uit ijdelheid?
‘Zeker. Ik maak er altijd een grapje bij, maar dat is ook een excuus om het weer even te laten vallen. Bovendien zet ik mezelf graag neer als iemand die het in theorie zogenaamd allemaal zo goed weet, maar die in de praktijk een kluns is of die vervalt in de meest banale gedachten.’
Fransen is geen bad boy maar een huiselijke boekenwurm, blijkt ook uit een bezoek aan het appartement dat hij deelt met zijn vriendin, vlak bij het Olympisch Stadion in Amsterdam. Achter de voordeur ligt een ‘spuuglelijke deurmat’ (zijn woorden) met daarop ‘amor fati’, ‘liefde voor het lot’, een term van de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche. Rechts van de hal bevindt zich Fransens studeerkamer, waarin te midden van twee boekenkasten zijn blauwe, op maat gemaakte leesstoel staat, inclusief opblaasbare ondersteuning voor zijn holle onderrug.
In de keuken haalt hij knapperige vanillemuffins uit de oven. ‘Sorry, we hadden natuurlijk met het kaasragoutbroodje moeten beginnen. Eerst hartig, dan pas zoet.’ Uit een gietijzeren potje schenkt hij groene thee.
Ook in de woonkamer staat een boekenkast, waarin werken te zien zijn van onder anderen Steven Pinker, Hans Rosling en Maarten Boudry, schrijvers die hebben betoogd dat de wereld er beter voor staat dan ooit.
In zijn nieuwe boek, In onze tijd: Leven in het Calamiteitperk, dat dit weekend verschijnt, schrijft Fransen dat dit beeld gevaarlijk eenzijdig is. Ja, we zijn rijker, veiliger en leven langer dan ooit, stelt hij, onder meer door verbluffende wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen. Maar de keerzijde daarvan is dat de wereld van nu wankelt.
Bijvoorbeeld door de aanwezigheid van destructieve wapens. Fransen citeert in zijn boek Albert Einstein: ‘De mensheid heeft de kernbom uitgevonden, maar geen muis zou ooit de muizenval ontwikkelen.’ En dan is er nog de ecologische ontwrichting. Hier verwijst Fransen naar de Canadese astrofysicus Hubert Reeves, die zei: ‘We verkeren in oorlog met de natuur. Als we winnen, zijn we verloren.’
De problemen zijn weliswaar oplosbaar, maar dat is niet eenvoudig, schrijft Fransen. En dat komt weer door het onderliggende idee van de liberale vooruitgangsideologie, die suggereert dat het nastreven van eigenbelang vooral een deugd is die uiteindelijk ten goede komt aan de maatschappij (of: de markt). Van de burger wordt verder weinig verwacht.
In zijn boek pleit Fransen voor een morele en maatschappelijke omwenteling: om onze samenleving weerbaar te maken in het ‘Calamiteitperk’, schrijft hij, moet er onder meer een rechtvaardig belastingstelsel komen, een internationale grondwet, een herwaardering van ‘cruciale beroepen’ als onderwijzer, en een actievere vorm van burgerschap. ‘Een samenleving die voornamelijk bestaat uit burgers die zich vooral bekommeren om hun cryptowallet, nooit een krant openslaan, genoegen nemen met de desinformatie die sociale media ze voorschotelt, en die zich meer betrokken voelen bij de series die ze kijken dan bij de maatschappij waarin ze leven, is weinig weerbaar.’
Fransen verwijst in zijn betoog naar denkers als Aristoteles, Thomas Piketty, Kate Raworth, Immanuel Kant en Benjamin Constant. Toch wordt het nergens loodzwaar. Dat is te danken aan zijn heldere schrijfstijl én aan alle typische Tim Fransen-grapjes die hij erin heeft gestopt. Zo schrijft hij over het allereerste leven op aarde: ‘Het stelde weinig voor, het waren microben die niet eens beschikten over een celkern. (Losers.)’
Hij wisselt zware onderwerpen graag af met lichte. Dat doet hij al sinds hij in 2015 doorbrak met zijn eerste show, Het failliet van de moderne tijd. ‘Fransen combineert moeiteloos twee werelden: Chopin en Mariah Carey, Nietzsche en een bamischijf, in een van de meest sprankelende cabaretervaringen van de afgelopen jaren’, schreef de Volkskrant in een vijfsterrenrecensie.
Met zijn tweede voorstelling, Het kromme hout der mensheid, waarin Napoleon Bonaparte, Ludwig van Beethoven en Immanuel Kant centraal stonden, won hij in 2018 de belangrijkste cabaretprijs, de Poelifinario, in de categorie engagement.
Dat Fransen zich zorgen maakt over de wereld, kwam het duidelijkst naar voren in zijn laatste show, De mens en ik, die ook vijf sterren van de Volkskrant kreeg en in 2022 ook de Poelifinario voor engagement won. ‘Voegt de mensheid meer goeds toe aan het universum, of juist meer leed en ellende?’, vroeg hij zich daarin af.
‘Ik denk dat de mens heel goed in staat is om altruïstisch te zijn’, zegt Fransen, als hij met een vanillemuffin heeft plaatsgenomen op de hoekbank. ‘Maar dat gaat niet vanzelf, dat is een eigenschap die we moeten cultiveren. En de afgelopen decennia hebben we precies het tegenovergestelde gedaan: we hebben een marktsamenleving ingericht waarin mensen hun egoïstische verlangens kunnen volgen. Uiteindelijk zou de wereld daar niet alleen welvarender, maar ook democratischer van worden.
‘Vlak na mijn geboorte schreef Francis Fukuyama (politicoloog en filosoof, red.) over ‘het einde van de geschiedenis’. De grote ideeënstrijd was gestreden, de liberale democratie had gewonnen. Maar door te doen alsof dat een vanzelfsprekend eindstation was, hebben we onderschat dat een democratie ook afhankelijk is van burgerlijke deugden. Hoor hoe ouderwets en stoffig dat soort concepten klinken: deugdzaamheid, morele verantwoordelijkheid. Inmiddels is het ook al behoorlijk geaccepteerd als mensen zeggen dat ze het nieuws niet meer volgen omdat ze dat deprimerend vinden. Alsof dat een houdbaar standpunt is in een democratische samenleving, dat we er moedwillig voor kiezen ongeïnformeerd te blijven.’
Je schrijft dat je het niet eens bent met Roxane van Iperen, auteur van een opiniestuk met de titel Een duurzame wereld begint niet bij jezelf.
‘Natuurlijk is goed overheidsbeleid essentieel. Maar ik denk dat de overheid in een gezonde democratie een verlengstuk moet zijn van de waarden van haar burgers. Als een bevolking grotendeels onverschillig staat tegenover problemen, of daar niks voor wil inleveren, lijkt het mij volstrekt ongeloofwaardig dat diezelfde mensen gaan stemmen op partijen die beloven rigoureus in hun levens te gaan ingrijpen. Als zulke partijen aan de macht dreigen te komen, komt er protest. De enige verkiezingen waarbij klimaat het hoofdthema was – er deden geruchten de ronde over verplichtingen voor een warmtepomp en een belasting op vlees – waren de Provinciale Statenverkiezingen van 2019. Wie won? Forum voor Democratie, samen met de PVV de enige partij die het klimaatprobleem geheel ontkent. Bij de Provinciale Statenverkiezingen van 2023 zagen we min of meer hetzelfde. Het hoofdthema was het stikstofdossier. Wie won? De BBB, de partij die alle stikstofmaatregelen van tafel wilde.’
Ik wil je niet meteen van hypocrisie beschuldigen, maar over een week vlieg je voor een vakantie naar Japan. Welke offers breng jij?
‘Dat is een legitieme vraag en ook ik denk vaak aan de hypocrisiebeschuldiging. Soms wordt er gedaan alsof het een keuze is tussen morele perfectie en hypocrisie. Maar perfectie is voor ons mensen niet weggelegd. Dus de enige manier om niet hypocriet te zijn is om er helemaal geen principes op na te houden. In een van mijn shows zeg ik dat het daarom eerder een keuze is tussen hypocrisie of cynisme – dat je überhaupt geen poging onderneemt het goede te doen.
‘Maar over Japan heb ik dus lang nagedacht. Ik heb een testje gedaan om erachter te komen wat mijn ecologische voetafdruk is. Gelukkig is die laag. Ik heb al vijf jaar niet meer gevlogen, ik eet voornamelijk plantaardig, we hebben zonnepanelen op het dak, ik douche elke dag koud, ik heb geen auto, naar al mijn shows ga ik met het openbaar vervoer.
‘In plaats van dat we elkaar de maat nemen, vind ik dat we als samenleving een gesprek moeten voeren over wat acceptabel is: één keer vliegen in de twee, drie, vijf jaar? We kunnen de discussie niet afdoen door te wijzen naar onze individuele vrijheid, want als ik vlieg, heeft iedereen daar last van. Aan de andere kant van de wereld, in arme landen die de gevolgen van klimaatverandering nu al heftiger ondervinden, nog meer dan hier.’
‘Er zijn meerdere redenen waarom ik naar Japan ga, maar ik hou ervan om een soort doel of thema te koppelen aan een reis. De psychiater en Holocaust-overlevende Viktor Frankl schrijft in De zin van het bestaan: ‘Sinds Auschwitz weten we waar de mens toe in staat is. Sinds Hiroshima weten we wat er op het spel staat.’
‘Ik wilde graag Hiroshima bezoeken, de eerste plek waar een atoombom is gebruikt tegen mensen. Later dit jaar, in juni, ga ik met mijn vader naar Auschwitz. Dus daarna weet ik als het goed is waar de mens toe in staat is, en wat er op het spel staat. Misschien wil ik daar nog iets mee in mijn volgende voorstelling. Dat belooft dus alvast een vrolijk avondje cabaretteketet.’
Twee weken later stuurt hij een mail vanuit Hiroshima: ‘Door de hele stad staan monumenten en gedenktekens, niet zelden begeleid door een oproep voor wereldvrede en de afschaffing van kernwapens. Doorgaans beschouwen we het ideaal van wereldvrede als iets naïefs, een luchtkasteel. In de film Miss Congeniality met Sandra Bullock zit een grappige montagescène waarin alle deelnemers van een missverkiezing ‘world peace’ noemen als de enige wens die ze graag in vervulling zouden laten gaan. Hier in Hiroshima voelt die roep om wereldvrede en de afschaffing van kernwapens niet naïef, maar als de enige vanzelfsprekende conclusie.’
Je moeder Mariska vertelde dat je op de middelbare school nog helemaal niet bezig was met de wereld om je heen. Klopt het dat dat veranderde door An Inconvenient Truth, de klimaatdocumentaire van Al Gore uit 2006?
‘Ik leidde toen een onbekommerd leven: ik deed veel aan vechtsport, speelde spelletjes op de Xbox en vertrouwde erop dat het met de rest van de wereld wel goed zat.
‘Die film zag ik eigenlijk in snippers. Ik werkte bij de bioscoop, Pathé Arena, vaak als schoonmaker. Maar soms was er geen zaal uitgelopen waar ik de popcorn kon opvegen en had ik even tijd om een paar minuten van een film mee te pakken. En bij An Inconvenient Truth raakte ik gebiologeerd: in de jaren negentig hadden we gehoord dat alles alleen maar beter zou worden – en nu bleek er ineens een gigantisch groot probleem te zijn.
‘Wat ik veelzeggend vond: soms werd die film wel gedraaid, maar zat er letterlijk niemand in de zaal. De meeste mensen wilden niet horen dat onze westerse levensstijl op losse schroeven was komen te staan. Daarom was die titel ook zo goed gekozen.’
Volgens je moeder nam je in de periode daarna radicaal afstand van je vrienden. ‘Die jongens zijn oppervlakkig’, zei je tegen haar. ‘De wereld gaat naar de klote, maar het interesseert ze niet.’
‘Vanaf dat moment had ik inderdaad het idee dat ik op een andere wereld leefde. Met de computerspelletjes ben ik radicaal gestopt. Ik zit hier tegen virtuele monsters te vechten, dacht ik, terwijl er genoeg onrecht in de echte wereld is waartegen ik me moet verzetten. In het begin had ik wel een beetje een messiascomplex. Als niemand de wereld redt, moet ik dat maar gaan doen, dacht ik.’
Hoe ging je dat doen?
‘Niet per se de dingen die in zo’n geval logisch zijn, haha. Ik ben er boeken over gaan lezen. Ik kreeg de obsessieve neiging de wereld helemaal te begrijpen, zodat ik er daarna zinnige dingen over kon zeggen.’
Zei je tegen je vrienden dat je ze niet meer hoefde te zien, omdat ze zo oppervlakkig waren?
‘Ik voerde tirades tegen de rest van de wereld, maar dat bleef allemaal in mijn eigen hoofd. Dat is denk ik de ongelukkige combinatie die ik belichaam: aan de ene kant ben ik een moralist, aan de andere kant heb ik een grote angst om moralistisch over te komen.’
Je moeder zei dat je haar wel hebt geconfronteerd met het feit dat ze nog vlees eet.
‘Bij mijn moeder durfde ik dat nog wel aan, ja. Die arme ouders, die zijn altijd de lul.’
Je kampte met een klimaatdepressie avant la lettre, schrijf je in de inleiding van je nieuwe boek. Hebben je studies psychologie en filosofie je daarvan afgeholpen?
‘Ik ben daardoor milder geworden. Ik was de archetypische idealist die de wereld bezag in termen van goed en kwaad. Maar de morele werkelijkheid is complexer dan dat.
‘Ons brein is pas veertigduizend jaar oud, leerde ik bij psychologie. Destijds leefden we in groepen van misschien 150 mensen. Nu moeten we ons ineens bekommeren over CO2, of moeten we nadenken welke impact ons niet-ecologische toiletpapier heeft op de rest van de wereld. Ons oerbrein is helemaal niet op zulke abstracties ingesteld. Wat de moderne wereld van ons vraagt, is gewoon ingewikkeld.
‘Wat ook hielp, was dat ik op de universiteit gelijkgestemden tegenkwam. We vormden een clubje en noemden onszelf de Broeikasgasten. Zal ik het kaasragoutbroodje trouwens in de oven stoppen?’
Aan het einde van zijn studententijd kwam hij nog een andere geestverwant tegen, filosoof René Gude. Hij leerde de toenmalige Denker des Vaderlands kennen via een gemeenschappelijke vriend, cabaretier Theo Maassen. ‘Theo en ik presenteerden in de comedyclub Toomler een avond Stand-up Filosofie en René beantwoordde vragen uit het publiek. Aan het einde vroeg ik hem of hij het leuk zou vinden om een keer samen een kopje thee te drinken. ‘Jazeker, want we hebben een hoop te bespreken!’, zei hij toen. Het was meteen warm.
‘Normaal groeit zo’n vriendschap geleidelijk, maar destijds was al duidelijk dat René vanwege zijn botkanker terminaal ziek was. Daardoor voelde het meteen alsof er geen reserve meer was en stelden we onszelf helemaal open.
‘Ik worstelde in die tijd met de vraag hoe ik filosofie naar het podium kon brengen, daarin was hij een enorme inspiratie. Hij wist filosofie smakelijk te maken, het tegenovergestelde van hoogdravend. Zijn definitie ervan was ‘efficiënt tobben’. En hij leerde me dat de grote filosofen niet de waarheid in pacht hadden, maar gewoon mensen waren die worstelden met het leven en instrumenten ontwikkelden om daarmee om te gaan, instrumenten die ons ook vandaag van pas kunnen komen.
‘Hij moedigde me aan om mijn favoriete filosofen achterna te reizen, omdat ik zo dichter bij ze kon komen. Na mijn bezoek aan Röcken, het geboortedorp van Nietzsche, snapte ik ineens waarom hij zoveel schrijft over eenzaamheid en sterke versus zwakke mensen; hij kwakkelde zijn hele leven en moest soms dagenlang in bed liggen met migraine.’ Brieven aan Koos, het eerste boek van Fransen, gepubliceerd in 2018, is een verslag van zijn reizen.
‘Tim is het leven na mijn dood’, zei Gude eind 2014 in een tv-programma, enkele maanden voor zijn overlijden. Hoe interpreteer je die opmerking?
‘Ik heb uit die woorden nooit begrepen dat hij mij zag als zijn opvolger ofzo. Eerder las ik er Renés filosofie over sterven in: tijdens ons leven zetten we allerlei dingen in beweging die na onze dood nog doorgaan, voortleven, als de rimpels in een vijver nadat je er een steen in hebt gegooid. René zag mij vermoedelijk als een van die rimpels. Nog steeds ontzettend eervol, maar gelukkig niet de loodzware verantwoordelijkheid om zijn schoenen te vullen, want dat was me sowieso niet gelukt.’
Als hij terugkomt uit de keuken en een hap van het kaasragoutbroodje neemt, blijkt het een appelflap te zijn. ‘Nou ja, een kat in de zak. Maar qua etiquette ben ik wel blij. We hebben nu niet eerst iets zoets en dan iets hartigs, maar gewoon twee keer iets lekker zoets.’
Je bent stressgevoelig, vertellen je vrienden. Is cabaretier dan wel zo’n logisch beroep?
‘In de loop der jaren lijk ik wat meer last te krijgen van de lichamelijke stress. Vroeger kwam ik na optredens goed in slaap. Maar nu moet ik ’s avonds na ieder optreden nog een half uur op de spinningfiets zitten, ook als ik om half 2 uit Groningen thuiskom. Anders zit er nog te veel spanning in mijn lijf. Ik heb een tijdje met zo’n meetkastje rondgelopen omdat mijn hart veel overslagen maakte. Mijn huisarts heeft toen tegen me gezegd dat ik met de stressgevoeligheid van mijn lichaam beter postbode had kunnen worden. Mijn huisarts heeft blijkbaar geen benul hoe moordend de concurrentie is in de postbezorgingsbranche.’
Waarom ben je toch cabaretier geworden?
‘Dat vraag ik me ook weleens af. Het is ook niet zo dat ik de onstuitbare drang heb om op een podium te staan. Ik ben best verlegen, in sociale gezelschappen treed ik niet op de voorgrond.
‘Als ik in een gezelschap de aandacht opeis, voelt dat al snel als een vorm van dominant gedrag. Maar daarom vind ik de afspraak in een theater zo fijn: de komiek praat, het publiek luistert – niet voor niets zijn best veel cabaretiers sociaal een beetje onhandig.’
‘Ik geloof oprecht niet dat ik bijzonder ben’, zei je in een eerder interview.
‘Vanuit mijn opvoeding heb ik heel sterk meegekregen dat ik niet beter ben dan wie dan ook. Maar als ik op een podium sta en honderden mensen kijken naar me, dan moet daar natuurlijk wel een reden voor zijn. Daarom verplicht ik mezelf alles zo serieus mogelijk te nemen, om zo toegewijd te zijn dat ik die aandacht op mág eisen. En als ik het even niet waarmaak, dan ligt er algauw diepe schaamte op de loer, het gevoel dat ik ten onrechte de aandacht op me vestig.’
Ben je minder verlegen geworden door alle erkenning die je krijgt?
‘Ik heb misschien iets meer zelfvertrouwen gekregen. Maar voor introverte mensen zoals ik kost het energie om sociaal te doen en dat heb ik nog steeds. Laatst waren mijn vriendin en ik op een bruiloft met allemaal leuke mensen. Maar op een gegeven moment moet ik een kwartier lang op het toilet met de bril omlaag een artikel gaan zitten lezen omdat ik van alle sociale prikkels zo uitgeput raak. Dat vond ik ook spannend aan samenwonen: ik heb een grote behoefte om alleen te zijn, in mijn eigen wereld, met mijn eigen gedachten.’
Fransen woont sinds twee jaar voor het eerst samen, met zijn vriendin, een huisarts in opleiding. Hun relatie begon met een bezoek, een jaar of zes geleden, van haar ouders aan De Kleine Komedie in Amsterdam. Zij vertelden hun dochter dat ze een jongen, Tim Fransen, hadden zien spelen die helemaal haar type was – vooral zijn pianospel maakte indruk. Een jaar later, toen ze per toeval contact had met Kasper van der Laan, een andere cabaretier, vroeg ze het nummer van Fransen.
‘In een van haar eerste berichten stuurde ze dat haar ouders van plan waren haar aan mij uit te huwelijken’, zegt Fransen. ‘Ik stuurde terug dat we dan misschien alvast over de bruidsschat konden onderhandelen.’
De eerste date liet lang op zich wachten. ‘Ik was terughoudend. Stiekem had ik natuurlijk even op Instagram gekeken en ik zag dat ze onderzoek deed naar kinderkanker, maar verder wist ik eigenlijk niks van haar. Dus vroeg ik haar pas na een aantal maanden appen of ze een keertje met vriendinnen naar Toomler wilde komen. Dan zou ik, als het helemaal niet leuk zou worden, snel naar huis hebben gekund.
‘Ik was alleen helemaal vergeten dat zij er die avond zou zijn en testte allemaal nieuw materiaal uit. Dat viel niet erg in de smaak bij het publiek: ik ging behoorlijk op mijn bek.
‘Toen ik na afloop van de show mijn jas had aangetrokken om naar huis te gaan, zag ik aan de bar ineens het meisje zitten dat ik herkende van Instagram. Toen ben ik bij haar en haar vriendinnen gaan zitten.’
Hoe was de eerste ontmoeting met je schoonouders?
‘Wie voor de eerste keer naar zijn schoonfamilie gaat, moet natuurlijk zijn beste beentje voor zetten om die een beetje te overtuigen. Maar zij waren al overtuigd. Sterker nog: zij hadden mij getipt, dus ik kon de rollen omdraaien.’ Lachend: ‘‘Wat doen jullie eigenlijk voor de kost?’, vroeg ik ze.’
Je vriendin zei dat haar vader af en toe jouw chauffeur is bij optredens.
‘Haha, chauffeur is een groot woord, hij heeft me één keer gereden. Maar ik heb zeker een goede band met mijn schoonouders.’
Hoe bevalt het samenwonen?
‘Bij haar voelde ik voor het eerst dat ik dat durfde. En het bevalt heel goed. Ze is ontzettend begripvol als het gaat over mijn neuroses – alle kastdeurtjes moeten helemaal dicht zitten, ondanks onze goede gordijnen slaap ik altijd met oordoppen en slaapmasker. Toch vond ik het slapen in het begin nog lastig: ik had mijn leven zo ingericht dat ik nooit een wekker hoefde te zetten. En toen ging ik samenwonen met iemand wier wekker gewoon elke ochtend gaat, om 7 uur. Ik heb eigenlijk een soort wekker in huis gehaald, realiseerde ik me later pas.’
In Brieven aan Koos schrijf je dat je altijd graag de controle over dingen houdt. De liefde is bij uitstek iets waar je geen controle over hebt.
‘Van nature gaat mij dat inderdaad niet altijd makkelijk af, de controle uit handen geven. En dat is precies wat je doet als je verliefd wordt: mijn vriendin heeft nu een bepaalde macht over mijn gevoelens. Ze is gewoon een levend wezen met een eigen wil – al is dat misschien niet de meest romantische omschrijving. Maar dat is ook nou net wat het spannend maakt. De dingen die waardevol zijn, zijn juist de dingen die we niet helemaal onder controle hebben, waar we ons op een bepaalde manier aan moeten overgeven.’
Kun je dat uitleggen?
‘Kijk naar kinderen. Ik heb ze zelf niet, maar als ik de verhalen moet geloven, houden mensen daar zo’n beetje het meeste van. Dat komt omdat ze zo kwetsbaar en behoeftig zijn – waar zou je als ouder anders met je liefde en zorg naartoe moeten?’ Hij tikt op een flesje nagellak dat op tafel staat. ‘Dat is denk ik ook de reden dat ik niet zo snel van dit flesje zal houden: het heeft iets onkwetsbaars. Bij nader inzien misschien niet het meest illustratieve voorbeeld, maar ik dacht: ik improviseer eventjes.
‘Als ik uitzoom: we bekommeren ons om mensen omdat ze kwetsbaar zijn, omdat ze er ooit niet meer zijn. Wij zijn er zelf ooit niet meer. Daardoor krijgen dingen waarde. Het besef van mijn eindigheid is uiterst pijnlijk, maar het eeuwige leven zou nog veel ondraaglijker zijn. Als ik eeuwig zou leven, zou ik geen reden zien om vandaag mijn bed uit te komen, want alles kan altijd morgen nog. Of over drieduizend jaar.’
Dat is toch ook waarom je een app had die je er vijf keer per dag aan herinnerde dat je sterfelijk bent?
‘Inderdaad. Niet om mezelf te deprimeren, maar om mezelf te doordringen van het besef van urgentie, waardering en dankbaarheid. Van het besef om niets voor lief te nemen.’
Gesprekken met jou gaan vaak over wezenlijke, filosofische onderwerpen, zoals de waarde van vriendschap, vertelde je voormalige scriptiebegeleider en vriend Thomas Nys.
‘Voor veel mensen heeft filosofie iets hoogdravends, iets academisch. Maar voor mij gaat het net als bij de Grieken gewoon over de dingen die het meest wezenlijk zijn. Wat is een goed leven? Alleen die vraag al! Waarom hebben we het daar niet veel vaker over? Waarom gaat het al zo snel over welke series we hebben gezien? Ik wil niet zeggen dat ik zulke gesprekken niet voer, maar uiteindelijk zijn we zonder briefing op aarde neergezet, dus is het wel goed om alles een beetje te onderzoeken.
‘Het ging de Grieken ook om zelfkennis. ‘Ken uzelf’, was zo’n beetje het motto. Tijdens het mediteren probeer ik mezelf te leren kennen, vraag ik me soms af waarom ik iets zei of dacht. Uit ijdelheid, is dan soms het antwoord, en dat schrijf ik dan op in mijn dagboek.’
Kun je, behalve je grapjes over je cum laude afstuderen, nog een voorbeeld van die ijdelheid geven?
‘Nou, laatst had ik een stuk gelezen over de Slag bij Azincourt in 1415. Toen ik vervolgens in bed lag, fantaseerde ik dat ik daarover een associatievraag zou krijgen bij De slimste mens. En dat het heel casual zou lijken of dit tot mijn standaardrepertoire aan kennis behoort, terwijl ik er letterlijk die dag voor het eerst iets over had gelezen.
‘Immanuel Kant zei al dat je alleen maar naar jezelf hoeft te kijken om te weten dat alle slechte eigenschappen – jaloezie, hebzucht, ijdelheid – in iedereen schuilgaan. We zijn gebrekkige wezens, in alle opzichten, en dat zal nooit veranderen. Waar we hopelijk wél verder in kunnen komen, is het ontwikkelen van wijsheid ten opzichte van die gebreken. Wat zijn onze valkuilen? En hoe krijgen we een samenleving waarin juist onze goede eigenschappen floreren? Mijn aanklacht tegen het liberale vooruitgangsdenken is dat het die opgave heeft onderschat. Beschaving is niet vanzelfsprekend, maar kwetsbaar. En zij vereist onze constante zorg en inzet.’
13 april 1988 Geboren in Amsterdam.
2000-2006 Vwo aan het St. Nicolaaslyceum.
2010 Jury- en publieksprijs Amsterdams Studenten Cabaret Festival.
2011-nu Lid Comedytrain.
2011 Bachelor psychologie, cum laude.
2013 Bachelor filosofie, cum laude.
2016 Cabaretprijs Neerlands Hoop voor Het failliet van de moderne tijd.
2018 Boek Brieven aan Koos – Avonturen van een zolderkamerfilosoof.
2018 Cabaretprijs Poelifinario voor Het kromme hout der mensheid.
2020 Boek Het leven als tragikomedie – Over humor, kwetsbaarheid en solidariteit.
2020 Podcast Beschaving: de nabeschouwing.
2022 Cabaretprijs Poelifinario voor De mens en ik.
2024 Boek In onze tijd – Leven in het Calamiteitperk.
Tim Fransen woont samen met zijn vriendin in Amsterdam.
CREDIT Tim Fransen: In onze tijd: Leven in het Calamiteitperk. Alfabet; 352 pagina’s; € 24,99.
Geselecteerd door de redactie
De hulpverleners die naast patiënten gaan staan, die nergens meer terecht kunnen
Is zitten echt ‘het nieuwe roken’? Hoe te weinig bewegen de gezondheid schaadt
Europa keert naar binnen: ‘Elke cultuur gaat zichzelf verdedigen als zij zich bedreigd voelt’
Source: Volkskrant