De Brits-Franse schrijver Simon Kuper geeft een rondleiding door zijn woonplaats Parijs, en richt zijn buitenstaandersblik op de Franse cultuur in het algemeen en de lunchcultuur in het bijzonder. Welke wijken, hoe verplaats je je, wat bestel je en waarover praat je beslist niet? Kuper over een wereldstad in ontwikkeling: ‘Zie je dat de obers glimlachen? Tien jaar geleden was dat niet gebeurd.’
Simon Kuper, de Brits-Franse columnist van de Engelse zakenkrant Financial Times, die in Nederland vooral bekend is van zijn boeken en artikelen over voetbal, opent de houten deur van een typisch Parijs’ gebouw – denk aan roomkleurige stenen en smeedijzeren balkons. Met zijn flat hier is het leven in Parijs voor hem allemaal begonnen, vertelt hij als hij via het krappe trappenhuis naar de vierde verdieping loopt.
‘Ik woonde in Londen. Maar toen een studievriend van me, een bankier, me vertelde dat hij een seven figure package had verdiend – meer dan een miljoen pond dus – dacht ik: moet ik nou met dit soort mensen om een stukje woonruimte concurreren?’
Vervolgens, het was toen 2001 en Kuper was begin 30, hoorde hij dat een neef in de jaren negentig een flat had gekocht in Parijs. Prijs: 30 duizend pond – de Britse munt stond toen uitzonderlijk sterk ten opzichte van de euro. ‘Dat zou nu nooit meer kunnen’, zei de neef. ‘Het zou nu minstens het dubbele zijn.’ Drie dagen later zat Kuper in de Eurostar naar Parijs.
Uiteindelijk kocht hij voor 60 duizend pond dit appartement uit 1890 van 37 vierkante meter, in het 11de arrondissement, op een kwartiertje fietsen van het Louvre. Eerst zag hij het huis als een investering en wilde hij het gaan verhuren. Toen hij uit zijn huurhuis in Londen moest, ging hij er wonen. Nadat hij was gaan samenwonen met zijn vrouw, de Amerikaanse schrijver Pamela Druckerman, maakte hij er zijn kantoor van.
Inmiddels woont hij dus al ruim twintig jaar in Parijs, misschien wel ’s werelds meest beschreven stad. Onder meer de Amerikaanse schrijvers Gertrude Stein (Paris France, 1940), Ernest Hemingway (A Moveable Feast, 1964) en recenter Adam Gopnik (Paris to the Moon, 2000) schreven bestsellers over hun verblijf.
En toch heeft Kuper het aangedurfd daar nog een titel aan toe te voegen: Impossible City – Paris in the Twenty-First Century dat deze week in Nederlandse vertaling verschijnt als Parijs nu – wereldstad in verandering. Met de scherpe blik van de buitenstaander die nog net een buitenstaander genoemd kan worden, analyseert Kuper – de zoon van een antropoloog – daarin de moderne Parijzenaar en zijn metropool. Hij geeft zijn persoonlijke kijk op de stad, inclusief de blinde vlekken die horen bij zijn positie als een welgestelde, witte man.
De thema’s in het boek variëren: Kuper schrijft over de ongeschreven regels van de hoofdstedelijke elite, de gevolgen van de terroristische aanslagen op de Bataclan en de redactie van Charlie Hebdo, de kloof tussen de stad en de banlieues, de ontelbare demonstraties, de gevolgen van de MeToo-beweging op de machocultuur, en de talloze boze briefjes in de hal van zijn flat waarin hij om allerlei redenen door buren wordt berispt.
Veel aandacht besteedt Kuper ook aan iets waar hij lyrisch over is: de eetcultuur. Een groot deel van dit interview over het boek zal dan ook tijdens de lunch plaatsvinden.
Maar eerst leidt hij rond door zijn appartement. Hij opent de voordeur en loopt naar een van zijn twee werkkamers. ‘Hier schrijf ik mijn columns en mijn boeken’, zegt hij bij een houten bureau dat door zijn opa, een hobbytimmerman, is gemaakt. Op de planken daarachter staan vertalingen van de boeken van Kuper. Te zien zijn onder meer Barça, over de Spaanse voetbalclub; Ajax, the Dutch, the War, over voetbal in Europa tijdens de Tweede Wereldoorlog; Soccernomics, over de waarde van voetbalstatistieken; Chums, over de Britse elite; en The Happy Traitor, over George Blake, een Britse KGB-dubbelspion van Nederlandse komaf.
In de andere werkkamer doet hij zijn administratie. In de boekenkast staan alle nummers van het Nederlandse literaire voetbaltijdschrift Hard Gras, keurig op chronologische volgorde. Het zicht hierop wordt deels ontnomen door een ingelijste foto waarop Kuper wordt geflankeerd door Wim Kieft en Tom Egbers. Verder zie je onder anderen Frank Rijkaard, Matthijs van Nieuwkerk, Danny Blind en Youp van ‘t Hek. ‘Dit was bij Van ’t Hek thuis’, vertelt Kuper. ‘Hij organiseerde jaarlijks een quiz voor ex-voetballers en journalisten.’ Kuper is de enige niet-Nederlander in het gezelschap.
Zijn achtergrond is niet makkelijk in één alinea uit te leggen. Zijn overgrootouders waren Litouwse Joden en onderdanen van de Russische tsaar. Eind 19de eeuw emigreerden zij deels wegens het antisemitisme in Rusland naar Zuid-Afrika, waar een goldrush plaatsvond, al vonden de Kupers niets van waarde. Simon Kuper werd in 1969 geboren in de Oegandese hoofdstad Kampala, waar zijn vader, Adam Kuper, doceerde aan de universiteit. Vanwege de opkomst van de militaire dictator Idi Amin vertrok het gezin naar Londen om uiteindelijk, na enkele academische omzwervingen, te belanden in Leiden.
Simon woonde daar van zijn 9de tot zijn 16de – hij spreekt de Nederlandse taal nog vrijwel accentloos – en werd fan van het Nederlandse voetbal. Voor bladen als World Soccer ging hij als tiener stukjes schrijven over Ruud Gullit, Marco van Basten en Bryan Roy, waarna Henk Spaan en Matthijs van Nieuwkerk hem vroegen bijdragen te leveren aan hun tijdschrift Hard Gras.
Na studies geschiedenis en Duits in Oxford woonde Kuper in Berlijn en Boston, waarna hij weer terugkeerde naar Londen om uiteindelijk in Parijs te belanden.
De afgelopen jaren is de Franse hoofdstad veel duurder geworden, zegt hij. Zijn appartement is tegenwoordig niet meer 60 duizend pond (70 duizend euro) waard, maar rond de 350 duizend pond. Een kopje koffie of een brood kunnen zomaar 7 euro kosten.
Evengoed blijven sommige dingen redelijk betaalbaar. Wie de goede adresjes weet, heeft voor een schappelijk bedrag een luxe lunch, zegt Kuper. ‘We gaan straks naar een iets duurder restaurant, daar betaal je ruim 25 euro voor twee gangen, maar bij de meeste plekken heb je voor een nog lager bedrag fantastisch eten.’ De belangrijkste reden dat hij in Parijs is gebleven, zegt hij, is de lunch. ‘Bijna nergens ter wereld vind je zoveel goede restaurants. Binnen loopafstand zitten er tien geweldige.’
We verlaten zijn appartement en passeren een voedselbank, waar op deze grijze, droge dag een lange rij wachtenden staat. ‘Er is veel sociale huisvesting’, zegt hij. Hij wijst: ‘Maar daar zit dan weer een duur koffiezaakje.’ Net zoals zoveel andere arrondissementen gentrificeert ook het 11de, waarin Place de la Republique, Nation en Place de la Bastille bekende pleinen zijn. ‘Het was een arbeiderswijk, en nu is die ontzettend bobo geworden.’ Bobo staat voor bourgeois-bohème, een klasse die in de Verenigde Staten wordt aangeduid als hipster en in Nederland als yup, of recenter als de havermelkelite.
De prijzen verdrijven de arbeidersklasse naar de buitenwijken, de banlieues, waar 10 miljoen mensen wonen – in Parijs zelf wonen er 2 miljoen. De banlieues worden steeds leefbaarder, zegt Kuper, die er tijdens voetbalwedstrijden van zijn kinderen op veel ochtenden te vinden was. ‘Recent ben ik na rellen naar Bagnolet gefietst, een armere banlieue. Het beeld dat dat een soort krottenwijk of favela is, klopt echt niet. Er stonden huizen die net zo mooi waren als in elk ander Frans dorp. De lelijke appartementencomplexen uit de jaren zestig worden gesloopt.’ Dankzij zestig nieuwe metrostations, die de komende zeven jaar moeten verrijzen, zullen de banlieues steeds beter verbonden zijn met de stad.
‘J’ai reservé au nom de Kuper’, zegt hij na een wandeling van vijf minuten in het stijlvolle restaurant Sélune, met ronde houten tafeltjes, hoge ramen en een zandstenen muur. Als Kuper heeft plaatsgenomen, vertelt hij de vrouw uit de bediening dat we voor het dagmenu gaan. Dan vraagt hij om de wijnkaart.
‘Je moet in Parijs nooit à la carte bestellen’, adviseert hij. Als de vrouw even later het zwarte bord met de mogelijkheden voor het dagmenu omhoog houdt, kiest hij als voorgerecht linzenkroketjes met knoflookcrème en gebakken kappertjes, en als hoofdgerecht een prei met zoetzure vinaigrette en een emulsie van geitenkaas. Daar drinkt hij een glas Mille Pattes bij, een rode Loire-wijn.
Kuper heeft de bediening in de horeca zien veranderen. ‘Zie je dat ze glimlachen? Tien jaar geleden was dat niet gebeurd.’ Door de globalisering verliezen culturen hun scherpe randjes, zegt hij. Een Fransman zal nog steeds zelden achter zijn beeldscherm een belegde baguette eten, maar het oeverloze tafelen is er niet meer bij, althans niet in de middag. Aan het begin van dit millennium, zo schat hij in, besteedde de gemiddelde Parijzenaar zo’n anderhalf uur aan de restaurantlunch. Nu is dat met een beetje geluk nog drie kwartier. ‘Ook in Parijs is tijd geld geworden. Ik denk door de hogere prijzen.’
Alcohol bij de lunch is inmiddels niet meer de regel, maar de uitzondering, zegt Kuper. ‘Al wordt wie een glas drinkt niet meteen als alcoholist gezien, zoals in de Verenigde Staten.’ Zelf drinkt hij alleen in gezelschap.
Sommige dingen blijven wel hetzelfde. Geld is nog steeds geen gespreksonderwerp. ‘Ik denk vanwege het katholieke taboe erop. Je praat niet lang over huizenprijzen, zoals wij net wel hebben gedaan, omdat het leven daar niet om draait. In Miami, de geboortestad van mijn vrouw, sprak ik eens Amerikanen die me vertelden hoe duur het in Londen was geweest. De taxi was zo duur, het eten was zo duur, dat was zo duur. Dit is geen gesprek, dacht ik, je geeft me een prijslijst. In Parijs zou zoiets onacceptabel zijn.’
De ober schenkt een drupje wijn in het glas van Kuper. Die proeft en knikt goedkeurend.
Waar wél over gepraat wordt, zegt Kuper, is kunst – wie het verschil niet weet tussen het im- en het expressionisme en Mo- en Manet, kan beter thuisblijven. Ook de actualiteit komt voorbij. ‘Maar je hoort dan niet alleen te zeggen wat er is gebeurd, maar ook hoe je dat moet duiden. In Nederland hoor je weleens mensen zeggen dat er problemen zijn met moslims. Parijzenaars zeggen in zo’n geval dat er een slag van beschavingen gaande is. Je hoort het al: de duiding is lang niet altijd origineel.’
De voorgerechten worden opgediend op borden van antraciet aardewerk, de knoflookcrème is zorgvuldig over de knapperige kroketjes gedrapeerd. Kuper neemt een hap en zegt: ‘Dit is toch een dagelijks hoogtepunt.’ Dat is niet alleen weggelegd voor de rijke bovenlaag. ‘Ook cafés voor de arbeidersklasse bieden een driegangenmenu aan. Fransen besteden relatief meer geld aan eten dan Noord-Europeanen.’
In tegenstelling tot het Nederlandse denken, dat empirisch is, is dat in Frankrijk abstract, zegt Kuper. Dat merk je ook bij politici. Toen Kuper in 2022 kort in Madrid woonde, bezocht hij de Navo-top die daar plaatsvond. Na afloop daarvan geven de landen tegelijkertijd persconferenties. Met zijn collega van de Financial Times moest Kuper kiezen welke hij zou bijwonen.
Kuper: ‘Mijn Britse collega, die de Navo in zijn portefeuille heeft, zei tegen mij: ‘Je gaat niet naar de Fransen, want Emmanuel Macron gaat een lange, abstracte speech houden over de toekomst van Europa en daar hebben we niks aan. Je gaat ook niet naar de Britten, want Boris Johnson weet überhaupt niet wat er net is gebeurd. Jij gaat naar de Nederlanders, want die vertellen dat gewoon.’ Dus zat ik met voor de rest alleen maar Nederlandse journalisten bij Mark Rutte, Wopke Hoekstra en Kajsa Ollongren, die keurig vertelden wat er was besproken.’
Over hoge piefen als Macron roddelen de Parisiens graag. De ultieme roddel, die vooral een aantal jaar geleden rondging, was de president er een geheime, homoseksuele minnaar op nahield, zegt Kuper. ‘Het homoseksuele aspect ervan maakte het niet per se spannend, maar wel dat het om de president ging. De vader van een klasgenoot van mijn zoontje hield hier maar niet over op. Met zo’n roddel toon je aan dat je een insider bent, dat je weet wat er gebeurt aan het hof – Parijs heeft nog steeds een hof.’
Om geklets over voetbal te voorkomen, zitten mannen en vrouwen om en om bij diners. ‘Het wordt als onbeleefd gezien om geen waardering te schenken aan het uiterlijk van een vrouw’, zegt hij als hij zijn vork in de prei zet. ‘Ook mannen worden geacht om mee te praten over kleding, om te vragen waar een vrouw haar jurk heeft gekocht. Het gaat de vrouwen er niet zozeer om dat ik hen aantrekkelijk vind, het gaat ze erom dat ze aantrekkelijk zijn en ik moet dat zeggen.’
Parijs staat bekend als zwoele stad, een sin city voor snobs, of zoals de Israëlische auteur Ephraim Kishon (1924-2005) schreef in zijn in 1978 gepubliceerde verhaal Frankrijk: Oma danst: ‘Om de een of andere oorzaak tovert die glinsterende metropolis iedere toerist beelden voor ogen vol seks en zonde. Een spinnenweb van donkere zijstraatjes, bezaaid met twijfelachtige zaakjes, waar de champagne bij stromen vloeit, rauwe jazz de trommelvliezen bedreigt en opzienbarende naakte vrouwen, de hele nacht en dag door, erotische dansen ten beste geven.’
Deels is dit beeld terecht. Zo zijn Fransen tolerant ten aanzien van overspel, zegt Kuper. ‘Relaties zijn ingewikkeld, zeggen ze, soms gebeurt er iets in een huwelijk en dan moet je dat niet meteen veroordelen.’ Tegelijkertijd wordt er niet substantieel meer vreemdgegaan dan in andere landen, zegt Kuper, die zich baseert op Lust in translation, een boek over overspel in verschillende landen, geschreven door zijn vrouw.
Seksueel wangedrag werd in Frankrijk lang door de vingers gezien. Zo was het al geruime tijd een publiek geheim dat Dominique Strauss-Kahn, tussen 2007 en 2011 directeur-generaal van het Internationaal Monetair Fonds, een ‘sekscrimineel’ was, zegt Kuper, maar duurde het tot 2011 voordat de Verenigde Staten hem uiteindelijk arresteerde vanwege aanranding.
Meer dan in andere landen kreeg de MeToo-beweging in Frankrijk te maken met een tegenbeweging. Honderden bekende Françaises, onder wie de actrice Catherine Deneuve, ondertekenden een petitie waarin ‘de nieuwe preutsheid’ werd vergeleken met ‘de goeie ouwe tijd van de heksenjachten’. ‘Oudere mannen en vrouwen, vooral zij die zijn opgegroeid met de losse moraal van de jaren zestig, vonden het allemaal Amerikaanse onzin’, zegt Kuper. ‘Ze hadden het over le wokeisme.’
Onder meer door verhalen over pedofilie en vrouwenmoord is de Franse MeToo-beweging uiteindelijk sputterend op gang gekomen. Al stuiten verhalen van vrouwen nog steeds op veel scepsis, en niet alleen vanuit oerconservatieve hoek. Zo schaarde Macron zich onlangs achter de van verkrachting beschuldigde acteur Gérard Depardieu. ‘Dat vond ik heel raar’, zegt Kuper. ‘Blijkbaar denkt Macron dat de meerderheid van de Fransen die beschuldigingen overdreven vind.’
Als het aanbod voor een toetje is afgeslagen en de rekening is betaald, stappen we op de fiets voor een ritje naar het hart van de stad. Op het gebied van infrastructuur is Parijs in korte tijd onherkenbaar veranderd: in haar decennium aan het roer heeft de socialistische burgemeester Anne Hidalgo een kruistocht tegen auto’s gevoerd. Fietsers hebben, met bijna 500 kilometer aan speciaal voor hen aangelegde paden, ruim baan gekregen.
Dat wil niet zeggen dat je tijdens het fietsen ontspannen om je heen kunt kijken naar flaneurs. Zelfs voor wie de chaos in het Amsterdamse fietsverkeer gewend is, is het een helse opgave om drukke, onoverzichtelijke pleinen als Place de la Bastille heelhuids over te steken. Wie rekening houdt met andere weggebruikers, is kansloos. Zebrapaden en rode stoplichten zijn er voor de sier.
Kuper, die zonder motortje op zijn fiets hogere snelheden bereikt dan anderen met elektrische aandrijving, slaagt daar wonderwel in. Van scheldpartijen of confrontaties komt het niet. Dat is weleens anders geweest: in het verkeer kan hij een heethoofd zijn. Hij beschrijft in zijn boek een voorval bij de school van zijn kinderen. Toen een man met zijn SUV langere tijd het zebrapad voor de school blokkeerde, bekraste Kuper de auto met zijn sleutel. Op het moment dat Kuper zag dat de man hem daarbij filmde, zwaaide hij naar de camera. ‘Het was gênant’, zegt hij terugblikkend als hij door de hippe wijk Le Marais jakkert. ‘Gelukkig wordt mijn temperament de laatste jaren iets minder.’
Kuper slaat af richting de Seine, in de verte is het Ile de la Cité te zien met daarop de Notre Dame, die eind 2024 weer opengaat. ‘Dit was een snelweg’, zegt Kuper op een weg parallel aan de rivier, ‘nu kun je hier rustig fietsen en hardlopen’. Via de Tunnel des Tuileries, die sinds 2016 is gesloten voor automobilisten en nu volhangt met streetart, passeren we het Louvre. Onze fiets parkeren we op de Rue de Rivoli, een luxe winkelstraat waar privé-auto’s eveneens verboden zijn.
Hij bestelt een dubbele espresso in een toeristisch café in de Jardin des Tuileries, de tuin van het oude Tuilerieënpaleis, waar koning Lodewijk XVI en zijn vrouw Marie Antoinette aan het begin van de Franse Revolutie hun toevlucht zochten nadat ze uit Versailles waren verjaagd.
In die tijd zag Parijs zichzelf als ‘de navel van de wereld’, zegt Kuper. Tot begin 20ste eeuw vergeleken Parijzenaren hun stad niet met Londen, Berlijn of Madrid, maar met het oude Rome, Athene en Babylon. De status van culturele hoofdstad van de wereld raakte het kwijt na de Tweede Wereldoorlog, toen Europa in puin lag en kunstenaars naar New York trokken.
Mede vanwege de internationale invloed van existentialistische filosofen als Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir bleef de aantrekkingskracht onder academici enorm. Kuper: ‘Mijn vader is 82. Wie in zijn generatie intellectueel was, sprak Frans. Nu is dat niet meer zo. Sinds de jaren negentig van de vorige eeuw en de opkomst van internet legt men zich erbij neer dat Frans geen wereldtaal meer is.’ Als je hier iets in het Engels vraagt, word je niet meer als een melaatse aangekeken. Meestal krijg je zelfs antwoord.
Nog steeds wonen er veel internationale schrijvers in Parijs, zegt Kuper, zoals Rachel Cusk. ‘Maar de Hemingway van nu woont hier niet meer.’ Kuper snapt dat best. ‘In Parijs zijn de mensen niet aardig, is het duur, het weer slecht, en is er weinig ruimte. In Madrid was eigenlijk alles beter.’ Toch keerde hij na een jaar terug. ‘Ik wil in een wereldstad wonen. Voor mij zijn Londen en New York wereldsteden en Parijs zit daar voor mij net onder. De stad is voor mij heel stimulerend geweest, en hier heb ik wél een flat in het centrum kunnen betalen.’
Na een procedure die vijf jaar duurde en die hij in zijn boek omschrijft als een bureaucratische hel, werd hij in 2022 tot Fransman genaturaliseerd. Maar niet in alles is hij een Parijzenaar geworden. ‘In mijn directheid ben ik een Nederlander, hoor ik vaak van Engelsen en Fransen.’ Wel heeft hij door de stad schoonheid meer leren waarderen. ‘Beter dan vroeger heb ik in de gaten wat stijlvol is. Je draagt hier geen felle kleuren. En in Londen zie ik weleens mannen in een mooi pak met een lelijke rugzak achterop. In Parijs weet iedereen dat zoiets niet kan, hier draag je een mooi tasje.’
Ook culinair heeft hij zich ontwikkeld. ‘Als ik een tomaat eet, concentreer ik me echt op de smaak, besteed ik daar aandacht aan. Vroeger deed ik dat niet.’
Ondanks alles wat er mis is met Parijs, zal zijn leven er waarschijnlijk eindigen, schrijft hij in zijn boek. ‘Ik wil worden begraven, niet illegaal uitgestrooid, maar ik heb te weinig status voor een Parijse begraafplaats. Als ik ga, misschien nadat ik ben overreden door een politieauto die haast had om een portie Franse taco’s te scoren, kom ik waarschijnlijk in de banlieues terecht. Maar tegen die tijd zijn ze misschien opgeklommen in rang. Per slot van rekening lag Père-Lachaise toen Napoleon eraan begon zelf in de banlieue. Ik vermoed dat ik in de ambulance, als ik mijn laatste woorden uitspreek, misschien wel mijn naam, adres en sofinummer, uiteindelijk een diepe dankbaarheid zal voelen voor deze lange, vreemde Parijse trip. Ik wil vooral dankjewel zeggen voor alle lunches.’
15 oktober 1969 geboren in Kampala, Oeganda
1976 Verhuizing naar Leiden
1988 Studie geschiedenis en Duits in Oxford
1994-1998 Redacteur Financial Times
1995 Voetbal als oorlog
1998-nu Freelance journalist
2000 Ajax, de joden, Nederland
2002-nu Columnist Financial Times
2006 Retourtjes Nederland
2009 Dure spitsen scoren niet (met Stefan Szymanski)
2021 De vrolijke verrader: een KGB-spion uit Rotterdam
2021 FC Barcelona: Het imperium
2022 Chums: How a Tiny Caste of Oxford Tories Took Over the UK
2024 Parijs, nu
2024-nu Podcast Heroes & Humans of Football, met Mehreen Kahn
Simon Kuper woont in Parijs met zijn vrouw, de Amerikaans-Franse schrijver en journalist Pamela Druckerman, en hun drie kinderen.
Simon Kuper: Parijs nu – wereldstad in verandering. Uit het Engels vertaald door Joost Pollmann. Nieuw Amsterdam; 256 pagina’s; € 22,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant