Home

De hulpverleners die naast patiënten gaan staan, die nergens meer terecht kunnen

In Nederland lopen naar schatting 1.500 potentieel gevaarlijke psychiatrische patiënten rond. Een nieuwe aanpak koppelt ze voor de rest van hun leven aan één hulpverlener. Is dit het antwoord op dit complexe vraagstuk?

Nog niet zo lang geleden was Yamin best gevaarlijk. Hij blowde veel, leefde op straat en kampte met psychoses. Daardoor was de veertiger wantrouwend. ‘Ik dacht dat mensen mijn eten vergiftigden.’ Vorig jaar mepte hij een supermarktmedewerker en bedreigde anderen met de dood. Bij hulpverleners gold de stelregel: zorg écht dat je nooit alleen met hem bent.

‘Ik was een vechter’, zegt Yamin. Hij zit op de enige stoel in een klein vakantiehuis, ergens in de regio Zuid-Holland. Naast hem staat Herman Segers, verpleegkundig specialist van ggz-instelling Fivoor. ‘Je hebt me een tijdje terug bedreigd, weet je nog?’

Over de auteur
Elsbeth Stoker is regioverslaggever van de Volkskrant in Amsterdam en omstreken. . 

Yamin lacht vriendelijk. Want dankzij een flinke dosis antipsychotica is hij een ‘compleet ander karakter’ geworden. Nu, zegt Segers, ‘ben je een leuke vent. Vroeger was je een hork.’

Yamin, lachend: ‘Ik was een psychotische narcist.’

Dat het beter gaat, is voor een groot deel aan Segers te danken. Als ‘levensloopcoördinator’ zoekt hij een oplossing voor al Yamins problemen. In principe voor de rest van Yamins leven.

Met messen zwaaien

Yamin is een van de, naar schatting, 1.500 potentieel gevaarlijke psychiatrische patiënten die in Nederland, veelal, rondzwerven. Mensen die al jaren van politiecel naar gevangenis gaan, van crisisbed naar kliniek, van nachtopvang naar een tentje in het bos. ‘Het zijn mensen die door alle instanties uitgekotst worden, op wie niemand zit te wachten’, zegt Elsa Doze, directeur netwerksamenwerking van Fivoor. ‘Maar over wie hulpverleners zeggen: als we niet opletten gaat-ie straks met messen zwaaien.’

Áls het fout gaat, haalt dat soms het nieuws. Zoals begin april, toen in de Haagse rechtbank Jamal L. terechtstond. Hij doodde vorig jaar een willekeurige Albert Heijn-medewerkster. En later deze maand moet Tolga Ö. voor de Amsterdamse rechter verschijnen. Hij stak afgelopen augustus twee onderburen neer, van wie één overleed. Elke keer rijst de vraag: had dit voorkomen kunnen worden? Vaak wordt er dan verwezen naar het rapport van de commissie-Hoekstra uit 2015. Aanleiding was de moord op Els Borst, de oud-minister die in 2014 door een verwarde man ‘met een goddelijke opdracht’ werd doodgestoken.

In die zaak was er sprake van een opeenstapeling van fouten. Ook na recentere, fatale incidenten is de conclusie vaak: betrokken instanties pikten alarmsignalen onvoldoende op. Een integrale aanpak zou dit kunnen voorkomen. Daarom is er inmiddels de Levensloopaanpak, een project dat wordt gezien als ‘het begin van een antwoord’ op dit complexe vraagstuk. Het idee: mensen zoals Yamin, of ze het nou willen of niet, een leven lang in het vizier houden. Door te zorgen voor huisvesting, de juiste zorg en een vast aanspreekpunt hopen hulpverleners het risico op gevaarlijke incidenten te verkleinen.

‘Inmiddels zijn er ruim vierhonderd van de naar schatting 1.500 potentiële cliënten opgenomen in de Levensloopaanpak’, zegt Doze, die medeverantwoordelijk is voor landelijke implementatie. ‘Bijna alle veiligheidsregio’s zijn ermee bezig.’ Eenvoudig is dat niet. Tijdens de twee dagen dat de Volkskrant meeliep, bleek dat de hulpverleners hun werk vaak tegen de klippen op doen. In dit verhaal zijn de namen van cliënten vanwege privacyredenen gefingeerd.

Dak boven het hoofd

‘Yo gozer, ik heb last van stijve benen’, appte Yamin een paar dagen geleden aan Segers. ‘Ik werd vrijdag wakker en dacht: nou ja zeg, ik voel mijn benen niet meer.’ Vandaag gaat het niet veel beter. Yamin is inmiddels opgestaan van zijn stoel in het vakantiehuisje en staat met zijn armen in de lucht. Naast hem staan Segers en een zojuist gearriveerde psychiater. De antipsychotica werken goed voor de rust in zijn hoofd, maar als Yamin beweegt, oogt hij als een hoogbejaarde.

‘Probeer eens te doen alsof je een sjekkie draait’, vraagt de psychiater. Nee, schudt Yamin. Zijn vingers zijn te stram. ‘En tik eens met je linker-, en dan eens met je rechtervoet op de vloer’, vervolgt de psychiater. Ook dat gaat moeilijk. ‘Ik blijf het grootste deel van de dag binnen’, zegt Yamin. ‘Alsof ik weer in de cel zit.’

‘We gaan naar de dosering van je antipsychotica kijken’, belooft de psychiater. ‘Zodat je niet alleen rustig blijft in je hoofd, maar ook lichamelijk minder last hebt van bijwerkingen.’ Er zijn meer zorgen die ze vandaag moeten bespreken. Over twee weken moet Yamin het vakantiehuisje verlaten, een nieuwe woning is niet beschikbaar. ‘En die container?’, vraagt Yamin. ‘Daar wil ik wel weer naartoe.’ Nee, schudt Segers. ‘Dat was een tijdelijke oplossing.’

Vorig jaar regelde de levensloopcoördinator voor de dakloze Yamin een blauwe container. Deze stond aan de rand van de stad, ingeklemd tussen een bomenrij, begraafplaats en stinkende vuilstort. Maar Yamin, die toen nog kampte met een psychose, blowde te veel en maakte er een zooitje van. De politie verdacht hem bovendien – ten onrechte – van een ernstig misdrijf. Dat maakte hem woedend. Hij bedreigde Segers met de dood en veroorzaakte overlast op straat.

De sfeer werd zo gespannen dat Yamin, met behulp van de politie en ambulance, werd afgevoerd, om onder dwang behandeld te worden in een kliniek. Daar kon hij 14 weken blijven. Segers: ‘Ik had langer gewild, zodat Yamins medicatie beter was afgesteld. Maar het beddentekort is te groot.’

Afgelopen weken heeft Segers gekeken of er een plekje is bij de nachtopvang. Maar daar staat Yamin op de zwarte lijst, omdat hij zich er eerder misdroeg. ‘En er wordt openlijk drugs gebruikt, het risico op een terugval is dan groter’, voegt Segers toe. Daarom is de levensloopcoördinator in gesprek met een maatschappelijke organisatie over een plek in een begeleid wonen-voorziening. ‘Ik wil dat hij een dak boven zijn hoofd heeft, dagbesteding krijgt en dat hij beter wordt ingesteld op zijn antipsychotica.’ Alleen: wegens wachtlijsten is het nog lang niet zover.

Waarschijnlijk, vervolgt Segers, ‘verhuis jij binnenkort naar een nieuwe, tijdelijke vakantiewoning. De gemeente is bereid te betalen.’

‘Dat kost veel geld’, antwoordt Yamin verbaasd. ‘Voor dit’, zegt hij, wijzend naar de tot vakantiehuis omgebouwde schuur van nog geen 15 vierkante meter, ‘betaalt de gemeente al 2.500 euro per maand. Ik wil niet ondankbaar klinken, maar dat is toch duur?’

Kostenpost

2.500 euro voor een vakantiehuisje. Het klinkt duur. Maar, stelt netwerkdirecteur Doze, zonder huisvesting is het lastig om deze groep te helpen. ‘Als er een vaste plek is, kunnen ambulante begeleiders vaker langs, is het makkelijker een vertrouwensband op te bouwen en alarmsignalen op te pikken.’

Nu fietsen de levensloopcoördinatoren nog geregeld ‘bruggen en parken’ af, op zoek naar hun cliënten. ‘Eenderde is dakloos, daarbovenop dreigt nog eens een kwart dat binnen een paar maanden te worden. Op straat is het moeilijker ze in het vizier te houden. Weten wij veel wat ze in de tussentijd doen.’

Bovendien ligt de lat voor huisvesting voor deze groep niet hoog. Zo staan er bijvoorbeeld in Utrecht een paar ‘chalets voor moeilijk plaatsbaren’. Doze: ‘We noemen het chalets, maar het zijn in feite lelijke, grijze containers, die neergezet zijn in het buitengebied, waar niet gebouwd mag worden vanwege fijnstof afkomstig van de A27.’

Dat klinkt cru, ‘maar voor deze groep gaat de kwaliteit van leven aanzienlijk omhoog. Het is beter dan zwerven. Eén vrouw is er maar tien dagen per jaar, we weten niet wat ze de rest van het jaar doet. Maar sinds ze een vaste plek heeft waar ze altijd kan terugkeren, heeft ze nul incidenten veroorzaakt.’

Door te investeren in huisvesting, zo is Dozes overtuiging, neemt niet alleen het risico op gevaarlijke incidenten af maar zal de maatschappij ook goedkoper uit zijn. De Veiligheidsregio Noord-Holland Noord berekende in 2019 in twee casussen de maatschappelijke kosten van notoire overlastgevers. Beide psychiatrische patiënten waren dakloos, verslaafd, zorgvermijdend en soms agressief. De ene kostte de maatschappij tussen 2017 en 2018 548.142 euro, de andere 430.517 euro. De grootste kostenpost was voor de politie; omdat agenten vaak moesten uitrukken wegens overlast, agressie en kleine diefstallen was die jaarlijks gemiddeld een ton kwijt per verward persoon,

‘En wat denk je dat een bed kost in een beveiligde kliniek of de gevangenis? Een beveiligd bed in een kliniek kost 182.500 euro per jaar’, zegt Doze. Kortom, stelt ze, een dak boven hun hoofd – al is het een container – leidt veelal tot minder incidenten en is daarmee goedkoper. ‘Het is een makkelijke businesscase.’

Terug in het systeem

‘Hé Karel, heb je even?’, roept Herman Segers over straat. ‘Ik wil met je praten over de Levensloopaanpak.’

‘Ik wil eerst sigaretten halen’, antwoordt Karel, die zich omdraait en de supermarkt instapt.

‘Dan wacht ik wel’, antwoordt de levensloopcoördinator geduldig.

Karel, een lange, blonde verschijning met een petje, bestaat eigenlijk niet. Toch is Segers, die in totaal twintig levensloopclienten onder zijn hoede heeft, op deze lenteochtend op de fiets gestapt om Karel te zoeken. Al jaren zijn er zorgen over deze cliënt. Telkens verdwijnt hij uit het zicht van hulpverleners, en nadat hij een tijdje wegbleef uit de nachtopvang, schreef zijn gemeente hem uit. ‘Dan besta je officieel niet meer.’

Maar enkele maanden geleden meldde Karel zich. Onaangekondigd verscheen hij bij Segers inloopspreekuur. ‘Dan schat je het in: is hij erg psychotisch? Komt er dreigende taal uit?’ Dat, oordeelde Segers, viel wel mee. Al ging het duidelijk niet goed. ‘Dus ik zei: als je wil, zetten we er met alle liefde een spuit met antipsychotica in.’

Die opmerking viel niet in goede aarde. ‘Karel schreeuwde: wie denk je wel niet dat je bent?!’ En voor Segers het wist, drukte Karel zijn neus tegen die van hem. ‘Mijn collega suste de boel. We spraken af: kom over een paar dagen terug, dan praten we rustig. Maar Karel kwam niet opdagen.’

Inmiddels zit Karel in een ggz-kliniek, omdat hij in de tussentijd iemands tuin binnendrong met een mes. Segers: ‘Het is heel vervelend voor de slachtoffers. En het klinkt gek: maar ik was er blij mee. Toen konden we wel een crisisopname voor hem regelen. Hij krijgt medicatie en komt tot rust. Ik hoop dat we het contact kunnen opbouwen.’

Over niet al te lange tijd wordt Karel uit de kliniek ontslagen. Om te voorkomen dat hij weer uit het vizier raakt, wil Segers zo snel mogelijk ‘een dak boven Karels hoofd’ regelen. ‘Daarvoor moet ik hem wel in het systeem krijgen, zodat hij weer bestaat. Anders werkt de gemeente niet mee, en heeft hij geen zorgverzekering.’ Bovendien is Segers bang dat Karel, als hij dakloos blijft, weer drugs gaat gebruiken. ‘Toen ik hem eerder zei: dan kan je weer een psychose krijgen, was zijn antwoord: ja, dat kan.’

Een paar minuten later verschijnt Karel, in zijn hand sigaretten. Segers komt meteen ter zake. ‘De Levensloopaanpak is een manier om sneller hulp te regelen voor mensen zoals jij. Wij overleggen dan met de gemeente, de politie, de woningbouw, noem maar op.’ Karel hoort het emotieloos aan. ‘Denk erover na’, besluit Segers. ‘Het kan jou helpen.’ Karel knikt, en weg is hij.

‘Ik heb het zaadje in zijn hoofd geplant’, zegt Segers als hij wegfietst. Hij is niet ontevreden, al duurde het gesprek kort. ‘Karel heeft geen lange aan­dachts­span­ne.’

Wegduwen

Deze aanpak is er een van de lange adem, zegt netwerkdirecteur Doze. ‘Het duurt even voordat je een band met de cliënt hebt opgebouwd en hij echt gelooft dat we hem nooit zullen laten vallen.’

Wat het werk extra lastig maakt, is dat de hulpverleners hun cliënten geregeld moeten teleurstellen. Afgelopen winter sprak ze bijvoorbeeld gefrustreerde medewerkers over een verstandelijk beperkte man, die op het punt stond uit de gevangenis te komen. ‘We konden geen woning vinden. We hebben alle partijen bij elkaar gezet: gemeente, politie, maatschappelijke organisaties, ggz en het Zorg- en Veiligheidshuis. De conclusie: ideaal is het niet, maar de enige plek die we nu hebben is de winteropvang. Het idee was dat hij daar voorlopig ’s nachts naartoe zou gaan, en dat we hem overdag zouden ‘stutten’ met dagbesteding.’

Omdat het een potentieel gevaarlijk persoon betrof, werd ook het gemeentebestuur geïnformeerd. ‘Op de dag dat de man vrij zou komen, zei de wethouder: hij mag niet naar de winteropvang. Hij wilde de politieke verantwoordelijkheid niet dragen. Wat zeg je dan als hulpverlener? Je hebt twee weken op de cliënt ingepraat dat hij naar de winteropvang gaat. En dan is het: sorry, toch niet.’

Het is een van de vele voorbeelden waarbij levensloopcliënten ‘over en weer’ door instanties en overheden worden ‘weggeduwd’. Bij deze mensen komen soms wel een stuk of twintig wetten en regelingen samen. Het ene moment vallen ze onder de Wet langdurige zorg, dan weer onder de Zorgverzekeringswet en dan weer onder de Wet maatschappelijke opvang. ‘Al die wetten en regelingen werken voor het gros van de Nederlanders prima. Maar niet voor de levensloopcliënten, er is haast geen maatwerk mogelijk.’

Niemand wil bovendien eindverantwoordelijk zijn, vervolgt Doze. ‘En onwillige instanties kunnen zich vaak achter die wetten en regels verschuilen. Ze stellen dan: deze cliënt hoort toch niet bij mij, kijk maar naar de regels.’ Laatst belde een gemeente haar op: we zitten met onze handen in het haar, want een oud-bewoner komt weer uit de gevangenis. ‘De gemeente wist niet wat ze met hem moesten. Dus gaven ze hem een gebiedsverbod voor de hele gemeente.’

Het is niet dat Doze deze gemeente niet begrijpt. ‘Ze hadden al veel met deze man te stellen gehad. Maar hij had er wel zijn hele leven gewoond, zijn familie woonde er ook. Je kan dit ‘probleem’ niet zomaar over de schutting gooien.’

Financiering

‘Droom eens groot, Charles?’

De twintiger kijkt verlegen naar beneden. Hij grinnikt. Yuri Dullemans staat in de naar wiet ruikende kamer van Charles. Hij is, net als Segers, levensloopcoördinator bij Fivoor. En Charles is een van zijn eerste cliënten. Hoewel de twee elkaar inmiddels al jaren kennen, durft Charles de hulpverlener nog altijd niet aan te kijken.

‘Weet je welke haarkleur ik heb?’, vraagt Dullemans.

‘Ik denk grijs’, grinnikt Charles terwijl hij schuin naar beneden kijkt.

Ondanks dat, heeft de verstandelijk beperkte twintiger ‘grote stappen’ gezet. Toen de twee elkaar leerden kennen, woonde Charles nog in zijn ouderlijk huis waar door zowel de hond als de bewoners op de grond werd geplast en gepoept. Er was bovendien sprake van fysieke mishandeling. ‘Dan belde Charles mij’, vertelt Dullemans. ‘En zei hij: ik zit mijn moeder met een hamer achterna. Of: mijn moeder bewerkt mij met een stofzuigerslang.’

Uiteindelijk belandde Charles in de gevangenis en gesloten kliniek nadat hij een bed, met daarin zijn gehandicapte vader, in brand had gestoken. Sinds een half jaar woont Charles hier, in een eigen kamer in een begeleid wonen-complex. Al weet Charles nog niet of hij er blij mee is. ‘De kliniek was knusser’, zegt hij. Zijn huidige woning vindt hij te druk. Ook op straat vertoont hij zich liever niet.

Zondag ging zijn hoofd ‘op error’. Zijn vaste wasschema liep in de soep, de machine werkte niet zoals-ie zou moeten. ‘Je belde mij toen 56 keer’, zegt Dullemans.

‘Ik had je even nodig’, antwoordt Charles. ‘Ik heb ook niet zoveel andere nummers in mijn telefoon.’

Maar zijn nieuwe woonplek heeft ook voordelen. In de hoek staat een grote gamestoel, waar Charles een groot deel van de dag en nacht zit te gamen. Met een joint in de hand.

Vandaag zet Charles een volgende stap. Meestal praten hulpverleners óver de cliënten. Ditmaal schuift Charles zelf aan, om te vertellen wat hij wil. De levensloopcoördinator zit gehurkt naast de gamestoel. Op het bureau heeft hij zijn iPad gezet, daarop verschijnen de hoofden van andere hulpverleners. ‘Charles, wat zou jij het liefste willen? Droom eens?’

Een plek met minder mensen, antwoordt hij zacht. ‘Waar huisdieren zijn, waar ik wat ondersteuning krijg, waar het voelt als thuis, en waar ik kan blijven.’ Charles grinnikt zacht, zijn blik naar beneden. ‘Een plek’, vervolgt hij, ‘waar ik misschien wel de liefde van mijn leven tegenkom.’

Er een leven lang voor iemand zijn, dat is wat de levensloopcoördinatoren beloven. Is dat waar te maken? Om eerlijk te zijn, zegt netwerkdirecteur Doze, ‘staan we nu op een t-splitsing. Gaan we ermee verder, of niet?’

Want behalve een wirwar van wetgeving en uitvoeringsregels, heeft de Levensloopaanpak ook te maken met een spaghetti aan financieringsstromen. ‘Nu moeten we zaken doen met dertig zorgverzekeraars, dertig zorgkantoren, Dienst Justitiële Inrichtingen, het Nederlands zorginstituut, de Nederlandse zorgautoriteit en 110 verschillende gemeenten. Ieder met eigen regels en kwaliteitseisen.’

En dan nóg kan lang niet al het werk dat levensloopcoördinatoren verrichten, gedeclareerd worden. Zo’n fietstochtje van Segers naar de ‘officieel niet-bestaande’ Karel bijvoorbeeld. Dat komt nu uit een tijdelijke pot. ‘De ministeries van Justitie en Volksgezondheid hebben structurele financiering beloofd.’ Maar een plan daarvoor, heeft ze nog niet gezien. ‘Wil je dat we ons ook een leven lang aan nieuwe cliënten committeren, dan moet die er echt komen.’

Wat haar betreft moet Den Haag verder gaan. Ze pleit voor ‘een bijzondere overheid, speciaal voor deze groep’. ‘Zodat je de cliënt centraal kan stellen, en je niet de hele tijd hoeft te denken onder welke wet hij valt, wie er dan betaalt en verantwoordelijk is.’ Maar zover is het nog lang.

Moedeloos? Nee, dat wordt Doze er niet van. ‘Je moet het zien als een puzzel die we moeten leggen. En als maatschappij moeten we accepteren: deze mensen horen erbij.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next