Muziekmaken kan hij niet laten, maar gelukkig verwacht het publiek geen oude Dire Straits-nummers meer van hem. Zanger en gitarist Mark Knopfler laat zich meevoeren door zijn passies. Of het nu een bluesalbum van B.B. King is, een nieuwe gitaar of zijn geliefde Porsches.
‘Ik denk dat ik eindelijk ben geslaagd als soloartiest, niemand vraagt me nog of mijn oude bandje weer bij elkaar komt.’ Aldus Mark Knopfler (74) op een maandagochtend in Londen. Hij is naar een restaurant aan King’s Road gekomen, niet ver van zijn woning in de wijk Chelsea, om te praten over zijn tiende solo-album One Deep River en het verheugt hem zeer dat er nog niemand gevraagd heeft wanneer zijn ‘oude bandje’ Dire Straits weer bij elkaar komt. ‘Er waren blijkbaar tien platen voor nodig om journalisten te overtuigen dat ik het in mijn eentje ook best aardig kan’, zegt hij minzaam lachend. Zijn solocarrière ving aan nadat hij in 1995 zijn succesvolle band (wereldwijd goed voor honderd miljoen verkochte albums) opdoekte. ‘Ja, natuurlijk zag ik het als mijn band. Ik schreef de liedjes, zowel tekst als muziek en ik bepaalde de sound van Dire Straits. Dat doe ik nog steeds maar dan voor de artiest die Mark Knopfler heet. Dat is het verschil. Ik vind het ook best leuk om af en toe eens een oude Dire Straits-hit te spelen hoor, maar die muziek staat inmiddels wel erg ver van me af. Ik ben geen 30 meer, en wil ook niet avond aan avond veinzen dat ik dat ben.’
Ouderdom en vergankelijkheid zijn zaken die Knopfler de laatste jaren steeds meer bezighouden. ‘Als je een zekere leeftijd hebt bereikt, kijk je meer terug dan vooruit. Daar ontkom ik ook niet aan. Mijn liedjes hebben altijd iets melancholisch gehad en nu helemaal op dit nieuwe album. Want er kwam nog iets bij: de gedachte van wat nog waardevol voor me is. Natuurlijk, ik doe al die herinneringen niet weg. Maar wat moet ik met die, om maar eens wat te noemen, honderden gitaren die ik de afgelopen 45 jaar heb verzameld? Mijn vrouw en kinderen hebben er niks mee. Hup weg ermee, dacht ik op een gegeven moment.’
En dus belde Knopfler veilinghuis Christie’s waar op 31 januari de meeste van zijn gitaren werden geveild. Een deel van de opbrengst, bijna 9 miljoen pond ging naar goede doelen. Knopfler zelf is vooral blij dat hij er vanaf is. ‘Ik heb er natuurlijk wel een paar gehouden, en dus belde mijn verzekering weer. Wat is dat allemaal waard, wilden ze weten. Weet ik veel. Ik heb volgens mij altijd alles onderverzekerd, haha. Door die veiling schrokken ze wakker, wat heeft die Knopfler nog allemaal? En ik kan weer naar Christie’s om het boeltje te laten taxeren.’
Onze gids dit weekeinde is een rubriek in Volkskrant Magazine waarin een bekend persoon (op velerlei terreinen) uit binnen- of buitenland ons gidst langs zijn of haar favorieten.
Helemaal verlost van zijn koopverslaving, ‘een ander woord kan ik niet bedenken’ is hij nog niet. Het genot van het betasten van een nieuw instrument. De aanrakingen met de snaren, de geur van het hout en dan natuurlijk dat eerste geluid. ‘Het geeft me altijd weer een subliem gevoel van geluk.’
Voor zijn nieuwe album maakte hij veel gebruik van zijn laatste aanwinst: ‘een mooi kleine akoestische gitaar van mahoniehout. Ik kocht hem van een vrij jonge bouwer, Butch Boswell in Oregon, iemand tipte me. Ik werd meteen verliefd op die gitaar en speel er One Deep River in vier of vijf nummers op.’
Wat er het eerst is, het liedje of de gitaar om het op te spelen, weet Knopfler nooit precies. ‘Het begint meestal met een paar akkoorden of een melodie waar ik dan al snel de klank van een bepaalde gitaar bij hoor. Dat gaat echt zo van: dit nummer heeft een Gretsch nodig en dit heeft de twang van een oude Shadows-tune dus daar wil ik een Stratocaster bij. Waarschijnlijk kwamen er dit keer allerlei liedjes in me op waarbij die Boswell-gitaar het best bleek te passen, want ik heb er maanden thuis onafgebroken op gespeeld. Het heeft me in ieder geval geïnspireerd tot een paar dozijn nieuwe liedjes, waarvan ik maar de helft op het album kwijt kon. Ik ben op mijn oude dag productiever dan ooit.’
‘Mijn ’61 Stratocaster-gitaar zou ik nooit wegdoen. Mijn eerste exemplaar kocht ik in 1977. Ik wilde als kind al zo’n mooie rode gitaar waar mijn held Hank B. Marvin van de Shadows op speelde, maar die was te duur. Mijn vader kocht er een die er op leek, en daarop heb ik leren spelen. Ik heb mezelf echt alles aangeleerd want ik wist aanvankelijk niet eens hoe ik hem moest vasthouden. Maar ik vind een gitaar nog steeds echt een magisch ding en heb mooie herinneringen aan die jaren dat ik elk uur dat ik tijd had van alles aan het uitvogelen was. Hoe deed Marvin dat met die tremelo-arm op zijn instrument? Hoe kon ik zo’n mooie vibratoklank krijgen? Mijn eigen Stratocaster was een tweedehandsje en had meteen al een likje rode verf nodig. Ik had Sultans of Swing al min of meer in de steigers staan toen ik ’m voor het eerst gebruikte. Het liedje kreeg meteen vleugels. Alsof het nummer eindelijk de juiste gitaar had gekregen waar-ie al zo lang naar snakte. Ik heb die Fender heel veel gebruikt, en speel er nog wel eens wat op voor de lol. Een beetje voor old times sake, zeg maar.
‘Mijn mooiste herinneringen heb ik aan de jaarlijkse kermis in Newcastle, op de Hoppings Fairground. Ik woonde in een plaatsje vlakbij en het was voor een jongetje als ik ieder jaar weer een hoogtepunt om te gaan kijken. Het trok een enorm publiek van alle rangen en standen. Ik keek mijn ogen uit. Niet dat ik een boksfanaat ben, maar ik weet nog goed dat ik enorm werd aangetrokken door de boksers. Ze waren in dienst van de kermis om met uitdagers uit het publiek te vechten. Wie een bokser neersloeg, verdiende een pond. Ze konden veel beter vechten dan ze lieten zien, en deden alsof ze de bezoekers en kans gaven. Maar ik weet nog dat er een hele grote, sterk uitziende jongen naast me stond die heel graag wilde en zijn vinger opstak. Maar de bokser deed alsof hij hem niet zag. Jaren later zag ik op tv bokskampioen Canelo Alvarez. Hij had precies dezelfde kop als die jongen een halve eeuw eerder naast mij op de kermis, wiens tronie ik nooit vergeten ben. Zoals ik eigenlijk alles nog weet wat ik op die kermis zag. Soms duikt er nog wel eens zo’n vervlogen beeld op in een liedje van me.’
‘Als jongetje deed ik niets liever dan mijn neus tegen winkelruiten drukken om te kijken of ze nog iets nieuws hadden. Niet bij alle winkels hoor, kledingzaken of ijzerwarenwinkels interesseerden me niks. Maar vooral muziekwinkels en fietsenzaken zijn nog altijd een soort obsessie voor me. Dat ik me bij muziekwinkels verlekkerde aan gitaren, is nog wel te verklaren. Ik durfde er pas naar binnen toen ik geld had om er een te kopen. Nog altijd kan ik niet doorlopen als ik ergens ben en een gitaarwinkel zie. Maar een fietsenwinkel? Er zit er hier een vlakbij waar ik vaak langskom en altijd blijf ik staan. Misschien omdat het me ook aan vroeger doet denken, dat ik nu brom- of racefietsen zie staan die ik wél kan betalen. Of is het de schoonheid van het fiets-design? Ik heb er geen verklaring voor, maar even bij de fietsenwinkel naar binnen kijken, daar word ik altijd een beetje blij van.’
‘Zoals gitaarshops hebben ook fietsenwinkels genoeg aan me verdiend hoor, want ik kijk niet alleen, ik koop ook graag. Racefietsen daar ben ik mee gestopt. Door een ongeluk heb ik te veel last van mijn rug om hard te trappen, en je krijgt mij niet op een e-bike. Motorrijden doe ik nog wel, op mijn oude Honda 300cc. Maar het meest trots ben ik op mijn drie Porsches. Twee oude 911’s waarin ik me weinig vertoon en een nieuwe Macan. Die ziet er niet zo chic uit, maar heeft wel een geweldige motor en hij rijdt heerlijk. Ik voel me er ook niet zo in bekeken als in die oude Porsches. Die liefde voor het merk zal ook wel uit mijn jeugd komen. Zo af en toe zag ik er een in Newcastle en dat was toch een versiering van het straatbeeld. Als jongetje heb je allemaal je favoriete sportauto, denk ik. Eerst als speelgoed en daarna in je wensdroom. Die van mij was lang een Jaguar E-Type, en misschien vind ik die nog steeds wel de mooiste auto ooit gemaakt. Maar wellicht niet voor mij, ik ben al jaren perfect gelukkig met mijn Porsches.’
‘Ik ben echt nog dol op die EP’s van vroeger. Plaatjes met vier nummers en een prachtig kartonnen hoesje. Ik zie ze nog altijd voor me: vooral die eerste EP’s van de Shadows zijn me dierbaar. Maar van Hank B. Marvin, mijn grote voorbeeld en absolute held, heb ik het spel in Wonderful Land altijd het mooist gevonden. Geen EP, maar gewoon een single. Althans mijn exemplaar. Dit instrumentale nummer geschreven door Jerry Lordan had voor mij alles in zich wat een liedje perfect maakt. De prachtige toon en de touch die Marvin had, alles was volmaakt. Dit wilde ik ook, The Shadows wezen me de weg.’
‘Ik studeerde in Leeds waar ik een oudere vriend had met een enorme collectie bluesplaten. Avonden lang zaten we naar de grote meesters te luisteren, nooit wetende dat ik zelf ook nog eens met Buddy Guy of B.B. King op het podium zou staan. Het meeste indruk maakte Live at the Regal van B.B. King omdat daarin de drieëenheid stem, gitaar en publiek precies in balans was. King zong op z’n krachtigst en zijn gitaarspel bracht een bijzondere respons bij het publiek teweeg. Applaus, gejoel en klappen dat niet even aan de opnamen was toegevoegd, maar dat hoorbaar een reactie was op iedere noot die King speelde. Het waanzinnige vibrato dat hij met zijn linkerhand speelde had hij weer overgenomen van Elmore James, een andere held van mij. Alleen gebruikte hij daar een bottleneck voor. B.B. King niet, die deed het zonder hulpstuk. Ongelooflijk.’
‘Er zijn genoeg gitaristen die ik bewonder, maar er is maar één songschrijver waar ik al zestig jaar door ben beïnvloed: Bob Dylan. Dylan, altijd Dylan, zolang als ik naar muziek luister. Ik was fan van zijn folkplaten uit de vroege jaren zesig en ben dat gebleven. O man, hoe vereerd ik was dat hij me in 1979 vroeg mee te spelen op zijn album Slow Train Coming. Ik was nog geen 30 en dan al zoiets meemaken. Veel van zijn fans haakten af omdat hij toen net was bekeerd tot born-again Christian. Maar het is ook zonder mijn bijdrage zijn best klinkende album. En ik vind het ook wel grappig dat het eerste concert dat ik van hem zag in 1966 was, in Newcastle toen hij door werd uitgejoeld omdat hij elektrisch ging spelen. En de eerste Dylan-plaat waarop ik meespeelde leverde hem ook al boegeroep op vanwege zijn religieuze teksten. Wij kunnen er allebei wel om lachen, maar verder zeg ik niks. Ik roddel niet over Bob.’
‘Ik was al fan van de films van regisseur Bill Forsyth voordat hij me vroeg om de muziek voor Local Hero te componeren. Dus sta me toe toch een van zijn films te noemen. Niet Local Hero die ons allebei veel gebracht heeft maar Comfort and Joy dat erna kwam en misschien nog wel leuker is. Alleen het onderwerp al: een ijsco-oorlog in Glasgow. En dan die geweldige Bill Paterson als radio-dj. Mijn favoriete scene is die waarin jongens verlekkerd door het raampje van zijn BMW gluren en zeggen: ‘is dat echt de ultieme driving machine?’ zoals de reclameslogan toen was. Ik was ook zo’n jongen.’
‘Wat artiesten ook beweren: drinken en goed spelen gaat niet samen. Toen Dire Straits net begon hadden John (Illsley, bassist, red.) en ik de gewoonte om voordat we het podium opgingen een groot glas wodka te drinken. Geen goed idee, bleek naarmate ik ouder werd. Het spelen ging ons zonder drank echt beter af. Nu moet ik er zelfs niet aan denken te drinken voor of tijdens het spelen. Naarmate ik ouder werd, ben ik me steeds meer met eten gaan bezighouden. Ik neem op tournee mijn eigen catering mee en eet vooral mediterraans. Geen pie dus maar pasta en vooral groenten.
Maar als ik thuis ben, of klaar met spelen, geniet ik enorm van een lekker glas rode wijn. Een recente favoriet is de Valduera Gran Reserva uit Spanje. De regio Ribera del Duero biedt ook voortreffelijke goedkopere wijnen, hoor, maar hiermee beloon ik mezelf graag. Alleen nooit als ik speel. Drinken en spelen is als drinken en autorijden: niet doen.’
12 augustus 1949 Geboren in Glasgow, Schotland
1970 Gaat Engels studeren aan de Universiteit van Leeds.
1973 Verhuist na zijn afstuderen naar Londen.
1977 Trekt in bij broer David en huisgenoot John Illsley en gaan samen muziek maken. Met drummer Pick Withers drummer nemen ze als Dire Straits in 3 sessies debuutalbum op.
1978 Single Sultans of Swing verschijnt en wordt een wereldhit. Album Dire Straits later dat jaar ook.
1983 Eerste filmscore van Knopfler voor Local Hero van Bill Forsyth verschijnt op elpee.
1985 Vijfde Dire Straits album Brothers in Arms is de eerste compact disc die wereldwijd meer dan een miljoen keer verkoopt.
1996 Na in 1995 Dire Straits te hebben opgedoekt, brengt Knopfler zijn eerste solo-album Golden Heart uit.
2000 Sailing to Philadelphia verschijnt, zijn nog altijd succesvolste solo-album.
2024 Veilinghuis Christie’s verkoopt de meeste van Knopflers gitaren.
2024 Tiende album One Deep River komt 12 april uit
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant