Home

Hadden we maar naar Rousseau geluisterd, die zuchtte dat met het omheinen van land de ellende begon

Omdat socialemedia-algoritmen weleens rare sprongen maken, belandde ik onlangs via een berichtje over een half opgepeuzeld kalf op de website van Wolvenhek Fryslân. Er ligt, zo las ik, ‘een bloedserieus plan’ voor een 150 kilometer lang hek, van IJsselmeer tot Lauwersmeer, om wolven ‘die Nederland onveilig maken’ uit de provincie te weren, met name omdat men het roofdier ervan verdenkt op grote schaal lammetjes, kalfjes en veulentjes te verslinden.

Over de auteur
Asha ten Broeke is wetenschapsjournalist en columnist van de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Niet dat we zeker weten welk deel van de verorberde babyboerderijdieren elk jaar vroegtijdig gaat hemelen door toedoen van de wolf, vergeleken met bijvoorbeeld de hond of de vos; niemand houdt dat goed bij. Maar toch willen deze Friezen een hek.

Dat zette me aan het denken. Waarom vinden we eigenlijk dat wij als mensen het recht hebben om te bepalen waar de wolf mag gaan en staan? Waarom doen we alsof het land waarop we leven meer van mensen is dan van wolven en andere dieren?

Ik had hier al eerder over staan peinzen, terwijl ik in m’n tuin stond te wroeten. Ik gedraag me daar alsof die halve postzegel aan grond alleen van mij is, dus wanneer ik een dode struik zie, steek ik zonder bedenkingen mijn spade in de grond, ook al stoor ik daarmee talloze kevers, duizendpoten, slakken en pissebedden. Die dag pleegde ik onbedoeld een regenwormenmoord.

Terwijl ik beide helften van het onfortuinlijke weekdier liefdevol tussen de opkomende adderwortel legde, tegen beter weten in hopend dat ik twee wormen had gemaakt die nog lang en gelukkig zouden leven, dacht ik: wat geeft mij eigenlijk het recht om hun leven zo overhoop te halen? Omdat het mijn land is? Vanwege een lening bij de bank en een handtekening bij de notaris? Is dat niet een hele kunstmatige handeling? Waarom zou ik überhaupt iets mogen bezitten dat in de loop van miljoenen jaren buiten mij om is ontstaan? Zouden de wormen en kevers geen rechten moeten hebben? Is de natuur niet in eerste plaats van zichzelf? Met welk recht claimt de mens dominantie over de aarde en over de talloze wezens die daar leven?

Het blijkt dat we onze ideeën over landeigendom danken aan de 17de-eeuwse filosoof John Locke, die in tijden van welig tierend kolonialisme bedacht dat ieder mens die natuur vermengt met arbeid de eigenaar wordt van het land waarop dat gebeurt. Dus, zoals schrijver George Monbiot het stelt: graaf je een gat, dan is de grond van jou, voor alle eeuwigheid, tenzij je ervoor kiest om het te verkopen – komt er na jou nog iemand met een schep aanzeulen, dan heeft die pech.

Deze notie bleek in de praktijk vrij problematisch. Zo was het land waar men dat gat kwam graven doorgaans niet leeg. Er leefde van alles, en vaak woonden er al mensen, die de kolonisten eerst uitroeiden of onderwierpen, omdat dit meer opleverde dan erkennen dat er in alle eerlijkheid niets op te eisen viel.

Bovendien is er geen oneindige hoeveelheid land. Dus nadat alle stukjes grond voorzien waren van gaten en eigendomsaktes, kon men alleen nog aan land komen door het te kopen. En wie iets had gekocht, mocht er van alles mee doen: omheinen, een mijn bouwen, al het bos omkappen.

Zo zijn we gewend geraakt aan het idee dat de aarde en alles wat ze voortbrengt niet van zichzelf is of van iedereen, maar het bezit van de rijken en machtigen die ervoor kunnen betalen. We zijn zo doordrongen van het idee dat zij de terechte heersers over het land zijn, dat het vaak zelfs is toegestaan dat ze hun eigen grond verwoesten, ook als die vernietiging ten koste gaat van andere mensen, ecosystemen of toekomstige generaties.

Zo’n zeventig jaar na Locke verzuchtte een andere filosoof, Rousseau, dat de mensheid zich een hoop ellende had kunnen besparen als we de eerste persoon die een stuk land omheinde en zei ‘dit is van mij’, zijn hekken en palen hadden afgepakt en hadden geroepen: ‘Pas op voor deze bedrieger! Het zal je einde betekenen als je vergeet dat de vruchten van de aarde van ons allen zijn, en de aarde van niemand.’

Het waren niet alleen wijze, maar ook profetische woorden. Hadden we maar geluisterd.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next