Home

‘Ik zie mezelf als talenredder’

Tijdens een heftige periode in het ziekenhuis besluit een jonge Dyami Millarson Latijn en Grieks te gaan leren. Het is het begin van een leven waarin hij talen die dreigen te verdwijnen, wil redden.

Begrip kweken voor kleine taalgemeenschappen en hun uitsterven zien te voorkomen – als 29-jarige heeft Dyami Millarson zijn missie gevonden. Sinds 2016 is de Leeuwarder zich gaan inzetten voor wat hij ‘kleine, Friese talen’ noemt, zoals het Hindeloopers, het Oosterschellings en het Schiermonnikoogs. Zelfs het lot van het Wangeroogs van het Duits-Friese eiland Wangerooge trekt hij zich aan, ook al wordt dat niet meer gesproken. ‘Die gemeenschap is de band met haar wortels kwijt, ik wil graag helpen die te herstellen.’ Hij stelt woordenboeken samen, schrijft columns en noteert levensverhalen van sprekers: ‘Ik zie mezelf als talenredder.’

Die rol ligt niet voor de hand op basis van zijn voorgeschiedenis. Als oudste kind van een gezin in Driebergen-Rijsenburg, waarvan de moeder in de financiële wereld werkt en de vader couturier is, wordt op de basisschool dyslexie geconstateerd. Hij raakt achterop bij zijn leeftijdgenootjes, met wie hij toch al nauwelijks contact heeft. ‘Ik verkeerde vooral in mijn eigen wereldje, speelde meestal alleen en voelde me niet begrepen. Eerlijk gezegd was ik op school doodongelukkig.’

In deze serie interviewt Fokke Obbema mensen die hun leven aan een ideaal wijden.

Aan lezen heeft hij aanvankelijk een hekel (‘omdat het me veel moeite kostte’), maar op de basisschool maakt hij een uitzondering voor met name drie boeken: de Sprookjes van Grimm, het heldendicht Aeneis van de dichter Vergilius en het boek van de Scandinavische mythologie, de Edda. ‘Ik voelde me aangetrokken tot die verhalen, omdat er hele werelden werden opgeroepen waarin ik me kon terugtrekken. Die prikkelden mijn fantasie, ik vertelde mijn eigen verhalen aan mijn ouders.’ Door zijn dyslexie voelt hij zich bovenal uitgedaagd: ‘Ik kon het niet hebben dat ik niet goed kon lezen. Het bleef maar in mijn hoofd malen dat ik dat niet op me moest laten zitten. Ik houd niet van opgeven.’

Als hij 11 jaar is, verdiept zijn betrokkenheid bij taal zich onverwacht. Op een nacht ontneemt een ernstige longontsteking hem plotseling de adem. ‘Ik kreeg bijna geen lucht meer, we zijn naar het ziekenhuis geracet. Daar moest ik aan de beademing en heb ik een nacht in kritieke toestand doorgebracht. Wat mij staande hield, was een voornemen: als ik dit overleef, ga ik mezelf Grieks en Latijn leren. Ik voelde sterk de noodzaak iets bijzonders met mijn leven te doen.’ Op zijn 19de, wanneer hij met zijn vader in Leeuwarden woont, speelt zijn gezondheid opnieuw op – ditmaal met een verdieping in het Fries tot gevolg.

Wat gebeurde er?

‘Op een nacht werd ik wakker met een buikpijn zoals ik die nog nooit had gevoeld. Ik probeerde uit bed te komen, maar viel eruit, mijn voeten deden het niet meer. Ik was ijskoud, voelde me een lijk. Toen heb ik mijn vader gewekt en gezegd dat het helemaal mis was. Eenmaal in het ziekenhuis moest ik overgeven. Ik werd daar steeds slechter, de artsen besloten tot een kijkoperatie in mijn buik. Ze kwamen erachter dat mijn dunne darm voor een groot deel was afgestorven, iets dat vrijwel nooit voorkomt. Ze hebben een groot deel eruit gehaald. Sindsdien voel ik me qua energie nog minder dan de helft van wie ik was, ik moet iedere dag heel efficiënt met mijn krachten omgaan.’

Leidde deze confrontatie met uw sterfelijkheid opnieuw tot een voornemen?

‘In het ziekenhuis kreeg ik veel met het Fries te maken, de verpleegsters spraken het. Tot dan toe had ik me vooral met oude talen beziggehouden en eerlijk gezegd op het Fries nogal neergekeken als een onbelangrijk dialect. Dat is een woord dat ik nu niet meer gebruik, omdat je daarmee werelden afsluit die je niet kent en die waardevol voor je kunnen zijn. Inmiddels zie ik Fries als een taalfamilie met vele tientallen talen – een wezenlijk verschil met mijn vroegere kijk erop.

‘Toen de verpleegsters hun Friese moedertaal tegen me spraken, begon ik me steeds meer voor hun taal te interesseren. Ik was in een geestestoestand waarbij ik daarvoor openstond, ik lag hulpeloos op bed. Ze leerden me woordjes, vonden het leuk dat ik interesse toonde. Ik vertelde dat ik me in oude talen verdiepte, waarop zij me uitlegden hoe oud het Fries is. Ik werd gegrepen door hun taal, ook uit dankbaarheid. Ik begon de schoonheid in te zien.’

Kunt u die schoonheid uitleggen?

‘Voor mij biedt het leren en onderzoeken van zo’n taal toegang tot een wereld die ik tot dan niet ken. Ik zie mezelf als een taalvorser die helpt zo’n taal voor de buitenwereld te ontsluiten. Dat heeft iets magisch voor me. Zoals ik me al jong tot mythologische verhalen aangetrokken voelde, zo voel ik dat nu met mythologische elementen in een taal. In het Klei- en Woudfries heb je bijvoorbeeld ierdmantsjes, aardgeesten, die een spiegelbeeld van de sprekers van de taal vormen: ze zijn ondeugend, vindingrijk en bezitten geheime kennis. Tot zo’n verborgen schat krijg je toegang via de taal. Ik ben daardoor ook een grotere verbondenheid met het Friese landschap gaan voelen.

‘Wonderbaarlijk aan taal vind ik ook de toegang tot een andere identiteit. Als ik me in een van de Friese talen uitdruk, ben ik bijvoorbeeld amicaler en directer. Bovendien voel ik me opgenomen in een gemeenschap met anderen, met wie ik omga als met familieleden. Gaandeweg ben ik me voor allerlei gemeenschappen gaan interesseren. Ik begon met het Kleifries, daarna ben ik uitgekomen bij nog vele andere varianten, zoals het Hindeloopers en het Schiermonnikoogs. Het leerproces kost wel tijd, maar ik vind het zeer de moeite waard.’

Waardoor raken die taalgemeenschappen u zo?

‘Mijn hele leven heb ik me anders gevoeld, ik moest mijn eigen wereld creëren omdat ik bij anderen geen aansluiting had. Ik denk iets te herkennen in gemeenschappen die zich anders voelen en die zich met hun taal in een eigen wereld hebben teruggetrokken. Die fascineren me, ik vraag me dan af: hoe voelen zij zich precies anders, wat houdt hun bezig, hoe houden ze zich staande? Door kennis daarover te verzamelen, wil ik interesse voor die gemeenschappen opwekken. Ik hoop dat buitenstaanders ook de schoonheid daarvan kunnen inzien. Om dat bruggenhoofd naar de buitenwereld te kunnen vormen, moet ik wel eerst het vertrouwen van die gemeenschappen winnen. Ik zie mezelf als boodschapper, dat zit ook in mijn voornaam. Bij de Noord-Amerikaanse Pueblo-volkeren betekent Dyami ‘adelaar’, ‘boodschapper tussen hemel en aarde’. Ik zie het als mijn lot boodschapper te zijn tussen deze taalgemeenschappen en de buitenwereld.’

Is het moeilijk dat vertrouwen te winnen?

‘Ja, dit soort taalgemeenschappen is vaak heel gesloten, bijna niemand van buiten komt binnen. Bij de Hindeloopers moest ik een lange weg gaan voordat ik werd geaccepteerd. De ouderen wilden eerst beoordelen of ik hun taal wel echt sprak – niet alleen of ik de woorden en de grammatica kende, maar ook wilden ze weten wat ik van hun geschiedenis en cultuur afwist. Dat was erg belangrijk voor hen. Het werd een pittig gesprek in het Hindeloopers, maar uiteindelijk waren ze wel overtuigd. Op Schiermonnikoog kreeg ik ook zo’n soort test.’

Het moet grappig voor die oude mensen zijn dat zo’n jongeman zich plots voor hun taal interesseert.

‘Het woord grappig is niet op zijn plaats, het gaat veel dieper. Hun hele wezen wordt erdoor geraakt, het is een doodserieuze zaak voor ze. Velen voelen zich ontroerd, omdat ik me voor hun taal inzet en interesse voor hun drijfveren opbreng. Dat raakt ze, het voelt alsof ze mij verwelkomen in hun familie. Dat is zowel voor hen als voor mij bijzonder.

‘Bedenk dat ze door de buitenwereld vaak met hun taal zijn gepest. Een kind van een Hindelooper krijgt bijvoorbeeld te horen: je vader praat raar, hij is maar een boer. Of een soldaat wordt gepest door andere soldaten, omdat hij Hindeloopers spreekt. Er is vaak geen begrip voor het feit dat zij in die taal zijn grootgebracht en dat die dus veel voor hen betekent. Bovendien is Nederlands spreken vaak een grote inspanning. Als ik hen in hun eigen taal aanspreek, voelen ze zich thuis. Soms zijn ze tot tranen toe geroerd, omdat ze met een jonger persoon erin kunnen spreken.’

De meeste sprekers zijn oud. Bent u in deze tijd van mondialisering niet bezig met een gevecht tegen de bierkaai?

‘Wat ik zie, is dat juist door de mondialisering en alle aandacht voor het Engels, er ook een tegenbeweging aan het ontstaan is van personen die zich juist in kleine talen willen terugtrekken. Wanneer er zo veel aandacht voor één taal is, krijg je zo’n tegenreactie, dat heb je in de geschiedenis wel vaker gezien.

‘Kleine taalgemeenschappen zijn niet verdwenen toen het Nederlands belangrijker werd; het Nederlands gaat niet verdwijnen nu het Engels belangrijker wordt. Ik ben dus wel optimistisch: naarmate Engels dominanter wordt, krijgen mensen meer behoefte aan kleine talen. Daarbij helpt de technologie ook. Kunstmatige intelligentie gaat het gemakkelijker maken ook een kleine taal tot je te nemen – straks kun je een kleine taal leren, wanneer een AI-programma voldoende input heeft gekregen. Over de hele wereld kunnen er sprekers bij komen – een vriend uit Hongkong heb ik Schiermonnikoogs geleerd.’

Maar hoeveel mensen spreken het Hindeloopers nu nog?

‘Erg weinig, er zijn veel oude inwoners in de afgelopen jaren gestorven. Je hebt er nu misschien nog tweehonderd, ik kan nog maar weinig mensen vinden die het spreken. Dat is verdrietig, want ik kende die mensen persoonlijk, het voelt toch als het verliezen van opa’s en oma’s. Ik mis de oudste mannelijke spreker die ik kende, Leo Walda, die sprak het heel vloeiend, een waterval. Ik ben nu bezig met een Nederlands-Hindelooper woordenboek, dat draag ik aan hem op.

‘Er zijn wel jongeren die het Hindeloopers willen leren, alleen de stap naar het daadwerkelijk doen is groot, heb ik gemerkt. Ze moeten tijd in hun leven maken, de vrijheid voelen het te gaan doen. Op latere leeftijd lukt dat gelukkig vaker. Positief is ook dat Museum Hindeloopen extra aandacht aan de taal wil besteden. Ze willen dat die op volgende generaties wordt overgedragen, dat past helemaal in mijn straatje. Ik wil daaraan een bijdrage leveren door het maken van dat woordenboek.

‘Als ik denk aan zo’n taalgemeenschap zie ik alle gezichten voor me van mensen die mij verhalen hebben verteld, in gedachten hoor ik weer al hun verhalen. Wat ik voor hen zou willen bereiken, is versterking, uitbreiding of in ieder geval stabilisatie van de gemeenschap. Zij geven mij zoveel mogelijk kennis die ik vervolgens op schrift stel – dat is lesmateriaal in de vorm van woordenboeken, levensverhalen, proza, poëzie. Ik ben optimistisch, want er hoeft maar één jonger iemand te zijn die bij mij in de leer gaat. Die kan het dan later op dezelfde manier weer doorgeven. Zo gaat het bij bepaalde vormen van kungfu ook: één leermeester die zijn gehele kennis op één leerling overbrengt. Datzelfde principe kan met talen. Zeg vooral tegen me dat het niet kan. Want dat motiveert me enorm. Ik weet zeker dat het wel kan.’

Boektip:
When Languages Die, David Harrison

‘Dit boek raakte me, omdat de schrijver mijn grote zorg deelt over het verdwijnen van kleine talen. Als vooraanstaand Amerikaans antropoloog en linguïst weet Harrison inzichtelijk te maken hoeveel we dan verliezen aan cultuur en ideeën. Gelukkig schetst hij ook wat we kunnen doen om massaal uitsterven van talen te voorkomen.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next